Het genot van belgie

Als de machthebber geniet van iets wat het volk niet kan genieten, herstelt het volk de genotsbalans door het eigen morele gelijk te genieten. Het fantasmatische kruispunt tussen politiek en moraal: een psychoanalyse van België.
Dit artikel is een bewerkt onderdeel uit de lezing ‘Brussels bericht’ die Rudi Laermans donderdag 12 december om 20.30 uur houdt in De Balie te Amsterdam. De lezing maakt deel uit van de reeks ‘Krisis-interventie’, georganiseerd door het filosofisch tijdschrift Krisis. Rudi Laermans is hoogleraar Cultuursociologie aan de universiteit van Leuven.

  1. ZOVEEL LIJKT zeker: het gaat niet goed met België, vooral niet met de Belgische politiek. Opeenvolgende schandalen ondermijnden de geloofwaardigheid van regering en parlement en, meer algemeen, van de traditionele politieke partijen.

Men spreekt hier dan ook allerwegen van ‘een vertrouwenscrisis tussen burgers en politici’. De macht (de regering) werkt nog wel, ze is operatief en daadkrachtig - ze slaagde er bij voorbeeld in om zonder al te veel sociale onrust het legendarische Belgische begrotingstekort tot aan de kritische grenswaarde van drie procent terug te dringen (de beruchte Maastricht-norm).
Maar het zou 'de macht’ in toenemende mate aan legitimiteit ontbreken vanwege het aangetoonde gebrek aan persoonlijke integriteit van sommige ministers en parlementariërs, dus van mensen die de politieke macht in naam van het volk beheren. Politici die zichzelf of hun partij op illegale wijze verrijken (zie onder meer de Agusta-affaire), politici die tussenbeide komen in de rechtsgang om beschermelingen hun straffen te laten ontlopen, politici die broedermoorden organiseren met het oog op macht of invloed en daarbij zo ver gaan het lichaam van de eigen clanvader te slachtofferen (de drieste moord op André Cools, leider van de Waalse Socialistische Partij)… - de klachtenlijst is nog veel langer, maar het eindoordeel lijkt ook zonder een volledig requisitoir te kunnen worden geveld.
Waar draait het in nuce om? De Belgische politici wordt enerzijds een soms al te manifest gebrek aan moraliteit aangewreven - een al te grote buigzaamheid in de omgang met macht of geld. En anderzijds zouden ze zich al te sterk van het alledaagse leven hebben verwijderd - van de zorgen, angsten en verlangens van de modale burger (die een partij als het Vlaams Blok daarom zonder veel politieke tegenstand kan opeisen). Beide grieven komen neer op een directe moralisering van het politieke handelen. Men acht immers politici en beleidsmakers persoonlijk mede verantwoordelijk voor zowel de corrupte praktijken van enkelen als de breuk tussen het politieke systeem en de alledaagse leefwereld. Politiek wordt zo een kwestie van persoonlijke intenties, van goede of slechte wil. Moralisering gaat inderdaad noodzakelijk hand in hand met het toeschrijven van ethisch geladen bedoelingen aan individuen, wat uiteraard niet kan zonder geweldige vereenvoudigingen.
Het koppelen van politiek aan moraal is evenwel bepaald geen exclusief Belgisch gegeven. Moralisering kenmerkt ook het fenomeen van political correctness, evenals een al langer ingeburgerde wijze van berichtgeving over politici in de media. Een in de Verenigde Staten met Watergate ingezette tendens kwam de afgelopen jaren in een stroomversnelling terecht: het onthullen van moreel laakbare tekortkomingen van politici. Zo zien Amerikaanse presidentskandidaten hun carrières gedwarsboomd, of minstens bedreigd, door berichten over als zondig gerepresenteerde handelingen, zoals overspel of het roken van een marihuanasigaret.
Dergelijke onthullingen veronderstellen niet alleen stilzwijgend de ethische juistheid, zoal niet de superioriteit, van een bijzonder restrictieve, traditionalistische moraal. Belangrijker is misschien wel dat de politieke-onthullingsjournalistiek ook meewerkt aan de hegemonie van een nieuw waarheidsregime. Daarbinnen is het spreken of tonen van 'de waarheid’ synoniem met onthullen, met het blootleggen - de seksuele metafoor is nooit veraf - van persoonlijke, vaak zelfs intieme overtredingen van morele en/of juridische regels. De berichtgeving over politiek neigt zo de facto tot het reproduceren van de bekentenisretoriek van ontelbare tv-programma’s.

