Burckhardts geboortekaartje van de moderne mens

Het gevaar van misplaatste genialiteit

Na de verschijning van Die Kultur der Renaissance in Italien, honderdvijftig jaar geleden, besloot Jacob Burckhardt nooit meer iets te publiceren. Toch is zijn kritiek op de moderne samenleving nog altijd interessant.

HET BEELD DAT Jacob Burckhardt in Die Kultur der Renaissance in Italien van de Renaissance heeft geschilderd is zó bepalend geweest dat zelfs na anderhalve eeuw nog vrijwel elke (kunst)historische verhandeling over deze periode begint met een verwijzing naar dat boek. In een helder, bedachtzaam maar niettemin meeslepend Duits beschreef Burckhardt (1818-1897) de Renaissance als een radicale en relatief snelle breuk met de Middeleeuwen. In de beroemdste passage uit het boek schrijft hij dat gedurende dat laatste tijdperk ‘beide zijden van het menselijk bewustzijn - het op de wereld gericht zijn en het naar binnen gekeerd zijn - zich dromend of halfwakker onder een gemeenschappelijke sluier bevonden’. In het Italië van de veertiende en vijftiende eeuw was deze 'uit geloof, kinderlijke bevangenheid en illusie’ geweven sluier in de lucht opgelost. Na eeuwen waarin alles gericht was geweest op God, en de samenleving gekluisterd werd door het feodalisme, was het nu voor het eerst mogelijk geweest om op 'objectieve’ wijze naar de staat en alle wereldse aangelegenheden te kijken, terwijl tegelijkertijd 'het subjectieve’ zich met volle kracht aandiende: 'De mens werd een geestelijk individu en erkende zichzelf als zodanig.’ Met dit individualisme, en met het min of meer gelijktijdig ontstaan van de natiestaat en het prille kapitalisme, brak de moderne tijd aan. Die Kultur der Renaissance in Italien is sindsdien door velen gelezen als het magistrale geboortekaartje van de moderne mens.
Het idee van een Renaissance is uiteraard niet door Burckhardt verzonnen, dat stamde reeds uit de periode zelf. Werner Kaegi, die een zevendelige, in acht banden verschenen biografie van Burckhardt schreef, karakteriseerde de begrippen Middeleeuwen en Renaissance als een 'tweeling’, die dus op hetzelfde moment geboren werd. Hoogopgeleide mensen in wat wij de Middeleeuwen noemen leefden in het naïeve bewustzijn dat hun tijd een ononderbroken voortzetting van de cultuur van het Romeinse Rijk was. Vanaf de veertiende eeuw ontstond langzaam het besef dat dit niet klopte, dat men van die klassieke oudheid gescheiden was door een tijdsbarrière, een medium aevum of 'tussentijd’, die men nogal eens aanduidde met het adjectief 'duister’.
Terwijl geleerden als Petrarca zich inspanden om weer zoveel mogelijk van de door de Middeleeuwen overwoekerde literatuur der Antieken aan de oppervlakte te krijgen, begonnen verschillende Italiaanse stadstaatjes het oude Rome steeds meer te zien als inspirerend voorbeeld van een stad die zijn eigen vrijheid verwierf en zijn invloed steeds verder kon uitbreiden. Hier leefde sterk het idee van een 'wedergeboorte’ van de oude glorietijd. Aan het slot van zijn Dell'arte della guerra (1521) schrijft Machiavelli dat, als men zijn adviezen maar opvolgt, een herrijzenis van de militaire macht van het oude Rome niet uitgesloten geacht moet worden, omdat Italië voorbestemd lijkt 'de reeds lang dood gewaande kunsten en wetenschappen’ te laten herleven, aangezien het reeds 'de poëzie, schilder- en beeldhouwkunst als het ware uit het graf heeft doen oprijzen’. En in zijn Levens van de grote schilders, beeldhouwers en architecten (1550) schreef Giorgio Vasari over la Rinascita dell'Arte, de wedergeboorte van de kunsten, waarbij hij overigens van mening was dat iemand als Giotto de schilderkunst van de Oudheid reeds wist te evenaren, maar dat de 'goddelijke’ Michelangelo hier ver boven uitsteeg.
