Het gevolg van leedvermaak

Rijgdraad, tot en met 18 november in Amsterdam, daarna nog te zien in Utrecht, Arnhem, Groningen, Breda en Den Haag.
Het huwelijk waarvan we in de voorstelling Leedvermaak (1982) de achterkant te zien kregen, was niet Lea’s eerste verbintenis. Lea was eerder met Alexander getrouwd. Ze raakte zwanger, ze lieten het kind ‘wegmaken’. In scene 40 van Rijgdraad onthult Alexander de abortus aan zijn ex- schoonvader, Simon. Wat volgt is een typische Judith Herzberg-scene. Pagina’s lang wordt verbaasd vastgesteld dat Simon niet wist dat hij ooit bijna opa was geworden. ‘Wist je het echt niet?’ ‘Nee, nooit geweten.’ De hilariteit van een vertraagde onthulling.

Rijgdraad is een familiedrama dat zwanger gaat van dit soort onthullingen. Nadat Ada, Simons vrouw, zich in 1970 vanwege niet-verwerkte oorlogsherinneringen heeft laten opnemen, is Simon een verhouding begonnen met Dory, de ex-vrouw van zijn tweede schoonzoon, de jongen waarmee dochter Lea in Leedvermaak trouwde. Ada vermoedde van alles, ze wist feitelijk tien jaar lang van niks. Zij, in het gezelschap van psychisch kreupele lotgenoten altijd de meest nuchtere, werd overal buiten gehouden. In 1980 sterft ze. Als spook blijft ze in haar eigen huis ronddolen. Kort na Ada’s dood komt Alexander met zijn nieuwe vrouw Xantippe om bij een auto-ongeval. Herzberg masseert de tragische gebeurtenissen per vierkante millimeter in ons gezicht. Ieder ongeluk roept nieuwe herinneringen op. De anekdotes zijn met losse steken (letterlijk: rijgdraad) aan elkaar genaaid. De zonen en dochters van de concentratiekampslachtoffers dolen door hun eigen kroniek van na de jodenvervolging. De oude heer Zwart is het door alcohol doordrenkte geweten van hen allen. Hij is een van de weinigen die zich de harde feiten nog wil herinneren. Over dat verpakte stukje ‘zeep’ dat zijn vrouw Lisa aangereikt kreeg in Auschwitz vlak voor ze de 'douches’ binnenstapte. Het was in papier verpakt steen. 'Wie dat bedacht heeft!’ Zwart is de enige die in het zwart op Ada’s begrafenis verschijnt. Zwart protesteert als enige tegen de term 'overleden’. Zijn vrouw is in Auschwitz vermoord, punt uit.
Leedvermaak werd geschreven toen de kinderen van vermoorde joden zich begonnen te roeren. Tekst en voorstelling plaatsten in 1982 bakens van pijn en verdriet. Rijgdraad (nadrukkelijk aangekondigd als een 'gevolg van Leedvermaak, niet als een vervolg op die legendarische voorstelling) is minder zwaar, niet zo heilig en pretentieus. De ruim tachtig scenes van de voorstelling (een co-produktie van Toneelgroep Amsterdam en Theater van het Oosten) lijken bijna luchtig opgeschreven en gespeeld. Het speelvlak is op wat stoelen na en een zuil met een deur in het midden, kaal. De opkomsten en afgangen geschieden door die deur. Verder wandelt iedereen om de zuil heen. Het huis van Rijgdraad is een plek van dolende mensenkinderen, die mateloos zijn verwond, of die zich mateloos hebben laten verwonden.
Na de pauze treedt de derde generatie aan. Nuchtere pubers die kwaad zijn over het zwijgende lijden van hun ouders. Ze hebben de ambitie om zonder censuur te spreken, vanuit een onomkeerbare woede. Hun optreden verfrist en ontregelt. Eindelijk mensen die zeggen waar het op staat. Ook al schrok ik van de naieve dochter Xandra, die het vermogen van Alexander en Xantippe erfde maar geen persoonlijke herinneringen aan haar ouders meer heeft - het auto-ongeluk als metafoor van de jodenvervolging door de nazi’s. En ook al schrok ik van het orthodoxe fundamentalisme van Chaim - was hij niet zo'n liberaal-joodse jongere, die in 1987 een uitvoering van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood voorkwam?
Een familiekroniek als ontroerend tijdsbeeld, dat is Rijgdraad geworden. Prachtig gespeeld. In het eerste uur een beetje teveel dames-en-heren- toneel, maar dat euvel ebde langzaam weg. Lea, die in Leedvermaak trouwde, die in Rijgdraad ouder (verwarder, misschien wijzer) geworden is, vat het stuk in scene 81 beknopt samen: 'Vroeger, toen kenden mensen elkaar. Toen zeiden ze: dat is toch typisch, dat is echt iets voor haar. Nu denk ik het zelf, maar ik weet niet of het waar is. Zulke gedachten hebben mijn ouders nooit over zichzelf gehad. Die kenden hun eigen bedoelingen, en die waren gewoon goed. Of soms gewoon slecht. Ik ben een vat met dubbele bodems die stuk voor stuk lek zijn.’