  1. IN DE MORALISERING van het politieke handelen van de kant van de media valt het keer op keer op hoezeer de onthullingen cirkelen rond sex & drugs - rond seksuele transgressies (overspel, homoseksualiteit, groepsseks) enerzijds, en rond alcoholisme, eventueel ook andere vormen van roesbeleving anderzijds. De verslaggeving betreffende corrupte praktijken wordt trouwens eveneens in de regel vergezeld van beschrijvingen van de liederlijke levenswandel van de betrokken politici of ambtenaren. Men heeft het nimmer over hun verfoeilijke eet- of rookgewoonten, noch over hun slechte smaak op het vlak van kunst of kledij, wel over als afwijkend beschouwde seksuele gewoonten, eventueel ook een als abnormaal voorgestelde drinkhabitus. De impliciete boodschap luidt dan ook meermaals dat de vastgestelde politieke, administratieve of juridische corruptie een gevolg is van een al eerder (seksueel) gecorrumpeerde levenswandel. De wijze van moralisering van het politieke handelen binnen de media zet meteen op het spoor van een nauwelijks of nooit gethematiseerde dimensie in de roep om meer integere, tevens meer dichter bij de burger staande politici. Het succes van dit appèl valt namelijk moeilijk anders te begrijpen dan als een appèl aan een fantasma. In het geding is met name die eeuwenoude fantasie die ook al de protesten tegen pauselijke of vorstelijke machthebbers schraagde: 'We worden geregeerd door verdorvenen.’ En hier neemt 'de moraal van het politieke verhaal’ een andere wending, of liever: dat zou hij moeten doen. Ik durf de alles bij elkaar voor de hand liggende, zij het publiek haast nimmer geuite these te verdedigen dat de expliciete morele afkeer van een immorele levenswandel altijd wordt gevoed door een impliciete ('onbewuste’) fascinatie en, daarmee samenhangend, door… jaloezie. De aangeklaagde machthebber lijkt - ik zeg: lijkt, want we bevinden ons hier in het domein van de fantasie - zich een permissiviteit te kunnen permitteren die z'n onderdanen tegelijk zèlf wensen maar sociaal niet (kunnen) willen. Zijn overtredingen schijnen een toegang tot een geheim, ja pervers genot in te houden dat ons is ontzegd. Kortom, de machthebber geniet (van) iets wat wij niet genieten: hij ontsteelt ons een jouissance. De genotsbalans wordt dan alsnog hersteld door het eigen morele gelijk te genieten. Contra de fascinatie voor het verbodene put men, freudiaans gesproken, een surplus-genot uit de affirmatie van de morele eisen van het surperego. Als het zich rigoureus betoont, doet het superego (het geweten) inderdaad zèlf wat het onszelf en anderen verbiedt te doen. Het eenvoudige maar al te vaak vergeten (of moeten we dan toch gewoonweg zeggen: verdrongen?) psychoanalytische inzicht dat ook het geweten geniet en het navolgen van de Wet genot verschaft, werpt uiteraard een bepaald ander licht op de recente gebeurtenissen in België. Meer bepaald kan men levensgrote vraagtekens plaatsen bij de dominante, zelfs nauwelijks weersproken interpretatie daarvan. Het protest naar aanleiding van de zaak-Dutroux, de commotie rond het zogeheten Spaghetti-arrest (de afzetting door een rechtscollege van onderzoeksrechter Connerotte), en vooral de ondertussen haast legendarische Witte Mars van 20 oktober j.l.: keer op keer duidden de commentatoren de gebeurtenissen eensgezind in politieke termen. Men ontwaarde in de evenementen de contouren van 'de nieuwe burger’ (dixit politicoloog L. Huyse), of op z'n minst een massale roep om 'echte democratie’ - om een van corruptie en verkeerd begrepen legalisme gezuiverde politiek-juridische ruimte. Deze strikt politieke lectuur maakte - en maakt - het zich bij wijze van spreken veel te gemakkelijk. Ze wilde niet zien wat nochtans overduidelijk was, en wel dat de massale betrokkenheid van 'de nieuwe burgers’ een niet-politieke grondslag bezat. De diverse uitingen van moreel onbehagen werden mede gemotiveerd door een (al)machtsfantasma dat zichzelf onmogelijk politiek kan articuleren. Het is in dit verband hoogst betekenisvol dat de verslaggeving over 'de zaak-Dutroux’ en, algemener, over het onderzoek naar pedofilienetwerken, zo sterk in het teken staat van de vrees dat mogelijke vertakkingen richting politici of zakenlui niet zullen worden uitgespit. Deze angst lijkt mij meer dan eens gestoeld op iets geheel anders: de wens om het fantasma van 'de verdorven machthebbers’ bevestigd te zien (en hier zouden we over een rerpresentatieve bloemlezing moeten beschikken van de ontelbare onverbloemde uitspraken in cafés en andere publieke ruimten). Niet weinig mensen willen hun machtsfantasie letterlijk bewaarheid zien worden; zij zullen in het tegengestelde geval dan ook blijven volhouden dat het onderzoek niet grondig werd uitgevoerd en bepaalde potjes dicht bleven. Deze fantasmatische dimensie miskennen is synoniem met de miskenning van een essentiële motor van de massale mobilisaties tijdens de afgelopen maanden. Uiteraard is met dit alles niets gezegd tegen de noodzaak van een gedegen en diepgaand, in alle opzichten correct uitgevoerd juridisch onderzoek, noch tegen de feitelijke mogelijkheid van pedofiele praktijken van de kant van politici. Mij is het hier enkel te doen om de (h)erkenning van een zeker fantasmatisch kader dat het plotse politiek-morele engagement van honderdduizenden Belgen mede structureert; de dominante politieke interpretatie loochent simpelweg het mogelijke bestaan daarvan - alsof de ethische roep om meer zuiverheid in de politiek-juridische arena kan noch mag stoelen op 'onzuivere gedachten’ (dixit de titel van een door de Vlaamse minister-president Luc van den Brande bepaald niet geliefde opstellenbundel van de hand van de Vlaamse filosoof Dieter Lesage).
