OPKOMST EN ONDERGANG VAN HET KERNGEZIN 

Het genotsfabriekje

Minister Rouvoet van Jeugd en Gezin betreurt de ondergang van het klassieke gezin met 1,7 kinderen, 1,3 betaalde baan en naar keuze een hond, kat of knaagdier. Maar zo lang heeft deze ideale familie niet bestaan.

‘WIL JE ECHT GRAAG met Erik naar bed?’ vraagt de marxistische communeleider Goran in Lukas Moodyssons film Together aan zijn partner Lena. Ja, dat wil de eigenzinnige Lena: ‘Hij ziet er zo droevig uit. Ik wil hem troosten.’
Lena geniet, anders dan de aanhankelijke Goran, uitbundig van de seksuele vrijheid die men elkaar ‘gunt’ in de commune Tillsammans (‘Samen’). En regels zijn regels, in een commune evengoed als in het ‘burgerlijke gezin’ waartegen de woongroep zich afzet. ‘Vooruit dan maar’, verzucht Goran, die niet anders kan omdat uitgerekend hij die uiterst vrijzinnige regels heeft voorgesteld. Althans, hij zou wel anders kunnen, maar hij is bang. Bang om zijn wil door te zetten, om zich bloot te geven en toe te geven dat zijn politieke overwegingen op de tweede plaats komen na zijn persoonlijke emoties. Bang ook om Lena kwijt te raken, om het opeens te moeten stellen zonder haar emotionele warmte, het gedeelde bed en de gedeelde toekomstverwachting die de noodzakelijke structuur aan zijn – eigenlijk allesbehalve revolutionaire – bestaan geven.
In dat oerburgerlijke ‘Vooruit dan maar’ ligt de hele tragedie van de moderne commune besloten. De film van Moodysson is briljant omdat hij zo veel van dergelijke momenten van herkenning bevat. Kijkers van alle leeftijden waardeerden Together vooral vanwege die herkenning, niet vanwege de potsierlijke kleding, haardracht en interieurs van de vroege jaren zeventig die de regisseur bijna wellustig in beeld brengt en die inderdaad op zichzelf al de moeite van een bioscoopgang waard waren. Moodysson schetst het leven in de ‘revolutionaire’ woongroep met evenveel liefde, ironie en relativering als waarmee wij het gezinsleven van onze broers en zussen, onze buren en onze vrienden beschouwen. Uit liefde, schaamte of bescheidenheid zeggen we hun zelden de waarheid. Maar intussen weten we precies hoe het bij hen zit: eigenlijk net als bij ons, zij het natuurlijk ook net weer een beetje anders.

Waardoor wordt nu dat gevoel van herkenning opgeroepen? Het meest door de leugen, die in Tillsammans even welig blijkt te tieren als in het ‘repressieve’ burgerlijke gezin waarmee de woongroep wil afrekenen. Volgens de ideologie waarop het communeleven van de jaren zeventig was gebaseerd deed het er niet toe of Lena het bed met een ander deelde, maar wij begrijpen instinctief dat Goran het verschrikkelijk vindt omdat hij van haar houdt. Goran echter pretendeert dat zijn weerzin niet meer is dan een overblijfsel van zijn prerevolutionaire bewustzijn, een stuiptrekking van de bourgeois in hem wiens leven nog altijd draait om economisch eigendom, politieke machtsverhoudingen en sociale reproductieplichten. Goran is niet alleen doodongelukkig dat Lena ‘vreemdgaat’, ook al mag dat in de commune niet zo genoemd worden. Hij is nog eens extra gekwetst omdat Erik een onversneden reactionair is die niets van Gorans wereldrevolutie wil weten. Ja, eigenlijk steekt dat hem nog het meest, zo maakt hij zichzelf wijs. Op die manier geeft hij zijn hoorntjes nog een beetje politieke stootkracht. Maar hij draagt hoorntjes en het doet pijn. Hij weet het, wij weten het. En doordat de hele woongroep het ondanks de ideologische oogkleppen óók weet, legt Moodysson genadeloos de hypocrisie bloot van een collectief dat koste wat het kost niet hypocriet wil zijn.
