Het genante geld

Geld is niet gewoon, dus doe er op z'n minst iets goeds mee. Dat is wat haar jeugd in Kenia haar bijbracht. Ook in Nederland gaf Mirjam de Rijk het liever niet uit in cafes of in design-winkels: ‘Ik ben nu eenmaal het gelukkigst tussen het grofvuil.’
IK ZAL EEN jaar of tien zijn geweest toen ik mijn moeder vroeg of ze geen wasbare lappen kon gebruiken in plaats van maandverband. Maandverband, dat was toch zonde van het geld? Niet dat we ooit geld tekort hadden, maar zonde was het. We woonden in Kenia en maandverband was relatief duur, voor een pak kon je misschien wel dertig mandasi’s, een soort oliebollen, kopen. Maar wassen moest met de hand, dus eenieder kan raden wat mijn moeder antwoordde.

Met de Nederlandse buurvrouw discussieerde ik eindeloos over de mogelijkheid alle geld af te schaffen. Waarom zou niet iedereen datgene doen waar hij plezier in heeft en goed in is, en het geproduceerde met anderen ruilen? De buurvrouw grossierde in tegenwerpingen en ik kwam er niet uit - een behoorlijke nederlaag. Pas later begreep ik dat die buurvrouw VVD-angehaucht was en in Nederland verschillende huizen bezat, en dat dergelijke zaken mensen ook een wat andere kijk op geld plegen te geven. Maar ik had me geen betere discussiepartner kunnen wensen.
Hoe graag ik het geld ook wilde afschaffen, het had vanzelfsprekend ook een grote aantrekkingskracht. Misschien juist in een land waar je je elke minuut beseft hoe groot het verschil is tussen hebben en niet- hebben. Wij kinderen handelden wat af in die tijd. Zo maakten we ‘tabak’ van de bladeren van zo- maar-struiken, stopten dit in oude tabaksblikken en 'verkochten’ het voor een dubbeltje aan de Nederlandse paters, die altijd wel in waren voor een geintje. Die kon je dan aan mandasi’s besteden of opsparen, om tijdens vakanties kruiken en ander prachtigs van nomaden in Pokot te kopen. Die mensen wilden de kruiken ook wel ruilen tegen een lege limonadefles, maar dat mocht niet van mijn moeder. Dus gaven we de limonadeflessen weg, en kochten de kruiken. We susten ons geweten met het idee dat vooruitgang, namelijk de overstap van kalebassen naar glazen flessen, nu eenmaal niet tegen te houden is. Trouwens, wie waren wij om mensen aan de kalebas te willen houden terwijl wij, tenzij als wanddecoratie, toch ook de voorkeur gaven aan fabrieksmatige flessen?
MISSCHIEN IS HET ’t wonen daar dat mij die speciale verhouding tot geld heeft gegeven. Het diepgewortelde besef hoe abnormaal veel geld wij westerlingen hebben. En de verantwoordelijkheid die samengaat met die abnormaliteit: het is niet gewoon, dus doe er op z'n minst iets goeds mee. Niet dat wij van huis uit werden volgegoten met het besef goed te doen. In mijn herinnering was er thuis een eeuwigdurende discussie over het nut van dergelijke ontwikkelingshulp. Met argumenten die nog steeds opgeld doen: is het niet een vorm van neo- kolonialisme; zijn die witte werkers niet juist het probleem; voor dat salaris van ons kunnen vijf Keniaanse artsen aan de slag.
Geld en ethiek, eigenlijk had ie dere keuze daarmee te maken. Want hoe walgelijk het ook was om een huishouder, een tuinman en een nachtwaker in dienst te nemen voor een salaris dat een fractie was van het onze, het was nog genanter om het niet te doen. En hoe logisch het ook was geweest als wij, witten, meer voor produkten hadden betaald dan de plaatselijke bevolking, we zouden er de markt mee verpesten, dus leefden ook wij voor een habbekrats.
Mijn vader was lepra-arts. Lepra is een rotziekte. Want behalve dat je het vaak pas ontdekt als een deel van je zenuwen al zijn afgestorven, moet je er ook een jaar of tien pillen voor slikken. Voor het ophalen van die pillen moeten patienten kilometers lopen. Een van de vele Nederlandse onderzoekers-op- zoek-naar-een-onderzoek die zich bij ons meldden, wilde onderzoeken hoe het nou kwam dat mensen hun pillen niet ophaalden. Mijn moeder wist wat beters: 'Voor het geld dat zo'n onderzoek kost, kun je patienten bij iedere pillenset een stukje zeep cadeau doen. Je zult zien dat ze keurig iedere maand komen.’ Ik denk dat ze gelijk had, maar de onderzoeker kwam natuurlijk toch. Want wie wisselt zijn ticket in voor duizenden zeepjes?
