Enkele repeterende verhalen domineren het gesprek over het zelfbeeld van Nederland. ‘De koopman en de dominee’, natuurlijk. Denk aan de kritiek op een staatssecretaris die enkel een piepklein One Love-speldje draagt wanneer Oranje speelt in Qatar. ‘De kaasschaaf en de yoghurtschraper’, over de veronderstelde typische Nederlandse zuinigheid. En dan natuurlijk nog ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’, over de veronderstelde typische bescheidenheid. Zoals Andries Noppert, de nieuwe keeper van het Nederlands elftal.

Maar het zijn goed beschouwd bevroren beelden die al eeuwen meegaan – terwijl het land nu bij vlagen nogal oververhit lijkt. Met het instant-welbehagen dat clichés nu eenmaal bieden, zijn de koopman, dominee and all that jazz eerder deel van een probleem dan van een oplossing. Telkens zeggen populisten dat ons land naar de knoppen gaat door nieuwkomers. En de bestuurlijke zelfgenoegzaamheid gutst bij vlagen over de boeg, denk aan de toeslagenaffaire of het racisme bij Buitenlandse Zaken. In antwoord daarop terugzwaaien met een yoghurtschraper, doet niks aan de dagdromen over bestorming van het parlement en etnische zuivering, noch aan ambtelijke zelfreflectie. Het is daarom misschien een goed moment ons zelfbeeld bij te stellen aan de hand van feiten. Een mooi vertrekpunt kan het einde van de verzuiling zijn. Die verzuiling was niet helemaal exclusief Nederlands, maar zoveel andere landen die ooit een vergelijkbaar verkokerd maatschappelijk leven hadden zijn er ook weer niet.

Vermoedelijk is het verhaal op grote lijnen wel degelijk bekend. Nederland propte zichzelf in de decennia na 1960 in de kookwas van secularisering en individualisering. We namen in extreem hoog tempo afscheid van sturende kaders als kerk of socialisme en het verenigingsleven dat daaromheen georganiseerd was. Ondertussen zette de staat ons ook meer en meer op afstand, onder het motto dat het tijd werd zelf verantwoordelijkheid te dragen. En passant begonnen we de eerste immigratiegolven te organiseren. Belangrijk om aan te tekenen: die verandering overkwam ons niet, maar was het gevolg van keuzes die we zelf maakten.

Het leverde binnen de kortste keren een volkomen andere samenleving op. En over het resultaat, Nederland anno 2022, overheerst op dit moment grote ontevredenheid. De klachten die op grote lijnen uit de media zijn op te tekenen: er is te veel sociaal-economische ongelijkheid, er zijn te veel culturele verschillen tussen de mensen, we hebben foute bestuurders en luie kiezers, de omgeving is verwaarloosd. Ondertoon van die klachten is een uitgesproken verlangen naar het geordende land van ooit, met mensen die elkaar allemaal herkennen en groeten, waar iedereen hetzelfde eet, verdient en gelooft, en als het even kan ook dezelfde kleren draagt. Nostalgie zet bij het zoeken naar ons zelfbeeld de toon. Alsof het na de kookwas tijd is om de kreukels plat te strijken.

Het is belangrijk die nostalgie te begrijpen. Wie nu ontkent dat er iets verloren is gegaan, te midden van de grote mondiale en nationale ongelijkheid, de klimaatcrisis en de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, de oorlogen die ons omringen en de regelmatig overkokende etnische conflicten – die heeft geen hart of geen hoofd. Verlies is een vanzelfsprekend onderdeel van ons gesprek geworden. Als het niet eigen inkomen, status of buurtgevoel is, dan de zorg om kleinkinderen die de Noordpool alleen nog van YouTube zullen kennen. De naïviteit dat morgen altijd alles beter wordt, zijn we allang kwijt.

Maar het is ook zaak die nostalgie niet te reproduceren. Niet omdat volgens Simone Signoret ‘nostalgie ook niet meer is wat deze ooit was’. Maar omdat je er niet het verhaal op kunt bouwen dat iets van toch ook de kenmerkende vooruitstrevendheid van Nederland overeind houdt. Mede op basis van het onlangs verschenen boek Macht der gewoonte, geschreven met Jan Willem Duyvendak, sta ik hieronder daarom stil bij enige pogingen om de kreukels glad te strijken.

De eerste strijkpoging gaat over pogingen polarisatie te bestrijden. De veelgehoorde redenering is hier dat er met name door immigratie te grote culturele verschillen tussen de inwoners van Nederland zijn ontstaan. De sluimerende veronderstelling daarbij is dat we vroeger onderling nooit meningsverschillen hadden.

