Het geschieddronken bewustzijn

Botho Strauss, Wonen schemeren liegen. Vertaling Nelleke van Maaren, uitgeverij De Arbeiderspers, 198 blz., 334,90
HET IS NIET goed mogelijk om bij een nieuw boek van Botho Strauss niet onmiddellijk aan zijn in 1993 in Der Spiegel gepubliceerde essay ‘Anschwellender Bocksgesang’ te denken. Hoewel er in Nederland nauwelijks op Strauss’ bokkezang is gereageerd (De Revisor publiceerde er vorig jaar een nummer over), was het vaak duistere, maar misschien juist daardoor wel als provocatief ervaren stuk in Duitsland inzet van… nee, niet zozeer van een discussie over wat Strauss in dat stuk naar voren bracht en dat zich (zij het zeer onvolledig) laat samenvatten als zijn wending naar rechts, maar van iets wat nog het meest leek op een excommunicatie.

Dat laatste heeft enerzijds waarschijnlijk te maken met het gegeven dat de bokkezang van Strauss een in hoge mate literair essay was dat verscheen in een weekblad dat gewoonlijk met handwoorden en slagzinnen de aandacht op zich vestigt. Strauss’ essay was alleen al door die context gedoemd gereduceerd te worden tot enkel en alleen een reactionair pamflet. Maar dat Strauss in 1994 toestemming gaf zijn essay nogmaals af te drukken in Die selbstbewusste Nation, een essaybundel over het nieuwe Duitsland na de Wende waarin een aantal interessante maar tevens ook een aantal werkelijk reactionaire beschouwingen te vinden waren, heeft waarschijnlijk ook bijgedragen aan de heftigheid waarmee Strauss door links in de ban werd gedaan. Strauss’ bokkezang werd in Die selbstbewusste Nation als het ware tot de basistekst van een nieuw-rechtse beweging in Duitsland verklaard.
Dat het essay zo eigenlijk niet geïnterpreteerd moet worden, zal een ieder die het met overleg leest en die zich door de duistere passages niet onmiddellijk van de wijs laat brengen, wel kunnen onderschrijven denk ik. Maar dat het zich zo zou láten lezen, had Botho Strauss natuurlijk kunnen weten. Het schemergebied tussen literatuur en politiek, tussen reflectie en handelen, het gebied dat Strauss in zijn essay betreedt, wordt in het alledaagse leven nu eenmaal altijd vertaald in of het een of het ander. Zijn bokkezang zou, als hij hem in zijn boeken had opgenomen, waarschijnlijk probleemloos en volledig tot alleen maar de ‘literatuur’ zijn gerekend en zo onschadelijk gemaakt zijn - literatuur is in ons tijdsgewricht immers slechts onschuldig vermaak geworden. Nu gebeurde het omgekeerde: de zang werd alleen maar politiek.
MISSCHIEN dat Strauss daarom hetgeen hij in zijn bokkezang verwoordde nog eens, maar nu op een expliciet literaire manier aan de orde stelt in zijn oorspronkelijk in 1994 en juist in vertaling verschenen boek Wonen schemeren liegen. Het lijkt er in ieder geval sterk op dat het personage dat aan het woord is in de laatste van de in totaal 37 taferelen waaruit dit boek bestaat, nog eens de inzichten herhaalt die Strauss in zijn bokkezang voor het eerst formuleerde. 'Historische breuk en einde van de geschiedenis’, zo oreert dit personage - een man die, het zij gezegd, in ieder café binnen de kortste keren met iedereen hooglopende ruzie krijgt, ook al ging hij er enkel binnen voor wat sigaretten - 'We hebben ons aardig uitgeput in geschieddronken bewustzijn. Nu moeten wij, en de kunstenaar als eerste, weer overgaan tot de orde van de dag van het eeuwige.’ Een misschien wat duistere formulering, die niettemin in de richting wijst van een en hetzelfde (riskante) pleidooi voor het mythische en tragische, voor de traditie van de contra-Verlichting, dat men ook in de bokkezang terugvindt.
In die zin is ook Wonen schemeren liegen een aanklacht tegen, of beter nog: de portrettering van dezelfde generatie die in 'Anschwellender Bocksgesang’ ter verantwoording werd geroepen en zelfs verantwoordelijk werd gesteld voor bijvoorbeeld de in feite volledig ideologieloze vreemdelingenhaat van neonazi’s en het-geweld-zonder-doel van voetbalhooligans. De kritische verlichte geesten van links hebben jarenlang elke emancipatorische beweging toegejuicht, de opstand van de kinderen tegen hun ouders, totdat de opstandigheid in de huidige nieuwe generatie haar naakte, neutrale kern ontbloot: 'de brutale haat’, zo schreef hij in de bokkezang. Zoiets kan men alleen het hoofd bieden door de niet-rationele, door de Verlichting getaboeïseerde kanten van de mens, zijn mythische geneigdheid tot het kwaad en het tragische, weer tot het bewustzijn toe te laten. En dat is iets wat inderdaad in de kunst en literatuur als eerste zou moeten, of althans zou kunnen gebeuren.