Eens was onze radio gestolen. Niemand anders dan de nachtwaker kon het hebben gedaan. Hetgeen ook zo bleek te zijn. Mijn ouders trokken naar het politiebureau alwaar de nachtwaker was ingesloten, om ervoor te zorgen dat de man weer vrijkwam. Hij kwam zelfs weer in dienst. Want wij waren toch zelf schuldig aan de diefstal, door bij zulke rijkdomverschillen de deur open te laten? Nee, mijn ouders waren vervolgens niet tevreden over hun menslievende daad. Eerder bleef het schuren: die grote verschillen, wat doen we hier eigenlijk?
Geld en ethiek. Waarbij mijn vader voor het geld zorgde en mijn moeder voor de ethiek, want in dat opzicht waren de rollen tamelijk traditioneel.
Inmiddels is die regeling afgeschaft, maar begin jaren zeventig kregen ontwikkelingswerkers die hun contract vol maakten, een bonus van 25 procent van hun jaarsalaris. Mijn ouders hebben serieus overwogen om een maand voortijdig weg te gaan, om zo expres de bonus mis te lopen. Maar wel of geen bonus, van het geld dat wij aan onze ontwikkelingshulp overhielden, kochten we bij terugkomst een huis in Deventer.
Een brandverzekering hadden we niet. Wie een hypotheek heeft, is verplicht zich te verzekeren, maar dank zij het gespaarde hadden wij geen hypotheek. En verzekeraars verrijken zich aan de angst en het ongeluk van mensen. Bovendien beleggen ze in de meest walgelijke projecten. Wij spraken met een twintigtal families af dat in het geval een van onze huizen in de fik zou gaan, wij voor elkaar bij zouden springen. En verder hielden we het erop dat de kans op fik minimaal was, en dat de ellende dan toch niet te overzien was, en dat je dan maar gewoon een huis moest huren.
IK HAD ZO M'N eigen manier van omgaan met de Nederlandse overdaad. Alle gezinsleden hadden een huishoudelijke taak en ik had het liefst de boodschappentaak - zo kon ik op zoek naar goed eten dat was weggegooid. De markt na sluitingstijd, maar ook de container naast de supermarkt. Vla die over de datum was, camembert op het randje. De gezondheidscultus was fors in opkomst maar ging vooralsnog aan ons voorbij. Nee, voor ons geen biologische volkorenprodukten, wij kochten gewoon de goedkoopste jam (zonder vruchten!) en de goedkoopste pindakaas bij de Edah. Daar hadden we geen grote theorieen over, het stond ons eenvoudig helemaal niet aan, dat gedweep met gezond eten - een mens heeft wel wat beters te doen, toch?
En inderdaad, met het uitgespaarde geld kon je ook wel wat beters doen. Maandelijks keken we hoeveel geld we overhielden, en waar we het aan zouden weggeven. Later kwam pas het politieke eten: wereldwinkelkoffie en eco-produkten. Misschien gezonder, en in ieder geval beter voor de wereld.
Op een bepaald moment schaften we thuis het zakgeld af. Iedereen mocht pakken wat-ie nodig had. Grote uitgaven werden eerst met elkaar besproken. Dat gold ook voor m'n ouders. Voor mijn broer was het vreselijk: die wilde geen verantwoorde uitgaven, die wilde gewoon een muziekinstallatie. Had hij zakgeld gehad, dan had hij ervoor kunnen werken en sparen, nu kreeg hij ons oordeel over een dergelijke aanschaf op de koop toe.
Ik heb altijd gespaard. Zelfs van mijn toenmalige jongerenuitkering van 747 gulden. Ik had het ouderlijk huis inmiddels verlaten en woonde in Groningen. Met mijn spaarzin bekleedde ik niet altijd een gemakkelijke positie in discussies over de (natuurlijk te lage) uitkeringen, over armoede in Nederland. Want ik wist uit ervaring dat je van zo'n uitkering (vijftien jaar geleden, dat wel) een gezellig, aangenaam leven kon leiden. En ik geloofde er heilig in dat dat aangename leven meer te maken had met noem het de 'maatschappelijke stemming’ van dat moment dan met de precieze hoogte van de uitkering. Begin jaren tachtig was je geen loser als je geen betaald werk had. Het was eerder creatief, avontuurlijk, principieel om 'je eigen werk te scheppen’ in theater, in de buurt, bij een eigen krant.