Het leven in Tillsammans dreigt voortdurend te worden verscheurd door de politieke bevliegingen en seksuele achterdocht van de leden, al gebeurt dat telkens net niet. De kinderen dreigen er voortdurend aan onderdoor te gaan, al rollen ze er uiteindelijk toch doorheen. De toekomstperspectieven van de bewoners worden ingeperkt of zelfs kapotgemaakt door de domme keuzes die ze willens en wetens maken, al vinden ze op den duur wel weer een nieuwe uitdaging. En juist daarom lijkt Tillsammans op het burgerlijke gezinsleven dat de meesten van ons leiden of ambiëren, dat wil zeggen: het leven van twee volwassenen met een min of meer ontwikkeld besef van saamhorigheid, gemiddeld 1,7 kinderen, 1,3 betaalde baan, een huis (al dan niet met tuintje) en naar keuze een hond, kat of knaagdier. Zelfs de problemen van de woongroep lijken – net als die van ons – voor even te verdwijnen bij een gezamenlijk partijtje voetbal of tijdens een genoeglijk moment in de huiskamer wanneer alles op zijn plaats valt en iedereen zijn aandeel levert aan de sfeer. Dan is Tillsammans even een ideaal ‘gezin’.
Je zou de parallel nog verder kunnen doortrekken. Veel communes die in de jaren zeventig werden opgericht zijn inmiddels uiteengevallen, maar dat geldt ook voor veel huwelijken of verlovingen die in de jaren zeventig werden gesloten. Is de onderliggende dynamiek van die ogenschijnlijk zo uiteenlopende samenlevingsvormen wellicht dezelfde? Tegelijk is het moderne gezin in veel opzichten vrijer en het moderne echtpaar veel gelijkwaardiger en onderhandelingsvaardiger geworden. Het communeleven en de achterliggende denkbeelden hebben kennelijk toch hun sporen nagelaten. De relatietherapieën van tegenwoordig bijvoorbeeld zijn grotendeels afgeleid van de onderhandelingsstrategieën en sensitivity-trainingen die destijds in de scene werden ontwikkeld door degenen die nu juist geen vaste relatie met alle beperkingen van dien wilden aangaan. Echtgenoten experimenteren ook meer met seks dan ooit tevoren en zoeken de grenzen van hun tolerantievermogen op, die niet zelden verder blijken te liggen dan die van Goran. Zijn de verschillen echt zo groot als werd beweerd door de ideologen van de seksuele bevrijding en de ‘ontmanteling’ van het burgerlijk gezin in de jaren zeventig? Of zoals vandaag wordt beweerd door de profeten van het gezinsleven die willen ‘afrekenen’ met de jaren zestig en terugkeren naar de verondersteld stabiele gezinsverhoudingen van de jaren vijftig?

De meeste helden van de ‘tegencultuur’ van de jaren zeventig kunnen we het niet meer vragen, want ze zijn niet meer onder ons. Het ideologische landschap is intussen razendsnel en grondig veranderd. Revolutionaire inzichten in de menselijke relaties verwacht je nu eerder van de genetica en de evolutionaire biologie. Of van de economie, zoals blijkt uit het succes van Freakonomics, een ‘onderzoek naar de verborgen kant van alles’ dat in 2005 werd gepubliceerd door de econoom Stephen Dubner in samenwerking met de journalist Steven Levitt. Daarin verklaart Dubner met behulp van de rationele keuzetheorie uit de economie allerlei verschijnselen die door de sociale wetenschappen onverklaard of zelfs onopgemerkt bleven. Beroemd is zijn hoofdstuk over de vraag waarom drugsdealers meestal bij hun moeder wonen. Antwoord: omdat ze veel minder geld verdienen dan iedereen denkt.