Buiten Italië werd het begrip Renaissance vooral gereserveerd voor de herontdekking van de literatuur en de filosofie van de Oudheid, zodat in een van de eerste historische boeken over dit fenomeen Erasmus de centrale figuur was. Tijdens de Verlichting werd deze nadruk nog sterker en toen de beroemde Franse historicus Michelet halverwege de negentiende eeuw over de Renaissance schreef, leek dit een verschijnsel dat zich had beperkt tot de wetenschappen, filosofie en literatuur, en speelden hierin nauwelijks nog Italianen een rol.
Dit wil niet zeggen dat er voor de andere aspecten helemaal geen belangstelling was, aangezien vooral kunsthistorici zich intensief verdiepten in de Italiaanse kunst van de veertiende tot en met zestiende eeuw en ook historici serieus onderzoek deden. Tegelijkertijd ontstond er ook bij het ontwikkelde publiek belangstelling voor de periode van de Renaissance, zoals aan het eind van de achttiende eeuw de klassieke Oudheid en ten tijde van de Romantiek de Middeleeuwen in de mode waren geweest. Deze idealisering van de Renaissance kwam enerzijds voort uit onbehagen met de eigen tijd, terwijl men tegelijkertijd het idee had dat het moderne vooruitgangsgeloof in die tijd was ontstaan. Het was Burckhardt die al deze invalshoeken combineerde, terwijl hij het ontstaan van de Renaissance ook heel duidelijk lokaliseerde. Sinds Burckhardts boek wordt Toscane, en dan met name Florence, gezien als dé bakermat van deze culturele bloeiperiode.

HOEWEL BURCKHARDTS boek aanvankelijk slecht verkocht, bleek zijn schildering van de Renaissance als 'de ontdekking van de wereld en van de mens’ bijzonder aan te slaan, zodat er al spoedig vertalingen verschenen. Er ontstond een ware Renaissance-cultus, die zelfs na de Tweede Wereldoorlog in de Engelstalige wereld weer opleefde omdat de vrije en individualistische wereld van het quatrocento heel goed paste in het zelfbeeld dat het 'vrije Westen’ ten tijde van de Koude Oorlog van zichzelf koesterde.
Uiteraard kwam er ook kritiek op het Renaissance-beeld van Burckhardt. Zijn prachtig geschreven evocatie van een unieke beschaving was eenvoudig té volmaakt. Historici dienen zich ervan bewust te zijn dat een dergelijk overtuigend beeld meestal alleen tot stand kan komen als storende en niet-inpasbare elementen worden weggelaten. Waar in de literatuur stilering wenselijk is, is zij in de geschiedwetenschap slechts tot op zekere hoogte toelaatbaar. En omdat in de negentiende eeuw geschiedenis en kunstgeschiedenis steeds specialistischer disciplines werden, kwam er al spoedig detailkritiek op Burckhardts meesterwerk.
Bovendien stuitte zijn schildering van de Renaissance als een bij uitstek paganistisch tijdperk veel gelovigen tegen de borst. Zo verscheen in 1885 Franz von Assisi und die Anfänge der Kunst der Renaissance in Italien van Henry Thode. Hierin werden door middel van de figuur van Franciscus, die in zijn nieuwe persoonlijke relatie tot God tot een nieuw soort individualisme kwam, de Middeleeuwen als het ware organisch verbonden met de Renaissance. Het was onder invloed van Franciscus geweest dat Giotto di Bondone Jezus niet langer afbeeldde als de met goud behangen koning op de troon der hemelen die hij in de Byzantijnse kunst was geweest, maar als lijdende en bloedende mens.