De tweede strijkpoging bepleit dat beter naar het volk geluisterd moet worden. Daar is de ook nogal populaire redenering dat niet zozeer sprake is van veel grote verschillen maar dat er eigenlijk maar één onterecht verschil is, namelijk tussen elite en volk. Ook hier sluimert de veronderstelling dat er een moment in de tijd was dat deze verhoudingen aanmerkelijk beter waren. Daar zit iets in, maar die tijd keert nooit meer terug.

Ten slotte is er een derde poging onze kreukels aan te vatten, door ons op de borst te kloppen over de beroemde Nederlandse verdraagzaamheid. Dan is de redenering dat het niet uitmaakt dat we verkreukeld uit de modernisering zijn gekomen, omdat juist wij, met onze tolerantie, goed met verrassingen overweg kunnen. Ook hier heeft het verleden een wat rooskleurig karakter. Toch is dat de enige weg die redelijk lijkt.

Doen alsof het tijdens de verzuiling (of daarvoor) koek en ei was, is op z’n best wegkijken

Neem ten eerste onze veronderstelde verdeeldheid, de oplopende polarisatie waar veel over gesproken wordt, met het dreigende uiteenvallen van het land als gevaar aan de horizon. Wie de kranten leest weet dat de spanningen tastbaar zijn, tussen mensen met een Bataafse stamboom en nieuwkomers, maar ook tussen jong en oud, arm en rijk, grachtengordel en ruilverkaveling. Wat daarbij echter zelden vermeld wordt is dat de hierboven genoemde kookbeurt Nederland behoorlijk egaal van opvattingen maakte.

De maatschappelijke overeenstemming over het oplossen van kwesties van leven en dood en lief en leed is oneindig veel groter dan ‘vroeger’, zeg dertig of zestig jaar geleden. Het was tot voor kort ondenkbaar dat het cda het kweken van embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden überhaupt zou bespreken. Inmiddels is het denkbaar dat de partij deze verlichte praktijk gaat verdedigen. Verzet komt alleen nog van klein rechts.

In de zuilen leefden en voetbalden socialisten, christenen en liberalen volkomen langs elkaar heen, met wederzijdse minachting als houding en hier en daar een kloppartij om de sleur te breken. Nu lijken Nederlanders alleen al collectief verbonden door hun gedeelde verliefdheid op publiek kabaal rond immigratie, asiel, religie en integratie. De politiek keert dus telkens terug bij het idee dat het land binnenkort door culturele verschillen uit elkaar valt. In boze en blije burgers, in kosmopolieten en regionalen, in Europeanen en Nexiteers of gewoon in achttien miljoen eilandjes.

Maar dat is raar. Alsof we niet met z’n allen de kerk hebben verlaten. Alsof niet nagenoeg iedereen meedoet aan de Tweede-Kamerverkiezingen. Alsof we niet in overdonderende meerderheden abortus en (ook) het Nederlands elftal steunen. Alsof immigrantenkinderen niet actief doorzonnen in Almere en omstreken. Alsof niet enorme groepen mensen gek zijn op vrijwilligerswerk, alsof het hoger onderwijs niet uitpuilt van mensen die hogerop willen. Alsof we nu niet allemaal expliciet het ideaal van gelijkheid koesteren.

Hoe dan ook blijft van de waarneming van Simon Carmiggelt uit 1963 dat we ‘rustige mensen, geen praters, geen zangers, geen dansers’ zijn weinig meer over. Wat misschien ook wel weer winst is. Nederland in moreel opzicht is tegenwoordig goed beschouwd eerder een eenstemmige, soms ietwat luidruchtige liberale kudde dan een zandverstuiving individualisten.

Een tweede manier om Nederland na de kookwas te lijf te gaan, is veronderstellen dat beter naar het volk geluisterd moet worden. Dat is het ticket naar de talkshows, claimen dat de zorgen van het volk niet besproken mogen worden in dit linkse land. Alleen de grachtengordel zou volgens deze redenering van de jaren zestig en zeventig geprofiteerd hebben: de rest van Nederland is in de afgelopen decennia veranderd in flyover country, de Amerikaanse term voor het gebied dat bestuurders alleen vanuit het vliegtuig zouden kennen. Het is in Nederland zowel van veraf bekeken als van dichtbij een rare figuur, waarbij hardnekkig geprobeerd wordt cultuurconflicten uit de Angelsaksische wereld te verkazen.