Ook voor het modale gezinsleven biedt de macro-economie verrassende inzichten. Economische basis en ideologische bovenbouw blijken aan de keukentafel vaak samen te komen, al is het niet op de wijze die communeleider Goran in navolging van Karl Marx voor ogen had. Het ontstaan van het kerngezin valt namelijk niet samen met het ontstaan van de eerste klassenmaatschappijen in de Oudheid, zoals Marx en Engels dachten. De kleine geografische en sociale eenheid bestaande uit een vader, een moeder en hun gezamenlijke kinderen is bij uitstek modern. Het kerngezin kan worden beschouwd als een productie-eenheid, ontstaan door aanpassing van de mens aan de voortschrijdende arbeidsdeling van de industriële economie. Het feit dat mannen gedurende de twintigste eeuw doorgaans broodwinners waren en vrouwen het huishouden deden en de kinderen opvoedden, behoeft in het geheel geen ingewikkelde feministische of evolutionair-biologische verklaring. Het is goed te verklaren met de theorie van het comparatieve voordeel: vrouwen zijn even goede broodwinners als mannen en betere opvoeders dan mannen, en omdat ze meer excelleren in het laatste hebben ze zich daarop toegelegd en niet op de broodwinning. Zo’n verklaring lijkt op het eerste gezicht oppervlakkig of zelfs onzinnig. Tot je ziet hoe elegant en ideologisch onbevangen de voorloper van Freakonomics, econoom Gary Becker, dit gegeven al in 1981 uitwerkte in A Treatise on the Family.
Becker beschouwt het kerngezin als een soort ‘minifabriek’ waar genot en winst worden gegenereerd. Die visie is reductionistisch, maar niet reductionistischer dan de freudiaanse, christelijke of marxistische visies op het gezinsleven die ons wellicht redelijker voorkomen omdat we er vertrouwder mee zijn, hoewel ze bij nader inzien vaak speculatief of ronduit achterhaald zijn. De kracht van Beckers model blijkt wanneer hij het stijgende aandeel van vrouwen op de moderne arbeidsmarkt, de forse toename van het aantal echtscheidingen sinds 1970 en de veranderende sekseverhoudingen in het Westen vrijwel geheel verklaart uit economische omstandigheden.
Ten eerste was daar de snelle ontwikkeling van huishoudelijke apparatuur in de loop van de twintigste eeuw, waardoor de arbeidsdeling in het gezin onevenwichtig werd en vrouwen niet langer aan huis gebonden waren. Vervolgens kwam de anticonceptiepil, die niet alleen een betere gezinsplanning mogelijk maakte, maar ook de seksualiteit loskoppelde van de voortplanting en het daarmee verbonden vraagstuk van de bestaanszekerheid van moeder en kind.
Ten tweede vond er in de economie een verschuiving plaats van handarbeid naar hoofdarbeid en van productie naar service en zorg. Zodoende werd buitenshuis werken voor steeds meer vrouwen een rationele keuze, en dat werd het aannemen van vrouwen voor werkgevers ook. Toen vrouwen eenmaal ontdekten dat ze productief en zelfstandig konden leven buiten het kerngezin verviel de belangrijkste economische functie van die eenheid. De daarop volgende ‘inhaalgolf’ van echtscheidingen was voor vrouwen tevens een waarschuwing dat een bestaan als huisvrouw – als ze daarvoor al kozen – niet langer de bestaanszekerheid bood die het vroeger gaf. Er ontstond een vicieuze cirkel. Doordat vrouwen konden kiezen voor een carrière werd echtscheiding mogelijk. En doordat echtscheiding een realiteit was, moesten vrouwen zich voortaan voorbereiden op een zelfstandige carrière.