Daarnaast verweten economische historici Burckhardt dat hij in zijn boek geen aandacht had besteed aan de materiële bestaansvoorwaarden, zonder welke elke vorm van cultuur ondenkbaar is, en dat hij alleen oog had voor de maatschappelijke bovenlaag. Ook was er kritiek op het statische beeld dat Burckhardt schetste en dat voortkwam uit het feit dat hij de Renaissance als één periode behandelde en in plaats van een chronologisch verhaal te vertellen een beeld schetste aan de hand van een aantal 'doorsneden’. En hoewel hij duidelijk beïnvloed was door Burckhardt en diens stijl bewonderde, kwam Johan Huizinga in zijn grote Gids-essay uit 1920 over 'Het probleem der Renaissance’ tot de conclusie dat het begrip eigenlijk niet langer te hanteren was. Niettemin zijn veel historici het erover eens dat voor Die Kultur der Renaissance in Italien geldt wat Burckhardt schreef over Machiavelli’s geschiedenis van Florence: 'Tegen elke regel van de Istorie Fiorentine zou men iets kunnen inbrengen, en dan nog blijft de enorme, zelfs unieke waarde ervan onaangetast.’
Zoals bij zo veel meesterwerken het geval is, hadden zowel de meeste bewonderaars als de meeste critici niet door waar het Burckhardt om te doen was geweest en hoe hij nu eigenlijk tegen de Renaissance aankeek. Om te beginnen was het boek over de Renaissance oorspronkelijk bedoeld als laatste deel van een Bibliothek der Kulturgeschichte, die zou moeten beginnen met een boek over het Athene van Pericles en waarin ook uitgebreid aandacht zou worden besteed aan de Middeleeuwen. In 1853 verscheen het deel over het laat-Romeinse keizerrijk, Die Zeit Constantins des Grossen, waarna hij twee jaar later eerst een naslagwerk over de kunstschatten van Italië (Cicerone) publiceerde, om in 1860 met het boek over de Renaissance te komen. Die Kultur der Renaissance in Italien was dus een fragment uit een groter bouwwerk dat nimmer voltooid werd, aangezien Burckhardt na de verschijning van dat laatste werk besloot nooit meer iets te publiceren en zich te wijden aan het geven van colleges voor de studenten van de universiteit van zijn geboorteplaats Bazel en lezingen voor de ontwikkelde burgers van die stad.
Uit de vele brieven die hij schreef, die het hoogtepunt vormen van zijn literaire nalatenschap, en uit de postuum uitgegeven collegeaantekeningen weten we dat hij de Renaissance helemaal niet zag als een tijdperk dat los stond van de zogenoemde Middeleeuwen. Het idee van historische continuïteit was voor Burckhardt zo belangrijk dat hij nooit heeft willen beweren dat de moderne wereld in één klap was ontstaan. Ook het feit dat hij ervoor gekozen had geen chronologisch verhaal te vertellen maar Querschnitte van de cultuur te beschrijven, wilde niet zeggen dat hij geen oog had voor de historische ontwikkeling tussen pakweg 1300 en 1600. Deze 'doorsneden’ vormden, aldus biograaf Kaegi, een methode, ze waren geen geloofsartikel.
Wat veel critici en bewonderaars evenmin zagen, was dat Burckhardt een hoogst ambivalente houding aannam ten opzichte van de moderne wereld waarvan hij het ontstaan zo indrukwekkend heeft beschreven. Zo zag hij de opkomst van het individualisme niet zozeer als een positieve ontwikkeling, maar veeleer als een noodlot dat de mensen had getroffen. Zelfs een scherpzinnig criticus als Huizinga heeft Burckhardt wat dit betreft niet goed begrepen, toen hij zich vertwijfeld afvroeg hoe zijn voorganger toch had kunnen beweren dat pas in de Renaissance allerlei beduidende persoonlijkheden opkwamen, waarna hij zelf met een waslijst van middeleeuwse individualisten kwam. Waar het Burckhardt echter om ging, was dat in de Renaissance niet alleen allerlei getalenteerde en beduidende figuren zelfbewust werden, maar ook ontelbare talentloze en onbeduidende types - een verschijnsel dat wat hem betreft in zijn eigen tijd was uitgegroeid tot een ware plaag.
Juist de reserves die Burckhardt tegenover de moderne samenleving koesterde deden hem besluiten na 1860 geen werk meer te publiceren. Het was wederom in zijn brieven en voordrachten dat hij zich zou ontwikkelen tot een van de scherpste critici van het geestelijk en politiek klimaat van de negentiende eeuw.