  2. HONDERDDUIZENDEN mensen die stilzwijgend door Brussel trokken, de meesten gehuld in witte kleren: politiek spraakmakend België raakt moeilijk uitgepraat over de Witte Mars van 20 oktober. De betogers formuleerden paradoxaal genoeg geen politieke eisen, integendeel zelfs: politieke slogans werden nadrukkelijk geweerd. Het valt gemakkelijk in te zien dat als die wèl waren toegelaten, de schijnbare homogeniteit - en a fortiori ook de impact - van de betogende massa zou zijn gebroken. Alleen de consensus van het zwijgen verhinderde dat meningsverschillen aan het licht kwamen. Maar hoe valt dit te rijmen met een politiek-democratische interpretatie van de Witte Mars? Want is juist dat niet ook democratie: het partijpolitiek organiseren en kanaliseren van de pluraliteit aan overtuigingen, en vervolgens de discursieve strijd binnen regering en parlement? De deelnemers aan de Witte Mars weigerden de dissensus die fundamenteel is voor het democratisch spel; hun handelen desondanks als een daad van burgerschap, dus politiek interpreteren, is enkel mogelijk door de voor de democratie constitutieve afwezigheid van consensus niet ernstig te nemen. En toch spraken de betogers luidop: hun enigmatische zwijgen klonk in vele oren oorverdovend hard. Ze riepen letterlijk niets, maar hun kleren waren inderdaad veelzeggend. De ontelbare witte jurken, witte T-shirts, witte broeken symboliseerden behalve de onschuld van de door Dutroux vermoorde kinderen tevens een roep om morele zuiverheid en, daarmee samenhangend, een eis tot uitzuivering van politiek en justitie. In hoeverre was hier evenwel alweer niet sprake van de publieke enscenering van een fantasma? Want positioneerden de deelnemers aan dit massale ballet-in-wit zich niet in stilte als moreel zuivere subjecten? Genoten zij niet stilzwijgend van een ethische superioriteit die zich inderdaad niet laat uitspreken en enkel volgens de modus van de fantasie kan worden beleefd? Ik zou deze vragen niet stellen indien zich in de talloze intellectuele en journalistieke kanttekeningen bij de Witte Mars niet een onmogelijk ideaal aftekende. Hèt trefwoord in dit verband is de door politicoloog Luc Huyse gelanceerde uitdrukking 'de nieuwe burger’. Het pas ontdekte, van alle kanten toegejuichte politieke subject zou zich met name rechtstreeks tot de politieke verantwoordelijken richten, onder uitsluiting van het georganiseerde middenveld maar mèt medewerking van de media. Het resultaat is bij voorbeeld dat een van de vaders van de door Dutroux vermoorde kinderen het ontslag eist van de minister van Binnenlandse Zaken wegens grove nalatigheden in het verrichte onderzoek. Tot nader order kan in een democratische rechtsstaat zoiets enkel in het parlementaire halfrond worden gevraagd - maar dat is het punt niet. Crucialer is dat het discours over 'de nieuwe burger’ de mogelijkheid van een onmiddellijke en volstrekt gelijkwaardige, symmetrische communicatie tussen machthebbers en machtssubjecten als politiek legitiem voorstelt. Die legitimiteit zou juist samenhangen met het superieure morele gehalte van zowel de nieuwe burger als de door hem of haar (maar hier beginnen de moeilijkheden al!) geformuleerde eisen. In deze zonder meer brutale miskenning van de elke politieke ruimte kenmerkende opposities tussen regeerders en geregeerden kan ik weinig meer dan een ideologische fantasie ontwaren. Ideologieën bieden ons imaginaire voorstellingen van 'de macht’ in een tijdperk dat het politieke gezag niet langer is belichaamd, noch van één enkel aanwijsbaar iemand uitgaat (de vorst of monarch). Zoals onder meer Michel Foucault terecht benadrukte, is in de moderne samenleving de macht over talloze instanties en instellingen - niet