Was Adam Smith geen verstokte vrijgezel geweest die bij zijn moeder inwoonde, dan had hij wellicht het gezinsleven en niet die roemruchte speldenfabriek als model voor zijn theorie over arbeidsdeling genomen. Maar dan had hij wel een ander gezinstype beschreven dan het kleine kostwinnersgezin zoals we dat in de afgelopen honderd jaar hebben leren kennen. Dat kerngezin is niet alleen een recent en kortstondig verschijnsel in de geschiedenis, het is zelfs in zijn hoogtijdagen minder dominant geweest dan tijdgenoten meenden en zeker minder dan de hedendaagse gezinsideologen ons willen doen geloven. Tegenwoordig leven er zelfs meer mensen in een kerngezin dan honderd jaar geleden. Tot het eind van de negentiende eeuw waren eenoudergezinnen, gezinnen met stiefvaders of -moeders, allerlei alternatieve opvoedingsarrangementen binnen de extended family en zelfs een kinderleven zonder biologische ouders heel gewoon.
Het zogenoemde samengestelde gezin is gedurende praktisch de hele geschreven (en vermoedelijk ook de ongeschreven) geschiedenis van de mensheid de norm geweest. En er is geen enkele reden waarom we niet zouden terugkeren naar de arrangementen van weleer, uiteraard vermengd met moderne elementen. Dat gebeurt dan ook en de tendens is wereldwijd. Zelfs repressieve regimes kunnen de ontwikkeling niet tegenhouden. Het aantal echtscheidingen in China is sinds de economische openstelling van het land in 1980 met zevenhonderd procent toegenomen. In Chili was echtscheiding tot 2005 verboden; sindsdien is het aantal huwelijken er gehalveerd. Ook in religieuze bastions als Italië en Ierland worden steeds meer buitenechtelijke kinderen geboren, terwijl de vrouwen er gemiddeld op steeds latere leeftijd trouwen en steeds vaker bewust kinderloos blijven. Dat wil niet zeggen dat er wereldwijd significant minder getrouwd wordt. Het betekent wel dat het huwelijk een andere functie heeft gekregen dan die van economische productie-eenheid.

Communeleider Goran had gelijk dat het traditionele gezinsleven failliet was, althans als norm voor het ‘goede leven’. Het is hooguit een keuze te midden van andere keuzes en niet per definitie de beste. In de film wordt dat geïllustreerd door Elisabeth, een vrouw met twee kinderen die haar toevlucht zoekt in Tillsammans om te ontsnappen aan haar drankzuchtige en gevoelsarme en gewelddadige echtgenoot. Moodysson wil daarmee zeggen dat althans sommigen in die tijd een goede reden hadden om de heersende norm in twijfel te trekken en te zoeken naar alternatieve samenlevingsvormen. Gorans commune mag dan geen paradijs zijn geweest, maar het burgerlijk huwelijk was ook geen feest van zelfontplooiing en geluk. Het wrange is nu dat Elisabeths zoontje er zeer onder lijdt dat zijn moeder intrekt in deze chaotische woongemeenschap. Haar vrijheid en veiligheid worden gekocht met de zijne. Daarentegen vindt haar dochtertje weer wel haar draai.
Zo wijst de ontwikkeling van de kinderen binnen de commune alweer vooruit naar een leven buiten de commune. Maar naar welke toekomstige samenlevingsvorm wijst de film vooruit? Verreweg de meeste communes uit de jaren zeventig zijn doodgebloed, sommige zijn met veel misbaar uiteengespat. Een minderheid is succesvol gebleken. De leden van zulke succesvolle communes hebben geleerd elkaars privé-sfeer te respecteren zonder de schaalvoordelen van het collectieve bestaan op te geven: gezamenlijke opvang van de kinderen, bijzondere aandacht voor bejaarde, zieke of zwakbegaafde medebewoners, en optimaal gebruik van de doorgaans unieke ruimten waarin communes gevestigd zijn. Welk kind wil niet een popconcert geven in zijn eigen huis of bij elk probleem beschikken over een ‘oom’ of ‘tante’ die het kan oplossen?