BURCKHARDT WAS in 1818 - in hetzelfde jaar als Karl Marx - geboren in Bazel, als telg van een familie die sinds het begin van de zestiende eeuw in dit stadstaatje woonde. Als zijdehandelaren, professoren, gereformeerde predikanten en stadsbestuurders maakten ze inmiddels al ruim twee eeuwen deel uit van de plaatselijke elite. Tussen 1655 en 1798 was een van de twee burgemeesters van Bazel onafgebroken een Burckhardt of de echtgenoot van een Burckhardt geweest. Hoewel Burckhardt sober leefde, was geld nooit een probleem, zodat hij het zich kon veroorloven lucratieve functies of lezingen af te slaan en te weigeren om recensies te schrijven. Ook zag hij af van een honorarium voor Die Kultur der Renaissance in Italien, omdat hij het financieel risico voor de uitgever te groot achtte.
Op bijna twaalfjarige leeftijd verloor Burckhardt zijn moeder, zodat hij zich naar eigen zeggen al vroeg bewust werd van 'de vergankelijkheid en ongewisheid van het aardse bestaan’. Volgens sommige historici was dit de oorzaak van Burckhardts pessimisme en, zoals Frank Ankersmit het formuleert, 'zijn neiging om de hele geschiedenis in de stemming van een onherstelbaar verlies te gieten’. Een ander verlies dat Burkchardt leed, was dat van het geloof. Als student theologie ontdekte hij dat hij niet langer in de Openbaring geloofde en concludeerde dat hij onmogelijk predikant kon worden. Hoewel hij geenszins een radicale scepticus zou worden, had hij van jongs af aan een afkeer van orthodoxie, omdat niets ter wereld zo bevorderlijk was voor geestelijke luiheid. 'Wie erin slaagt zijn mond en oren en ogen dicht te stoppen, kan rustig gaan slapen’, schreef hij op twintigjarige leeftijd aan een vriend.
Hoewel hij in Berlijn, waar hij na zijn geloofsafval geschiedenis ging studeren bij onder anderen Ranke en Droysen, onder invloed kwam van het Duitse nationalisme en liberalisme en hij onder meer de salon van Bettina van Arnim frequenteerde, kwam hij er al spoedig achter dat het onbekommerde en modieuze vooruitgangsdenken hem tegen de borst stuitte. In 1841 schreef hij aan zijn zuster dat hij eindelijk 'de moed had conservatief te zijn’.
De opkomst van het individu, die tijdens de Renaissance resulteerde in zulke fenomenale kunst, had ook zijn schaduwzijden. De macht van de staat was onaanvaardbaar groot geworden en de fundamenten onder de samenleving waren weggeslagen. Het kapitalisme leidde tot permanente verandering, hetgeen resulteerde in grote onrust en een voortdurend gevoel van 'voorlopigheid’. Vooral sinds de Franse Revolutie leek de komst van een samenleving waarin de massa’s domineerden onvermijdelijk. 'Het woord vrijheid klinkt mooi en vol, maar alleen degene die getuige is geweest van de slavernij onder leiding van de brulmassa die men volk noemt, zou daarover mee mogen praten’, schreef hij in 1845 aan de revolutionaire dichter Gottfried Kinkel.
En toen radicale politici in Bazel de 'elitaire’ universiteit wilden vervangen door een technische hogeschool schreef hij dezelfde vriend dat hij 'in deze infame tijden geen gezin wil stichten, geen proleet zal mijn kinderen moraal onderwijzen!’ Deze ontketende massa’s zouden, zo schreef hij in 1889, het geboortejaar van Adolf Hitler, kritiekloos achter terribles simplificateurs aanhollen - demagogische en cultuurloze politici die 'ons oude Europa’ onder de voet zouden lopen. De geestelijke nivellering en het materialisme hadden inmiddels zelfs hun verderfelijk invloed doen gelden op kunstenaars en intellectuelen, die zich steeds meer lieten leiden door economische overwegingen: 'Vandaag worden nog slechts weinig dingen gemaakt vanuit een innerlijke noodzaak.’