Het is verdedigbaar dat de elite ten tijde van de verzuiling meer begaan was met de doorsnee Nederlander, dat er inderdaad iets verloren is gegaan in het contact tussen volksvertegenwoordigers en kiezers omdat men elkaar vroeger vaker sprak in de zuil. Maar in een land met zo’n omvangrijke middenklasse als Nederland is het inmiddels lastig greep krijgen op de groep die je in contrast met de elite als ‘volk’ wil definiëren. Dat is alleen ogenschijnlijk in tegenspraak met de juist beschreven toegenomen uniformiteit onder de Nederlanders. De strekking daarvan is immers dat we veel meer normen delen dan we ten tijde van de verzuiling deden, niet dat sociale categorieën opgehouden hebben te bestaan.

We delen veel meer normen dan we ten tijde van de verzuiling deden

Als het om kwetsbare groepen gaat – inwoners met ‘energiearmoede’ of mensen die afhankelijk zijn van flexwerk – valt vooral op dat die nogal cultureel divers zijn. Ook in het midden zijn er flink wat migrantenkinderen die studeren, samenwonen en andere middenklasse-dingen doen. Als we cultuur en inkomen buiten beschouwing laten en zeggen dat het om de tegenstelling tussen inwoners van stad en platteland gaat, dan valt op dat die elkaar nu wel kunnen verstaan en vinden. Een jaar of vijftig geleden sprak men enkel dialect en rukte zelden massaal naar Den Haag op om daar te protesteren, laat staan naar Amsterdam om daar te shoppen.

Dus wat is het nou, het volk waar naar geluisterd moet? Afgaande op publieke uitlatingen over de elite die dat volk in de steek liet, slaan de zorgen zelden op mensen met een laag inkomen, maar vooral op witte mensen. Weliswaar stemmen verreweg de meeste Nederlanders niet op Thierry Baudet, lezen ze geen Wierd Duk, kijken ze niet naar Johan Derksen en zijn ook die mannen ‘het volk’ dus niet. Wel drijft het geluid uit die kringen de Nederlandse politiek bij vlagen naar rechts.

Wat ook iets merkwaardigs heeft, want zoals het verzuilde Nederland niet links was, is hedendaags Nederland dat ook niet. Dat is alleen vol te houden voor wie weigert te kijken naar de verkiezingsuitslagen van de afgelopen honderd jaar. De vvd staat al decennia nagenoeg onafgebroken mede aan het roer van het land. Dat de onderkant van het midden niet van de economische groei profiteerde, dat zorgen van lager opgeleiden niet genoeg tot uitdrukking komen in het beleid, zouden mensen die voor het volk opkomen eerder aan rechts moeten wijten.

Wat de kookwas ons bracht, is dat behoudende partijen tegenwoordig progressief-liberale waarden omhelzen. Met de recente heiligverklaring van het homohuwelijk als laatste lakmoesproef voor de ware conservatief, overigens niet in de laatste plaats om het contrast met moslims aan te zetten. Mogelijk is daarom de kreukel die Nederland na die kookwas opliep niet dat de elite het volk negeert, maar dat verkiezingsresultaten achter het gedeelde ideaal van gelijkheid aan struikelen, met af en toe een flinke culturele ruk aan het stuur naar nationalisme. Een rare plooi, die vermoedelijk niet eenvoudig weg te strijken is.

Daarmee komt de derde manier van omgaan met de kreukels van na de verzuiling in beeld, namelijk ermee leren leven. Kies er zelf het woord voor, want dat recht van kiezen hebben we de afgelopen decennia verdiend: het kan iets als verdraagzaamheid, tolerantie of uithoudingsvermogen zijn. Het is een veelbelovende route, misschien wel de enige. Er is alleen wel werk aan de winkel.

Nederlanders leren op school al om er trots op te zijn, de tolerantie die terug reikt tot Spinoza en alle geleerden die hier een veilige haven kregen om hun verlichte ideeën op te schrijven. Maar onze koloniale geschiedenis levert forse ruis op, zoals de Nederlander als slavenhandelaar, onderdrukker, racist. Daar hebben we nog lang niet mee afgerekend. Het was tekenend dat de Nederlandse regering zich de laatste weken overvallen voelde door de ergernis van Suriname over het plan excuses aan te bieden voor het Nederlandse verleden. Klaarblijkelijk had niemand in Den Haag verzonnen even te polsen wat men in Paramaribo dacht. Geen incident in een land waar Anne Frank ook een commercieel product is.