Pas nu realiseer ik me hoe handig we onze waarden en normen wisten aan te passen aan onze geringe inkomens. Het was geen toeval dat alles wat weinig geld kostte, bij mij in hoog aanzien stond, terwijl alles waar je dik voor betaalde eigenlijk geen kunst was, en dus tamelijk stompzinnig. Zelf je eigen of andermans haar knippen; naar de kapper gaan was voor de dommen. Datzelfde gold voor kleren maken, je huis opknappen. Je hoefde natuurlijk niet alles zelf te kunnen, als je maar functioneerde in het netwerk van trotse werklozen.
VOOR VAKANTIES was en is het sobere en goedkope oostelijk Europa favoriet, dus daar hoefde nooit op bezuinigd. Zeker, je kon daar best dollars kwijt in een poging het verschil met het leven in Nederland te minimaliseren, maar als je niet kunt leven van datgene waar ter plekke miljoenen mensen van leven, ga dan maar ergens anders op vakantie. Of blijf thuis. Het allerergst zijn de vakantiegangers die voortdurend wapperen met dollars, om terug in Nederland niet alleen te verhalen hoe vreselijk men heeft moeten afzien, maar ook hoe corrupt de plaatselijke bevolking is.
En, o wat een geluk, ik ontbeerde ieder mode- en designbewustzijn. Die twee kosten namelijk verschrikkelijk veel geld (en veel tijd, dat terzijde). We hadden onze eigen mode, ons eigen design. Ik had tijd noch behoefte om 'gezellig te winkelen’ of naar het cafe te gaan, om kortom te consumeren-om-het-consumeren. Ik ging natuurlijk wel om met mensen die wel geld verdienden. En die hun vrije tijd niet besteedden aan krantjes lay-outen of het opbouwen van een theaterdecor. En die wilden met me uit eten of naar een terras. En ik kon niet eens zeggen dat ik daar geen geld voor had, want ik spaarde immers. Bovendien was 'geen geld hebben’ beneden mijn waardigheid, alles is immers een keuze? Maar ik kreeg het eenvoudig niet uit m'n portemonnee. Twee gulden voor een tonic in het cafe, daar kon je twee liter voor kopen! Om die flessen lekker op een bankje in het park op te drinken. En twintig gulden voor een maaltijd, daar kon je thuis een diner voor vier voor geven! Mijn consumerende vrienden zagen mijn aarzeling en boden vaak aan om voor mij te betalen, maar dat maakte in mijn optiek niet uit: het ging mij, en dat geldt trouwens nog steeds, slechts om de vraag of het z'n geld wel waard was. Niet of het mijn geld wel waard was.
Consumeren, zo weet ik inmiddels uit ervaring, hangt sterk samen met een scheiding tussen werk en vrije tijd, tussen publiek en prive. De 'opoffering’ die een betaalde baan vergt, noodt tot inhalen, tot 'jezelf verwennen’. Bovendien zou je wel gek zijn om in je vrije tijd ook nog eens je huis te gaan opknappen of andere klussen te doen. Nee, die klussen besteed je uit, en zelf ga je winkelen, of koffie drinken.
De vrienden toen hebben me het niet in dank afgenomen. Net als het drinken van alcohol en roken, is geld uitgeven namelijk 'gezellig’. Wie geen geld uitgeeft, is dus 'ongezellig’. Bovendien gebeurt er iets met het geweten van de gelduitgever zodra deze wordt geconfronteerd met iemand die minder consumeert. Het is de mengeling van bewondering en sterke irritatie die de gelduitgever (net als de roker en drinker) een ongemakkelijk gevoel geeft. Blijkbaar heeft vrijwel iedereen een latent gevoel dat consumeren niet helemaal koosjer is.
Ik kan er inmiddels ook vanuit de gelduitgevende partij over meepraten. Bloedirritant zijn ze, die mensen die hun consumptiepatroon aangepast hebben aan hun magere uitkering en zelfs mij het gevoel geven een luxebeest te zijn.
