Fotografie: Soevereine dieren van Charlotte Dumas

Het gestolde paard

Charlotte Dumas ging op zoek naar een uitstervend paardenras op het Japanse eiland Yonaguni. De paarden laten op een onnadrukkelijke manier zien dat de wereld van hen is.

Yuzu en Urara, Higashi, Okinawa, 2017 © Charlotte Dumas / courtesy andriesse eyck galerie

De eerste boeken die ik verslond, waren stripverhalen over meisjes die paard reden. Er was altijd wel een meisje dat iets of iemand verloor of doodziek werd. Hoe gruwelijker de lotgevallen, des te meer ik ervan genoot. Paarden kon je vertrouwen, leerde ik. Ze vormden een basis in een verder volstrekt onbeheersbaar bestaan.

Later kreeg ik argwaan voor alles wat met paarden te maken had. Ik verstopte mijn stripboeken als iemand op mijn kamer kwam. Waarom zou je de hele dag een paard willen borstelen? Waarom zou je daar zo’n truttig pakje bij aan willen? Waarom zou je daarover willen lezen? Het waren niet de stoerste meisjes die op paardrijles zaten. Het waren meestal ook de meisjes die op ballet zaten en pianoles hadden. Dat het om een dier ging – dat er ook niets aan kon doen dat het geclaimd werd door meisjes met wie ik niets te maken wilde hebben, toen ik van balletles af ging en me voornam ook met pianolessen te stoppen – wuifde ik weg.

‘Sinds het begin van de beschaving hebben we op paarden vertrouwd’, lees ik in Het paard in de kalebas van beeldend kunstenaar Charlotte Dumas (1977), het boek dat verscheen bij de gelijknamige tentoonstelling in het Sieboldhuis in Leiden. ‘Paarden begeleidden en beschermden ons tijdens en na het leven. Pas sinds kort lijken ze deze functie te hebben verloren. Voor de meesten van ons, die zich niet dagelijks in het bijzijn van paarden bevinden, bestaat deze relatie alleen nog op een abstracte manier.’

Ik kom dagelijks langs een wei met paarden. Ze staan er wat mij betreft voor de sier. De abstractie van het paard – gestold als afbeelding in de wei – bevalt me wel.

In een van de vitrines in het Sieboldhuis ligt een bleke bol, zo groot als een kinderhoofd. Het grijs gevlekte oppervlak doet denken aan dat van de maan. Het object lijkt een eigen zwaartekracht te bezitten, die niet alleen mijn blik gevangen houdt, maar waarin ook – zoals in de Aleph uit het beroemde verhaal van Borges – ‘alle plekken op aarde onvermengd aanwezig zijn, gezien vanuit alle hoeken’.

Die bol is een ‘bezoar’, lees ik in een tekst van Dumas, die de tentoonstelling heeft samengesteld. Het blijkt om een maagsteen van een paard te gaan. Deze kan ontstaan doordat een zoogdier – meestal een hoefdier – bij het eten een steentje naar binnen krijgt. Wanneer dit in de maag terechtkomt, vormt de steen een basis waarop calcium wordt afgezet, waardoor zo’n groot en solide object in een lichaam kan groeien. Dumas: ‘Als water schaars is, vertraagt de spijsvertering en groeit de bezoar sneller. In oude vertellingen uit het woestijnrijke Midden-Oosten wordt beschreven dat bezoars de gekristalliseerde tranen zijn van herten die zijn gebeten door slangen. Nomaden geloofden dat een bezoar kon worden gebruikt voor het oproepen van regen door het voorwerp met een wilgentwijg in water onder te dompelen of voor het oproepen van wind door het in een zakje aan de staart van een paard te binden.’

In de bovenzalen van het Sieboldhuis toont Dumas eigen werk in combinatie met een verzameling voorwerpen, oude prenten en gevonden foto’s. Begeleid door haar teksten – die behalve in het boek ook in de ruimtes aanwezig zijn – laat ze zien wat ze ontdekte toen ze op zoek ging naar de herkomst en huidige situatie van een uitstervend paardenras op het Japanse eiland Yonaguni. Ooit waren de paarden belangrijk voor de Japanse samenleving. Er waren trekpaarden, strijdrossen, postpaarden en paarden met een religieuze functie. Nu deze niet meer nodig zijn, nemen ze snel in aantal af. Inmiddels is het inheemse Japanse paard levend cultureel erfgoed. De overgebleven paarden leven in het wild, maar kunnen niet van het eiland af.

De verhalen van Dumas zijn rijk aan informatie en persoonlijk van toon. Ik wil alles lezen. Het is alsof ik in de tentoonstelling met Dumas in gesprek ga: ‘Het Musée Vétérinaire in Parijs bezit een grote verzameling van deze stenen, waaronder vele uit de magen van paarden, sommige zo groot als een voetbal en zo zwaar als ijzer. (…) Ik associeer de bezoar niet alleen met gebrek aan water maar ook met de dood, specifiek omdat geen paard het gewicht van de stenen die ik in Parijs heb gezien, heeft kunnen overleven.’

De foto’s en prenten zijn zo geordend dat ze een verhaal vertellen waar ik me graag toe wil verhouden. Het gemak en plezier waarmee Dumas haar verhaallijnen uitzet, doen vermoeden dat ze lange tijd met haar materiaal heeft doorgebracht. Haar ordening is persoonlijk en zorgvuldig, en helder voor wie er voor het eerst mee te maken krijgt.

