Opheffer

Het geschenk

Een man ontmoet een vrouw in het park. «Hoi», zegt de vrouw per ongeluk. «Hoi… Alles goed?»

«Wat moet ik nou zeggen… ja of nee… wat denk je…»

«Je ziet er goed uit.»

«Jij ook… Het gaat… ja, het gaat…»

«Mooi.»

«Het gaat eigenlijk helemaal niet… en jij weet waarom… maar daar wil ik het niet over hebben…»

«Oké… Maar ik kon niet bellen, en dat weet je…»

«Dat weet ik niet. Ik neem aan dat je bedoelt dat je geen mobiele telefoon hebt, geen gewone telefoon, geen telefoon in de buurt waar je was…»

«De moord op Theo…»

«De moord op Theo… dat is makkelijk… de moord op Theo… Het grote excuus… De moord op Theo! De moord op Theo! Je weet dat je dan alle andere argumenten uit handen slaat. De moord op Theo. Wie kan er op tegen de moord op Theo. Wat kan er op tegen de moord op Theo…»

«Ik begrijp best dat je kwaad bent, maar…»

«Maar… maar wat?»

«Het was wel een echte moord, een ingrijpende gebeurtenis…»

«Tuurlijk… ik zag elke dag op de televisie hoe je ingreep in deze ingrijpende gebeurtenis… de levende rouwkaart…»

«Ik snap dat je denkt dat ik je verwaarloosd heb.»

«Deze formuleringen… daar ben je altijd sterk in geweest… die formuleringen met een slag om de arm… ik snap dat je denkt dat ik je verwaarloosd heb… Ik snap dat je denkt dat je het vermoeden hebt dat ik je mogelijkerwijs misschien eventueel op een bepaald moment in een onbewaakt ogenblik enigszins verwaarloosd heb… God, wat ken ik je goed…»

«Ik hield niet van je…»

«Nee… dat had je net zo goed rechtstreeks kunnen zeggen…»

«Ik hou van niemand…»

«Dooddoener… zo heet ze…»

«Wat bedoel je nou weer…»

«Degeen van wie jij werkelijk houdt, heet Dooddoener… Ik denk dat ze een truttige voornaam heeft… Mien of zo… Toos. Toos Dooddoener… Truus Dooddoener…»

«Zullen we koffie drinken.»

Na een zwijgende wandeling van enkele honderden meters zitten ze in het koffiehuis. Hij begint weer met praten.

«Waarom ben je eigenlijk zo kwaad… Er is niks tussen ons geweest…»

«Omdat je te laf was voor seks beweer je maar dat er niks is geweest.»

«Wat was er dan… tussen ons.»

«In ieder geval de afwezigheid van seks… ik denk dat je me daarmee nog het meest heb gekwetst… Verder deed je voorkomen alsof…»

«Alsof wat…»

«Ik ga het niet zeggen, want ik weet al wat jij gaat antwoorden… Maar laat ik moedig zijn… ik wilde zeggen… jij deed het voorkomen alsof ik iets voor je betekende… en dan ga jij antwoorden…»

«Ik zeg niets… zeg jij het maar…»

«Dan ga jij zeggen: o, zo heb ik dat niet gezien, of: dat is helemaal jouw interpretatie… of: dat was dan echt een misverstand…»

«Ik hou van niemand…»

«Toos Dooddoener… daar neuk je wel mee, denk ik…»

«In ieder geval kwam die moord, en…»

«Ja… ja… ik heb dat ook vaak gedacht… en toen werd jij vermoord… Iedere keer dat ik hoorde ‹Theo is vermoord› dacht ik: jij bent vermoord… ik heb je nog nooit zo goed gemutst gezien als in die tijd… Je genoot van de dood van Theo… ik heb helaas nooit gezien hoe je klaarkomt, maar ik denk dat je dan hetzelfde gezicht trekt als wanneer je voor de televisie zegt: ‹Ik ben woedend›…»

«Ik heb een vriendin…»

«Nou en? Ik heb een man…»

«Waar heb ik je pijn gedaan…»

«Door dood te gaan, zou ik zeggen… Je was vroeger heel leuk, weet je dat. Je had je streken, maar daar kon ik wel doorheen kijken… Maar tegenwoordig ben je dood… daarmee heb je mij pijn gedaan…»

«Die moord heeft mijn leven veranderd…»

«Zeker… je deed me erg denken aan vroeger als je naar een andere klas ging. In de vakantie dacht je: ik ga nu alles anders doen, me anders kleden, anders praten… ik ben een heel nieuw iemand… Daar deed jij me aan denken.»

«Dat is niet juist… Wat neem je me toch kwalijk… Jij had toch ook kunnen bellen…»

«Wie had ik dan aan de telefoon gekregen… Je vriendin, die dochter van je, je hond, je ex, je andere ex, of jou met de mededeling: sorry, ik heb geen tijd, mijn vriend is vermoord. Theo is dood…»

«Kan ik het goedmaken?»

«Nee.»

«Wil je me nog eens zien?»

«Nee.»

«Dus dit was het.»

«Ja.»

«Jammer.»

«Ja, jammer.»

«Waarom praat je dan nog met me.»

«Dat weet ik zelf niet… omdat ik wist dat je een zak was, omdat ik weet dat je een zak bent, omdat ik weet dat je altijd een zak zult blijven, en omdat ik het toch niet kan geloven, en ik er weer zou intrappen… Daarom denk ik.»

«Oké, dan verdwijn ik maar…»

«Lafaard… Nee, niet beginnen te discus siëren… gewoon aanvaarden dat ik dit zeg: lafaard… Gewoon aannemen als een geschenk… Niet boos worden… gewoon accepteren… Het is mijn geschenk aan jou… Lafaard… Ontzettende lafaard!»