Mulisch’ boekenweekgeschenk

Het geschenk, de recensie en de raadsels

Dit jaar schreef Mulisch het boekenweekgeschenk, geïnspireerd op het geval-Croiset. Een verhaal over het raadselachtige tussengebied waartoe alleen de goddelijk geïnspireerde schrijver toegang heeft.

I — Hoe zat het ook alweer met dat paard en die bek? Het is natuurlijk geen geld: als je ƒ24,50 aan boeken aanschaft, krijg je er een mooi gebonden kleinood bij waarin niemand minder dan Harry Mulisch in een kleine tachtig pagina’s zijn wereldbeeld ontvouwt. Zoals we van hem gewend zijn sinds De aanslag is dat een heel comfortabel wereldbeeld: alles is ergens goed voor en uiteindelijk zien we elkaar terug in het hiernamaals. Katholiek, kitscherig of kinderlijk? Alle drie de k’s zijn wel enigszins van toepassing op Mulisch’ werk.

 

Het ingewikkelde van dit nieuwe werkje is dat de relatie met de werkelijkheid er nu wel erg dik bovenop ligt. Want voor een ieder die dertien jaar geleden al kon bogen op het bezit van enige verstandelijke vermogens, staat het beeld in het geheugen gegrift: de uitzinnig schreeuwende acteur Jules Croiset die het liefst meteen een tot dan toe volslagen onbekende regisseur standrechtelijk zou willen executeren, wegens het ten tonele willen brengen van Rainer Werner Fassbinders Het vuil, de stad en de dood dat antisemitisch zou zijn of zou oproepen tot jodenhaat. Waar de anti-kernenergielobby begin jaren tachtig het bij natte dromen liet over een heuse kernramp in Nederland, durfde Croiset het lot een handje te helpen en het antisemitische monster een gezicht te geven. Dat het al snel zijn eigen gezicht bleek te zijn, vervulde mij voornamelijk met intens medelijden. Wat bezielde hem om zo door het stof te gaan? Wat Mulisch heeft bezield om zo dichtbij een historisch gebeuren te blijven, lijkt nogal wiedes. Dit is een groteske in zijn meest pure vorm, niet door fictie te overtreffen. Waarop Mulisch het niet kan laten de handschoen op te pakken. Om de banale feiten des levens van diepere zingeving te voorzien, schmiert hij erop los met behulp van antieke schriftgeleerden en andere goden in een uiteindelijk tranentrekkend verhaaltje. Aangezien de banale werkelijkheid in dit geval echter zo nabij blijft, had ik in plaats van getrakteerd te worden op al die zweverige wijsheden geloof ik liever geweten hoe het écht zat. Gelukkig staat in de verantwoording dat Croiset zelf ook iets heeft geschreven over dit drama, Met stomheid geslagen (1989). Misschien iets om alsnog in de boekenweek aan te schaffen.


II — Het theater, de brief en de waarheid, het mooi uitgegeven boekenweekgeschenk van de hand van Harry Mulisch, heeft als ondertitel Een tegenspraak. Ik wist niet dat het werkwoord tegenspreken op deze manier verzelfstandigd kon worden, maar gezien het feit dat het verhaal in feite bestaat uit twee toespraken die elkaar tegenspreken, is het een vondst. Maar ook lijkt het de enig juiste benaming voor wat Mulisch hier doet met een recent historisch feit. Tégen de communis opinio in, zij het zonder het gebeurde helemaal letterlijk weer te geven, schetst hij de omstandigheden waaronder een groot persoonlijk drama kon plaatsvinden. Let wel: verzachtende omstandigheden.