DE TABOE-SERING van het tragische lijkt het belangrijkste gemeenschappelijke element te zijn in de 37 taferelen van Wonen schemeren liegen. De personages lijden vaak aan dat geschieddronken bewustzijn, aan de neiging de eigen handelingen in het perspectief van een of ander rationeel verklaringsmodel te plaatsen. En het is huiveringwekkend om te lezen wat er gebeurt wanneer die modellen tekortschieten (en dat blijken ze altijd te doen). Het is bijvoorbeeld huiveringwekkend om dat tafereel te lezen waarin een man - letterlijk even 'buiten zichzelf’ - een vrouw begint te slaan die hij eigenlijk nauwelijks kent. Het is een 'uitglijer’ het is een 'daad van toevallige overschrijding’, maar een uitglijer die een instelling oproept 'waarin de behoefte naar overschrijding van tijd tot tijd terugkwam. En het was niet meer dan een uitglijer die een vederlichte, onbetekende ontmoeting veranderde in serieuze duurzame afhankelijkheid en een verslavingsrelatie.’
Het huiveringwekkende schuilt hier niet alleen in het feit van de daad, maar vooral in de wijze waarop Strauss die beschrijft: in het snel wisselend perspectief van de gedachten van een zichzelf niet begrijpende en door een onbegrepen woede voortgedreven man naar de gedachten van een aanvankelijk hem niet en vervolgens ook zichzelf niet meer begrijpende vrouw. Men krijgt het hier als lezer links en rechts om de oren.
En dat gevoel heeft men in dit boek eigenlijk voortdurend: de verstilde maar ijzingwekkende schreeuw van de aan kanker stervende verwarmingsmonteur maakt Strauss hoorbaar, evenals Mahlers Lied von der Erde in de beschrijving van een openluchtconcert; er is het naderend onheil dat een eenzaam in een winkel rondlopend kind wacht terwijl een zwijgende menigte buiten voor de ramen toekijkt, en er zijn passages waarbij men ervaart wat men in andere passages beschreven vindt, bijvoorbeeld het wonder 'dat in zijn eigen borst zijn eigen hart, het allervreemdste, zonder enige inhoud of stilstand ononderbroken actief is, of hij nu waakt of slaapt, liefheeft of liegt (…). Geen gedachte, geen vinger, geen voet die niet van tijd tot tijd tot rust komt en moet uitrusten om bezig te kunnen zijn. Dat ding in die vliezen is het eigenlijke hartsgeheim, het onverstoorbare waarvan we de naam voor willekeurig welke schok in het leven gebruiken.’
HET IS met name door de wijze waarop Strauss schrijft dat hij zijn lezers in de taferelen even die glimp laat opvangen van het tragische dat hij op het oog heeft en dat hij bij monde van de dolgedraaide zwetser in het laatste tafereel nog eens expliciet verwoordt. 'Nog spreekt de rede kordate taal, in het benoemen van de kwalen en de zorgen wordt haar betoog merkwaardig genoeg steeds behendiger - maar de aardkrachten hoeven maar een weinig in beweging te komen of ze overstemmen haar’, zo dreigt hij. En elders: 'Wanneer leren we eindelijk, als we al geen afstand kunnen doen van onze mateloze inbeeldingen, ons in een volstrekt vreemde wereld met de nodige metaforische terughouding te bewegen? We moeten beseffen dat hersenen en werkelijke wereld (…) dichter bij elkaar staan dan wereldbeeld en wereld of hersenen en hun illusies. Niets kunnen we goed zien.’
Maar sterker dan in een dolgedraaid betoog weet Strauss in haast enigmatische beelden op te roepen om welke verlangens, om welke tekortkomingen, om welke pijn het hem hier, in dit boek, maar ook in zijn bokkezang gaat en ging. Bijvoorbeeld in dit tafereel (dat ik in zijn geheel citeer): 'Het was geen kunstvandaal, zoals ze eerst dachten, maar een jonge schilderes met verward haar, alsof ze lang bedlegerig was geweest, die zich niet met ontbloot gezicht voor het doek van Giorgione durfde te vertonen en daarom een masker onder haar trui vandaan haalde, een goedkope imitatie van een tragediemasker, en daarmee haar gezicht bedekte om daarna steels en met aarzelende passen het schilderij te naderen, niet herkend wilde worden of zich wilde afschermen tegen de doordringende blik van het kunstwerk, maar toen opeens haar gezicht uit het masker draaide, zodat dit leeg op het meesterwerk bleef gericht, terwijl de jonge vrouw de museumbezoekers die zich achter haar rug hadden verzameld en haar argwanend bekeken, intussen een rauw grimas toonde waarin walging en pijn tot een onverbrekelijke eenheid waren versmolten.’