De paarden van Dumas worden niet in ‘wilde’ of extreme poses gedwongen met geborstelde, wapperende manen

In de mythe van het paard in de kalebas – waaraan de titel van de tentoonstelling is ontleend – kan de onsterfelijke kluizenaar Chakaro een paard te voorschijn laten komen uit zijn kalebas. Dit eeuwenoude verhaal leeft voort in de Japanse taal. Wanneer er iets onverwachts gebeurt, zegt men: ‘zoals een paard dat uit een kalebas verschijnt’. Dit verhaal wordt in verband gebracht met een prent van Totoya Hokkei uit 1834, waarop een paard is te zien dat ontsnapt uit zijn eigen afbeelding.

In een andere serie wordt mijn oog getrokken door een kleine foto van een meisje in een felrode jurk, en geleid naar een blauwe buikband om een paard dat verderop in de ruimte hangt. Het ‘dragen’ van kleding en objecten wordt hier op verschillende manieren onderzocht. Andere foto’s tonen paarden die balen stro dan wel een ruiter dragen. Hierdoor word ik me bewust van wat het is om een lichaamsvreemd object te dragen, zoals het meisje doet met haar jurk, en het paard met de buikband. Dumas: ‘In oude prenten en foto’s ontdekte ik vaak dit soort doeken gewikkeld rond de buik van zowel werk- als cavaleriepaarden maar ook bij paarden die in mythologische voorstellingen voorkomen. In al die tijd dat ik de Japanse paarden heb gefotografeerd ben ik er echter nooit één tegengekomen.’

Dumas besloot een buikdoek of ‘obi’ te laten maken voor Urura, een van de paarden op Yonaguni, waar ze vanaf 2016 meermaals is geweest om te filmen. In de film Shio wordt de ‘obi’ door Urara gedragen. Yuzu, een meisje van een jaar of tien, dat vaker te zien is op foto’s in de tentoonstelling, gaat met Urara de zee in. De diepblauwe kleur van de buikband steekt af tegen het donkere zeewater.

Door een verloren object uit de Japanse geschiedenis te reconstrueren, laat Dumas zien dat ze niet alleen observator van het eiland is. Haar aanwezigheid en haar ingrepen dragen bij aan wat er plaatsvindt, en wat er voor het oog van de camera verschijnt.

Shio toont de kust van een vulkanisch eiland. In de wind en bij opspattend water staan paarden. Ze staan ook midden op de weg. In hun eigen tijd, in hun eigen wereld. Ze worden niet gestoord door de camera. De golven die soms op het land slaan, geven een dreigende buitenwereld weer, maar de paarden zijn onverstoorbaar.

Yuzu speelt met stukjes glas, glad geslepen door het water. Ze geven haar een gezicht met groen haar, witte ogen en een blauwe mond. Een paard staat tot en met de buik in het water, rustig, alsof het gewend is zo diep in het water te staan. Het meisje wast een blauwe doek in een tobbe, waarvan later de buikband wordt gemaakt. Even later zit Yuzu op het paard, met blauwe nagels. Kijken kan als rustig ademen zijn, denk ik, wanneer ik de doorweekte doek zie druipen aan een waslijn, in de regen. Waar het water begint en waar het eindigt, doet er niet meer toe. Alles is vloeibaar.

Paarden, midden op de weg, laten op een onnadrukkelijke manier zien dat deze wereld van hen is. Ook als er een auto aan zou komen. Ook als ze met uitsterven worden bedreigd. Wat asfalt is of gras, daar trekken ze zich niets van aan. Met constructies van mensen hebben ze niets te maken.

Aan het begin van de film probeert Yuzu Urara dieper in zee te krijgen. De zachte worsteling is als een spel, dat het meisje niet wint. Aan het slot trekken de twee met traag dansende bewegingen door het water. Hier toont Dumas twee volstrekt gelijkwaardige wezens.

Zo moet het zijn, denk ik, bij het kijken naar de verstilling tussen het meisje en het paard, het ontbreken van macht of spanning tussen mens en dier.

Aan de kust, Yonaguni, 2015 © Charlotte Dumas / courtesy andriesse eyck galerie

Op de voor haar zo kenmerkende manier toont Dumas dieren zoals ze zijn, niet zoals ze doorgaans in beeld komen – waarmee ze subtiel wijst op de verwrongen verhouding tussen mens en natuur. De paarden van Dumas worden niet in ‘wilde’ of extreme poses gedwongen met geborstelde, wapperende manen. Ze worden nooit onder een felle lamp getoond maar in zacht natuurlijk licht. De een heeft een stoffige vacht, de ander een opvallend groot hoofd en spillebenen. Er is een lichtbruin paard met grote witte stippen. Er is een paard dat de ogen sluit.

Het gaat om unieke dieren, met specifieke eigenschappen en een bijzondere geschiedenis.

Deze paarden vormen geen plaatje dat ik kan afdoen als uitzicht. Ze ontsnappen, als op de prent van Totoya Hokkei, uit hun afbeelding. Laag voor laag pelt Dumas gewoontes om naar de natuur te kijken af, net zo lang tot er geen abstractie meer van over is.


Charlotte Dumas, Het paard in de kalebas, t/m 25 november in het Japanmuseum Sieboldhuis, Leiden; sieboldhuis.org