Het genot van de vinger in het oor

PETER TERRIN
DE BEWAKER
De Arbeiderspers, 220 blz., € 19,95

‘We are fragile creatures surrounded by a world of hostile facts. Facts threaten our happiness and security. The deeper we delve into the nature of things, the looser our structure may seem to become’, schrijft Don DeLillo in White Noise (1985). Hij gaat verder door uit te leggen dat familie de beste bescherming is tegen feiten, familie zorgt voor een eigen kader, een gedeelde manier om met elkaar naar de wereld te kijken, om de klap van harde, objectieve feiten te dempen.
De twee hoofdpersonen uit Peter Terrins nieuwe roman, De bewaker, doen precies dat: uit angst voor de buitenwereld houden ze stug vast aan hun onwetendheid. Samen vormen ze een minifamilie, en ze doen alles om hun universum te reduceren tot één plek die door strenge regels gecontroleerd kan worden. Ik-verteller Michel en Harry bewaken de ondergrondse parkeergarage van een luxueus appartementcomplex. De bewakers slapen bij toerbeurt, ze bakken brood, eten zwijgend. Niemand verlaat ook maar een moment de garage. Als de wekelijkse bevoorrading komt – een joviale jongen in een truck – houdt de één hem constant onder schot, terwijl de ander hem tot zwijgen maant. Elke dag wordt de munitievoorraad gecontroleerd, zo zeer dat de kartonnen doosjes bijna uit elkaar vallen.
‘We dragen ons uniform, netjes afgeborsteld, elke dag opnieuw, want de voorschriften zijn heilig, daar zijn Harry en ik het roerend over eens.’
De bevoorrading is het enige teken dat ‘de organisatie’ hen niet vergeten is, wat volgens Harry erop duidt dat de organisatie hen test. De twee bewakers dromen ervan om ooit toegelaten te worden tot de ‘elite’, de beste bewakers die op villa’s werken, in de zon. Het feit dat de ooit toegezegde derde bewaker niet komt, sterkt Harry en Michel alleen maar in hun overtuiging.
Waartegen ze de bewoners beschermen – terrorisme, burgeroorlog, nucleaire fall-out? – weten ze niet, en durven ze niet te vragen.
‘Ik tuur eerst met mijn linkeroog, dan met mijn rechteroog door de spleet aan de zijkant van de toegangspoort. Ik zie geen verschil. Rond de afgetekende, kale boomkruin is het stukje nachthemel steeds hetzelfde donker. Ik kan geen vage gloed onderscheiden, geen reflecties van brandhaarden in het wolkendek, geen kleurnuances.’
De angst wordt gevoed als op één na alle bewoners, met hun bedienden, het complex verlaten – met bagage, in voor hun doen ongewoon makkelijke kleding. Harry en Michel houden zichzelf voor dat het niets uitmaakt, dat ze hun taken moeten blijven uitvoeren zoals altijd, bovendien maakt één bewoner geen verschil met veertig bewoners – totdat de derde bewaker verschijnt, een versterking, maar nog wel meer een indringer in hun microkosmos.
De bewaker is een boek van een schrijver die alle touwtjes in handen heeft. In lucide, trefzekere zinnen maakt Terrin de paranoïde gedachtewereld van zijn bewakers steeds aannemelijker, en daagt de lezer uit diezelfde gedachten buiten de context van de roman te plaatsen. Want natuurlijk heeft De bewaker een sterk allegorische insteek: de angst van de bewakers die willen dat alles blijft zoals het is, de xenofobie als er een nieuweling in hun thuis komt: ‘Hij ademt dezelfde lucht als wij’, denkt Michel klagend.
Het probleem dat aan de kafkaëske setting van de roman kleeft, is dat de plot een erg voorspelbaar karakter krijgt. De theatrale premisse is origineel, maar de uitwerking uiteindelijk niet. In het eerste deel zet Terrin zijn personages zo strikt en rechtlijnig neer, ‘voorschriften zijn heilig’, dat hij in de volgende delen niet anders kan dan ze steeds grovere transgressies te laten begaan. En die verrassen zelden. Natuurlijk verlaten Michel en Harry de kelder en zoeken ze de appartementen op. Dat wist je na vijftien pagina’s al. Natuurlijk zegt Harry: ‘We hebben onze tijd uitgezeten’, alsof de versmelting van gevangene en bewaker nog niet duidelijk was. Dat is het enige wat ontbreekt: dat je nergens naar hoeft te zoeken. Vrijwel alles wat Terrin in zijn roman wilde stoppen ligt aan de oppervlakte.
Maar het is een grote stap voor de schrijver. De Vlaming schreef drie romans en twee verhalenbundels, werd genomineerd voor de BNG Literatuurprijs voor de roman Vrouwen en kinderen eerst (2004) en haalde de longlist van de AKO met Blanco (2003) en de verhalenbundel De bijeneters (2006) – volgens verschillende recensenten moet dit de roman zijn waarmee Terrin definitief doorbreekt. De vergelijking met Kafka en Plato’s grot is snel gemaakt, maar eerder nog doet De bewaker denken aan het werk van Paul Auster of juist Don DeLillo: de methode die zij geperfectioneerd hebben, gebruikt Terrin in zijn roman. Hij begint met een abstracte situatie en vult die steeds menselijker in. Dat maakt De bewaker literatuur, meer dan een gedachteoefening. Het allegorische karakter van de roman is dan wel onmiskenbaar, maar Terrin laat zijn personages nooit vervlakken. Daardoor is De bewaker uiteindelijk een geslaagd, gelaagd, goed boek. De bewakers blijven mensen, de onuitgesproken liefde tussen Michel en Harry verdwijnt nooit uit het oog – in een heel tedere scène knippen ze elkaars baard – en in de gedempte, donkere kelder ervaren ze geluid, smaak en licht elke keer weer als een waterval van gevoel, wat telkens haarfijn door Terrin wordt beschreven, met scherpe details. Michel die een vinger in zijn oor steekt en opkikkert van het primaire genot dat dat geeft: messcherp.