Hoewel de moderniteit ook aan Bazel niet voorbijging - herhaaldelijk klaagde Burckhardt over het 'eeuwige fluiten en huilen’ van de locomotieven - koos hij ervoor zijn beste krachten te wijden aan het opkrikken van het intellectueel peil van de burgerlijke klasse in zijn stad. Dit betekende niet alleen dat hij het eervolle aanbod om in Berlijn de grote Ranke op te volgen afsloeg, maar ook dat hij geen boeken meer publiceerde. Voor hem gold wat Johann Winckelmann, de grote pleitbezorger van de Griekse Oudheid, in 1764 had geschreven: 'Het is beter op het hart der jongelingen te schrijven, dan op papier.’ Zijn driedelige Griechische Kulturgeschichte zou pas na zijn dood verschijnen, en zijn beroemde Weltgeschichtliche Betrachtungen waren evenals zijn boeken over Rubens en de periode rond de Franse Revolutie postuum gepubliceerde collegeaantekeningen. Wel zagen de inwoners van Bazel hem op vaste tijdstippen, met een map reproducties onder zijn arm, naar de universiteit wandelen om daar (kunst)historische colleges te geven.
Burckhardts meeslepende beschrijving van de krachtfiguren uit de Renaissance én zijn afkeer van de steeds opdringeriger wordende massa’s vielen in zeer goede aarde bij een jonge universitaire collega, die van 1869 tot 1879 in Bazel klassieke filologie doceerde. Over de relatie tussen Burckhardt en Friedrich Nietzsche is veel geschreven en al in 1880 wist Richard Wagner te melden dat Nietzsche zijn gedweep met 'het objectieve Übermenschentums’ ontleend had aan Die Kultur der Renaissance in Italien. Ook Burckhardts colleges over de Griekse cultuur hebben Nietzsche aantoonbaar beïnvloed, terwijl de 'filosoof met de hamer’ regelmatig de lof van zijn oudere collega bezongen heeft.
Burckhardt begon zich echter in zijn relatie met Nietzsche steeds ongemakkelijker te voelen, aangezien er tussen beide cultuurcritici een fundamenteel verschil bestond. Nietzsche’s drang de gehele cultuur te vernietigen was Burckhardt zuwider. Hoewel beiden een aristocratische levenshouding propageerden, leidde dit bij Nietzsche tot een revolutionair ethos waar Burckhardt niets van wilde weten. Volgens Burckhardt werd de kracht van iemands intellect en karakter niet bepaald door zijn vermogen zijn wil door te drijven, maar door de mate waarin hij in staat was te lijden zonder te bezwijken voor de al te menselijke verleiding om zelf tiran te worden. Nietzsche’s filosofie was volgens Burckhardt deel van het probleem, niet van de oplossing. Hoe groot zijn afkeer van de zelfgenoegzame, middelmatige en materialistische kleinburgers ook was, voor Burckhardt vormden zij een minder groot gevaar dan 'misplaatste genialiteit’.
Hoewel Burckhardts conservatisme een nogal machteloze indruk maakt, omdat hij ervan uitgaat dat de fatale ontwikkelingen niet meer te keren zijn, is zijn kritiek op de moderne samenleving nog altijd interessant. De commercialisering en het 'voorlopige’ karakter van de samenleving zijn alleen maar toegenomen, en als men zich niet laat afschrikken door enkele antisemitische opmerkingen zijn Burckhardts pleidooien voor rust, aandacht, vakmanschap, connaisseurschap, eruditie, toewijding, burgerlijk plichtsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel nog steeds actueel. En zijn historische werken mogen dan waar het gaat om de 'feiten’ tamelijk achterhaald zijn, dat geldt bepaald niet voor hun evocatieve kracht en literaire schoonheid. Wie snel iets wil opzoeken of graag wil meepraten over modieuze intellectuele kwesties heeft er niet veel aan, maar daar was het Burckhardt ook niet om te doen. Zoals hij in zijn Weltgeschichtliche Betrachtungen schreef zouden we immers 'niet slim voor de volgende keer, maar wijs voor altijd’ moeten willen worden.