alleen politieke! - uitgezaaid. Ideologische voorstellingen tonen ons daarentegen 'de macht’ alsnog als geordend en gecentraliseerd. Wat feitelijk is verbrokkeld, wordt bij wijze van spreken imaginair geheeld - héél gemaakt. Het van uiteenlopende machtseffecten doortrokken sociale lichaam verandert zo in een leesbare tekst, die de lezer(es) zelf altijd ook een plaats in het voorgestelde machtsnetwerk toewijst. De maatschappelijke nood aan dergelijke imaginaire representaties ligt misschien juist in het ideaal van formele gelijkheid dat de democratische rechtsstaat in een en dezelfde beweging instelde en institutionaliseerde, onder meer met de inhoudelijk lege abstractie van 'de burger-onderdaan’. In het licht van dit formeel-juridische ideaal neemt iedere vorm van machtsongelijkheid welhaast noodzakelijk een problematische gedaante aan, en rijst daarom gedurig de vraag naar het hoe en waarom ervan - naar het hoe en waarom van macht. Ideologie wordt fantasie telkens als het inhoudsloze ideaal van formele gelijkheid omslaat in een substantiële voorstelling van mogelijke symmetrische verhoudingen tussen machthebbers en machtssubjecten. En het ligt voor de hand dat zo'n kanteling zich gewoonlijk op het politieke systeem ent, met haar overduidelijke tweedeling tussen regeerders en geregeerden. De miskenning daarvan noopt tot het poneren van vreemde 'substanties’ waarbinnen de machtsongelijkheid 'daarbuiten’ daadwerkelijk zou zijn opgeheven - van substanties als 'het Volk’ of, recenter, 'de Gemeenschap der Moreel Zuiveren’. Uiteraard zijn dergelijke entiteiten even substantieel als het uit de katholieke dogmatiek bekende Mystieke Lichaam: hun effectiviteit is primair een zaak van geloof.
  3. TOT SLOT - misschien dienen de vele Belgische supporters van 'de nieuwe burger’ en, algemener, de talloze aanhangers van de paradoxale politiek van moralisering-van-de-politiek zich het trauma van de Franse Revolutie te herinneren. Op de afschaffing van het absolutisme, de instelling van de democratie en de afkondiging van de mensenrechten volgde zoals bekend de Terreur. Haar gewelddadigheid was onlosmakelijk verbonden met een burgerschapsmoraal die de plicht tot Zuiverheid hoogst letterlijk nam. Zoals onder meer Georg Büchner in het theaterstuk Dantons dood trefzeker aantoont, mondde deze morele eis noodzakelijk uit in een permanent wederzijds wantrouwen. De citoyens speurden bij elkaar onophoudelijk naar tekens van een mogelijk ethisch tekort, van verborgen onzuivere gedachten en zondige bedoelingen. En de medeburger viel altijd te verdenken van immoraliteit. Men kon, zoals Saint-Juste zeer juist inzag, de mogelijkheid van onzuiverheid of zonde zozeer ernstig nemen dat ook de meest integer overkomende citoyen als een potentiële verrader werd beschouwd: 'Deze burger (deze politicus) lijkt wel totaal integer, maar de schijn bedriegt: feitelijk wil hij iets anders; feitelijk heeft hij onzuivere intenties, voert hij iets in z'n schild, en wacht hij alleen maar z'n kans af om de revolutie een doodssteek toe te brengen.’ Ik beweer hoegenaamd niet dat iedere moralisering van de politiek in blinde terreur eindigt. Maar de Terreur die volgde op de Franse Revolutie leert ons wel dat ’s mensen morele (on)zuiverheid nooit valt te bewijzen. Men kan ze alleen vermoeden, en vervolgens een bevestiging voor deze intuïties zoeken in versprekingen, als symptomatisch beschouwde kleine nalatigheden, enzovoort. Wetsovertredingen zijn daarentegen wel voor bewijsvoering vatbaar. Misschien heeft de (Belgische) politiek dan ook geen gebrek aan - nog meer - moralisme, maar integendeel aan dat formele legalisme dat de ontelbare tegenstanders van het beruchte Spaghetti-arrest zozeer laakten.