Bovendien valt het probleem niet terug te brengen tot het gedrag en de opvattingen van de regering of van nationalisten. Het verlangen om mensen te beoordelen op een enkele karakteristiek is onder progressieven minstens zo sterk als bij Team Wilders. Witheid tot verdacht kenmerk verklaren is een tragische reactie onder antikoloniale bewegingen. Net als de antikapitalisten die menen dat genderactivisten of andere minderheden hun mond moeten houden omdat dit afleidt van ‘de revolutie’. Dat nu meer groepen dan ooit meedoen in het publieke debat is vooruitgang. Dat dit zou betekenen dat sommigen moeten zwijgen is onverdraagzaam zero-sum-denken.

Ten slotte moeten we bescheiden zijn over de mate waarin we de verdraagzaamheid in dat verkreukelde landje kunnen vergroten. Het onderwijs werkt – met de beste bedoelingen – flink mee aan die hierboven genoemde kuddegeest, waar we dus maar half gelukkig over zijn. Denk aan alle gedeelde eisen aan taal, rekenen, geschiedenis en burgerschap waaraan leerlingen moeten voldoen. Ergens gaat het uitdragen van democratie over in intolerante staatsopvoeding, al weten we niet spontaan waar. Ook het strafrecht – de vervolging van Wilders voor diens ‘minder, minder’-uitspraken – heeft tot nu toe vooral verlegenheid opgeleverd. Er zijn immers heus meer politici met rare uitspraken achter hun naam, en ondertussen kreeg Wilders een podium dat hij goed wist te gebruiken.

‘Wat is jullie land?’ ‘Eigenlijk vooral een kreukelzone.’ Echt sexy is zo’n zelfbeeld niet. Maar gezien de bestaande metaforen over de koopman et cetera was aantrekkelijkheid nooit een vereiste. Nederland als kreukelzone is in ieder geval feitelijker: het land vangt inderdaad flink wat klappen op. Natuurlijk van al die mensen die zich van dominee, paus en vakbondsbaas niets meer aantrekken. Van hen die uit Noord-Afrika of het Midden-Oosten naar hier trokken voor een beter bestaan. Maar toch ook vooral van de aandeelhouders van Shell die telkens weer denken: nog één couponnetje, van de pensioenfondsen en andere institutionele beleggers die namens ons allen toch nog maar even een kolencentrale bij bouwen. En van de rijksambtenaren die veronderstellen dat fouten iets voor een mindere mensensoort zijn. Hoe dan ook is Nederland bepaald niet een grensland als Oekraïne, waar jaar in jaar uit de wereldconflicten doorheen razen.

Voor zo’n zelfbeeld dat wel past, hebben we te veel om uit te putten om daarbij niet ook door melancholie overvallen te worden: de idealen van de jaren vijftig die de opbouw van de verzorgingsstaat dicteerden (‘harder werken’), de idealen van de jaren zestig die de kritiek op die groeiende consumptiemaatschappij inspireerden (‘minder werken’), de egalitaire jaren zeventig (‘werken zonder baas’) of de dynamische jaren negentig (‘iedereen aan het werk’). Waarom hebben we het niet beter gedaan? Over die verlieservaring vallen twee dingen te zeggen. Progressieven, conservatieven en nationalisten delen de nostalgie. Maar dat gekreukelde gevoel valt met geen kaasschaaf te verwijderen. Wat Nederland ook is, we hebben het er met z’n allen naar gemaakt.

Doen alsof het tijdens de verzuiling (of daarvoor) koek en ei was, is op z’n best wegkijken. Op z’n slechtst een manier om nog maar eens de lof van blank Holland te zingen. Het reikt geen agenda aan om instituties te vernieuwen. Het draagt niet bij aan gedeeld voorstellingsvermogen voor de nabije toekomst. De greep terug naar toen Jan Terlouw nog aan touwtjes in de brievenbus kon trekken – wie heeft er wat aan? Heel veel is gelukt. Natuurlijk, ook het gevecht tegen het water, maar toch zeker ook een alles bij elkaar tamelijk spectaculaire emancipatie van uiteenlopende achterstandsgroepen.

Om te compenseren voor de bij vlagen ondraaglijk zware termen waarin we vaak over de teloorgang van het land spreken, daarom ten slotte een biologische waarneming. Onlangs is de wolf weer geïntroduceerd op de Veluwe. We spraken over die nieuwkomer in termen van romantiek (‘ruig, verrassend, productief voor de natuur’) of horror (‘jager, moordenaar’). Maar volgens nieuwsberichten komt hij tegenwoordig de bossages uit, om te worden aangehaald door voorbijgangers. In plaats van de kudde bedreigen gaat die nieuwkomer de hond uithangen – wat leert ons dat?