Ruim tien jaar geleden verliet ik het uitkeringsdom. Achteraf bezien heb ik op tijd het zinkende schip verlaten. Niet-hebben is de afgelopen jaren in razend tempo 'eigen schuld, dikke bult’ geworden. Het is niet iets om trots op te zijn, het is niet creatief, het is gewoon stom. Het aardige aanbod van mijn vrienden die wel voor mij wilden betalen, krijgen de huidige baanlozen dan ook niet. Terwijl tegelijkertijd de samenleving veel meer dan toen op consumeren is gericht.
Heel langzaam stegen de afgelopen jaren mijn uitgaven. Een paar weken geleden heb ik een huis gekocht. Zonder hypotheek en zonder levensverzekering en zonder aidstest, maar met een brandverzekering. Ik kan me niet voorstellen dat er twintig huizenbezitters te vinden zijn die met mij het brandrisico willen delen, en dus hoef ik er niet over na te denken of ik dat zelf nog zou willen. Als compromis is de verzekering afgesloten bij een verzekeraar die het geld iets minder walgelijk belegt en zich bovendien niet alleen door winst laat leiden.
Zonder hypotheek ben ik natuurlijk een dief van m'n eigen portemonnee. Ik zou immers mijn spaar geld beter kunnen beleggen en ondertussen mijn hypotheekaftrek innen van de staat der Nederlanden. Maar ten eerste heb ik een hekel aan hypotheekadviseurs, gezondheidsverklaringen en verplichte levensverzekeringen, en ten tweede kun je niet de ene dag actievoeren tegen Shell of de uitbreiding van Schiphol of een nieuwe kantoorwijk langs het IJ, en de volgende dag in diezelfde bedrijven beleggen. Inderdaad, 'groen beleggen’ kan tegenwoordig ook, maar waarom zou ik mijn kostbare tijd besteden aan het zo gewiekst mogelijk vermeerderen van m'n spaargeld en ondertussen de schatkist een poot uitdraaien terwijl ik tegelijkertijd pleit voor goede collectieve voorzieningen? Trouwens, die hypotheekrente-aftrek moet toch nodig worden afgeschaft? Dat pleit overigens weer voor het nemen van een hypotheek: wie er zelf van profiteert en tegelijkertijd pleit voor afschaffing, krijgt vast meer gehoor.
ER IS IETS RAARS aan de hand met het overhouden en dus sparen van geld. Het is een beetje vies, niemand mag het weten, je moet je er een beetje voor schamen. Zou hetzelfde gelden voor het hebben van geld in de vorm van auto’s, geluidsinstallaties, verre vakanties, dan zat er nog enige logica in. Maar met dergelijke bestedingen mag je gerust pronken. Blijkbaar rust het taboe op het overhouden, het niet-besteden van geld. Er wordt massaal gespaard, de grote spaarzin der Nederlanders ('onderbesteding’) is zelfs een economisch probleem, maar tegelijkertijd is het not done.
Dank zij de gunstige voorwaarden voor huizenkopers in dit land, zal ik straks nog meer sparen dan nu. Terwijl dat sparen minder zin heeft dan ooit - ik heb immers al een huis en andere wensen heb ik niet. Even was ik daardoor in paniek. Want zat er tot nu toe nog enige rationaliteit in mijn sobere levensstijl, die is vanaf nu helemaal verdwenen. De afgelopen weken werd ik enigszins droevig als ik een mooie tafel bij het grofvuil zag staan, en naar de markt gaan hoefde eigenlijk ook niet meer. Blijkbaar moet het sobere leven toch iets opleveren, een besparing moet ergens goed voor zijn. Ik kon natuurlijk nog steeds die tafel op de fiets tillen en thuis opknappen, maar een nieuwe kopen kon ook en daarmee was de lol van het grofvuil eraf. Weliswaar heb ik nooit bewust voor een huis gespaard, maar een groeiende bankrekening heeft wel erg weinig zin als je helemaal niet weet wat je met dat geld moet doen.
Waarom dan niet gewoon minder salaris gevraagd? Omdat het hele bovenstaande verhaal draait om het 'goed besteden’ van geld. En eerlijk gezegd hou ik dat toch liever zelf in de hand.
Maar sinds een week of twee ben ik er uit, en achteraf is het erg simpel: iedere vuilnisvondst, ieder koopje op de rommelmarkt betekent immers dat ik het uitgespaarde geld kan weggeven aan clubs die dit land een stuk aangenamer maken. Dat deden we in Deventer toch ook? Het is even wennen om tot de categorie mensen te behoren die anderen geld geeft om de wereld te verbeteren. Maar het vinden van een oude tafel wordt zo weer een groot genot. En ik ben nu eenmaal het gelukkigst tussen het grofvuil.