 

In 1987 ageerde de acteur Jules Croiset tegen de voorgenomen opvoering van het omstreden toneelstuk van de Duitse schrijver/filmer Fassbinder, Het vuil, de stad en de dood. Achteraf gezien omdat hij bang was dat mensen het gevaar van de opleving van het antisemitisme, waarvan hij het opvoeren van het toneelstuk een uitingsvorm vond, zouden onderschatten, schreef hij dreigbrieven aan zichzelf, zijn familieleden en vrienden. Om die nog eens kracht bij te zetten, ensceneerde hij zijn eigen ontvoering en mishandeling. Het werk van een overspannen man, zo is deze tragedie de geschiedenis ingegaan.

 

Mulisch geeft in zijn novelle een onverwacht mooie, troostende en misschien zelfs wel romantische verklaring van het gebeurde. Of liever gezegd: hij speelt een literair spel met een gebeurtenis die erg veel overeenkomsten vertoont met de Croiset-affaire, en geeft daarmee Croiset en zijn vrouw met terugwerkende kracht een poëtische steun in de rug die er mag wezen.

 

In het eerste deel van het boek doet een schrijver, Felix genaamd, verslag van de crematie van ene Magda, de vrouw van Herbert die korte tijd daarvoor in opspraak is geraakt wegens een zogenaamde dreigbrief en een dito ontvoering. In zijn afscheidsrede openbaart Herbert de ware toedracht van de brief en de ontvoering. Het komt erop neer dat hij zijn vrouw wilde redden, en daarom de ontvoering op touw zette.

 

In een kort ‘tussenspel’ bediscussiëren Felix en Vera, collega-schrijfster die ook de crematieplechtigheid bijwoont, de mogelijkheden om iets te ‘doen’ met dit gegeven. Het is immers ‘theater van de bovenste plank’ dat ze hebben meegemaakt.

 

Volgt deel II. Hierin beschrijft Vera de begrafenis van Herbert, waarbij diens weduwe Magda een uitgebreide afscheidsrede houdt. Wederom wordt de ware toedracht van de brief en de ontvoering onthuld. Het komt erop neer dat zij haar man wilde redden, en daarom de dreigbrief schreef. Schuifelend naast Felix in de stoet achter de kist, vraagt Vera zich hardop af of het wel waar is, wat Magda vertelde. ‘Het is mij allemaal een raadsel,’ verzucht ze. Waarop Felix antwoordt: ‘Als het over mensen gaat, blijft er altijd een raadselachtige rest.’ En daarop volgt een uitspraak van Vera die de crux van deze novelle bevat, die ik hier niet zomaar zal weggeven, maar die even, páng, postvat in het hart.

 

Mulisch heeft met deze novelle een literair kleinood geschreven dat alles is en doet wat van een dergelijk kleinood verwacht mag worden. Het is een verhaal over de mogelijkheden en de beperkingen van schrijven. Over de werkelijkheid en versies daarvan. Het lijkt iets op te helderen, maar doet dat uiteindelijk niet. Wat ook de wáre toedracht moge zijn geweest, zo mooi als Mulisch die hier voorstelt, innerlijk tegenstrijdig en wel, kan die nooit zijn.


VERANTWOORDING — Het verleidelijke van Mulisch’ schrijven, zo ook weer in dit boekenweekgeschenk, is dat hij de oplossing van het wereldraadsel naderbij lijkt te brengen. Het onvoorstelbare maakt hij even voorstelbaar en het onbegrijpelijke geeft hij de schijn van begrijpelijkheid. In heel zijn pseudo-exacte, jongensboekachtige aanpak, bericht Mulisch van het raadselachtige tussengebied waartoe alleen de goddelijk geïnspireerde schrijver toegang heeft.

 

Dat er iets blijft knagen in dit Croiset-verhaal, past daar ook wel bij. Omdat er zo onomwonden een grote feitelijkheid aan het gegeven ten grondslag ligt, irriteert de ‘tegenspraak’ ook een beetje. Want nee, ze rijmen niet met elkaar, de beide delen. Soms kan de waarheid echter het dichtst worden genaderd met een ongerijmdheid. Waarvan akte.


Harry Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid. Een tegenspraak. CPNB, boekenweekgeschenk