Daarentegen heeft het stadhuishuwelijk een sociale en morele opknapbeurt ondergaan waardoor het misschien toch levensvatbaar blijft. Nog altijd gaan de meeste samenwonende stellen vroeg of laat ofwel uit elkaar ofwel naar de ambtenaar van de burgerlijke stand om een trouwdatum af te spreken. Het huwelijk wordt nu ook openlijk door homoseksuelen geambieerd en het is onder de jongere generatie zelfs populairder dan het tientallen jaren lang geweest is. Maar dan hebben we het over een grondig vernieuwd instituut dat gehoorzaamt aan andere sociale wetmatigheden dan het oude kostwinnersgezin. Mannen verlangen van hun partner al lang niet meer in de eerste plaats huishoudelijke vaardigheden, maar intelligentie, creativiteit en een behoorlijke opleiding; vrouwen eisen niet langer in de eerste plaats van hun aanstaande dat hij een goede kostwinner is, maar letten erop of hij emotioneel volgroeid is, met kinderen kan omgaan en de relatie seksueel spannend houdt. Huwelijken zijn tegenwoordig ook stabieler naarmate de partners later met elkaar trouwen. En als vrouwen een baan nemen, bevordert dat de houdbaarheid van hun huwelijk in plaats van die aan te tasten zoals de consensus tot voor kort wilde.
Kortom, het gezin is een consumptieve eenheid geworden in plaats van een productieve. Een hedonistisch rustpunt in een bestaan dat door de moderne ‘flexibele’ productieverhoudingen almaar haastiger en gefragmenteerder wordt. Natuurlijk zijn er consumptieve uitersten die volstrekt niet levensvatbaar zijn. Het is vrij eenvoudig een karikatuur te schetsen van echtgenoten die allebei een slopende carrière hebben, hun wederzijdse ouders in een verzorgingstehuis en hun kinderen bij de kinderopvang opbergen en hun schaarse vrije uren besteden bij de psycholoog of psychiater in een vergeefse poging om zin te geven aan hun veel te gehaaste en emotioneel verarmde bestaan. Maar zij vormen een marginale groep.
Intussen werken de ‘zachte krachten’ van de economie in het voordeel van nieuwe, grotere samenlevingsverbanden die meer aansluiten bij de extended family van vroeger eeuwen, waarin drie of meer generaties samenleefden en samen werkten. De kosten van vergrijzing, gezondheidszorg en onderwijsuitval zullen alleen maar stijgen, zodat het betrekken van ouderen bij de kinderopvang en het aanvullend onderwijs voor de hand ligt. Het vinden van daarbij passende arrangementen en woonvormen vraagt tijd, maar als teken aan de wand is er de laatste jaren een stormachtige toename van woongroepen voor ouderen die schoon genoeg hebben van de institutionele bejaardenzorg en zelf de organisatie van hun oude dag ter hand nemen. Er zijn er nu al meer dan tweehonderd, verdeeld in uiteenlopende woonvormen voor Turken, Marokkanen, Chinezen en Indonesische Nederlanders, homoseksuelen, milieubeschermers of vegetariërs.
Een begaafde filmer zal weinig moeite hebben om een hedendaagse, grijsgekuifde ‘Goran’ te vinden wiens tragikomische bejaardenwoongroep onvermijdelijk op een mislukking afstevent, net als Tillsammans. Maar als je bedenkt hoe de meeste bejaarden vandaag in verzorgingstehuizen leven, vergaat het lachen je snel. Dan besef je dat zulke initiatieven die de schaalvoordelen en de kwaliteit van leven van de extended family in ere willen herstellen de moeite waard zijn. Dat het kerngezin waarschijnlijk slechts een doorgangsstadium van de mensheid was. En dat het samenleven in groter verband, ook al zal het niet de leugen uitbannen of het paradijs op aarde brengen, ongetwijfeld de toekomst heeft.