‘Breng uw kinderen niet bij de tomben van “zeehelden”, niet in een kerk waarin vechtjassen begraven liggen, eis, dat uit de Nederlandse musea de krijgstrofeeën, de herinneringen aan hebzucht en geweld, scheepsrompen en vlaggenflarden, verwijderd worden.’ Radicale analyse van een radicaal denker: in 1916 publiceerde Carry van Bruggen een pamflet tegen het Nederlandse patriottisme, getiteld Vaderlandsliefde, mensenliefde en opvoeding. Frederik van Eeden had in 1915 in zijn brochure Bij ’t licht van de oorlogsvlam betoogd dat de grote Europese naties verblind waren door hun chauvinisme en de wereld zo in een oorlog gestort hadden. Het kleine Nederland zou echter een speciale gidsfunctie te vervullen hebben. Nederlanders wisten op een voorbeeldig pragmatische manier van hun vaderland te houden: zonder over te lopen van nationale trots, toch blij met de burgerlijk-bedaarde kern van hun Nederlanderschap.

Van Eeden gaat in zijn betoog voorbij aan het Nederlandse kolonialisme, maar Van Bruggen trekt die pleister er in één keer af. De Nederlandse natie ‘koloniseert, steelt, verdrukt, liegt en huichelt, omdat koloniseren, stelen, liegen, verdrukken en huichelen nu eenmaal bij persoonlijke en nationale welvaart behoren’. Van Bruggens pamflet is nooit herdrukt en nauwelijks bekend – ik ken het geschrift via het werk van cultuurhistoricus Tessa Lobbes. Toch zou de tekst juist nu een nieuw lezerspubliek verdienen. Het Nederlandse exceptionalisme zit immers heel diep: het zelfbeeld van Nederlanders als een volkje dat te nuchter en pragmatisch was om te kunnen vallen voor delusions of grandeur, voor kwalijke -ismen. Vanuit die logica is lang volgehouden dat imperialisme, chauvinisme, koloniaal racisme en antisemitisme misschien voorkwamen in Nederland, maar hier nooit echt wortel hebben geschoten: daarvoor was de tolerantie een te stevig tegengif.

Het is nog maar heel recent dat die apologetische houding niet meer zo dominant lijkt te zijn. Witte onschuld van Gloria Wekker werd in de dagbladrecensies aanvankelijk met kritiek overladen. Haar nuchtere constatering dat vierhonderd jaar kolonialisme hebben geleid tot een cultureel archief van ‘diep ingesleten attitudes en emoties’ rond ras en racisme lijkt inmiddels breder ingang te vinden. Historicus Karwan Fatah-Black constateerde recent in de Volkskrant op zijn beurt dat Nederland nu pas de ‘koloniale waas’ van zijn bril aan het poetsen is.

Deze omslag heeft niet alleen gevolgen voor het historisch onderzoek, maar noopt ook tot een herbezinning op het literaire verleden. Het afgelopen jaar hielden diverse organisaties uit de neerlandistiek een enquête over de literaire canon. In haar stuk in de NRC constateerde Toef Jaeger dat de uitslag van dat onderzoek een parade van veilige keuzes was: Toch weer veel dode, witte mannen in de nieuwe literaire canon, zo luidde de kop. Toch zou je op het eerste oog denken dat we daarmee in ieder geval een literaire canon te pakken hebben die allesbehalve aanzet tot nationale trots. Multatuli was de gesel van gereformeerd, burgerlijk Nederland en noemde zijn vaderland een ‘roofstaat aan zee’. Couperus ontmaskerde in De stille kracht de vermeende rationaliteit van de Nederlandse koloniale macht als volslagen blind voor alle onderhuids broeiende tegenkrachten. Nescio beschreef met dodelijke ironie de morsige kleinheid van de ‘God van Nederland’. Is deze literaire canon misschien, ondanks haar eenzijdigheid, toch een manier om van dat exceptionalisme af te komen? Door eerst de positie van Van Bruggen grondiger te begrijpen, komt ook het antwoord op die vraag scherper in beeld.

Literatuurwetenschapper Channa Kalmann laat in haar onderzoek zien hoe Van Bruggens vroege romans blootleggen hoe wijdverbreid antisemitisme in Nederland was en zet zich zo af tegen eerdere onderzoeken die meenden dat het hier relatief mild was. ‘Vernederend en discriminerend gedrag’ was aan de orde van de dag. Kalmann bespreekt onder meer de roman De verlatene uit 1909. Hierin volgen we de lotgevallen van vier kinderen uit een orthodox-joods gezin. De oudste zoon David raakt in conflict met zijn traditionele vader. Hij gaat studeren en sluit zich aan bij een socialistische beweging. Ogenschijnlijk stuit hij in zijn nieuwe leven op weinig tegenstand, hij ontwikkelt een intieme vriendschap met Hein. Maar dan vergoelijkt Hein een neef die ‘antisemitische neigingen’ heeft. Deze had van een joodse man de strijd om een meisje verloren, en dat zou een repertoire aan hatelijke emoties over ‘de joodse man’ als indringer en listige ondermijner legitimeren. David staat met zijn woede hierover alleen: hij wordt weggezet als opgewonden standje, niet tot redelijk denken in staat.

Nederlanders zagen zichzelf als een volkje te nuchter om te kunnen vallen voor delusions of grandeur, voor kwalijke -ismen

Onthutst concludeert David dat de banden die hij in de niet-joodse wereld aanknoopt altijd voorwaardelijk zullen zijn. Impliciet wordt verwacht dat hij dankbaar moet zijn om opgenomen te zijn in niet-joodse kringen. Terug naar het orthodoxe milieu kan en wil hij niet meer. Hij trekt zich volledig terug uit het sociale leven en eindigt met het voornemen zich nooit meer te laten verleiden tot intimiteit. De roman laat zien dat uitsluiting niet altijd de vorm aan hoeft te nemen van een directe fysieke dreiging om toch op psychologisch niveau een vernietigende uitwerking te hebben.

Van Bruggen zou vervolgens toewerken naar een veelomvattende filosofische kritiek op haar tijd, waarin ze de onderliggende contradicties van het groepsdenken blootlegt. Zelf van joodse komaf moet het voor haar zeer zichtbaar zijn geweest hoe in Nederland een christelijk-nationalistische identiteitspolitiek de boventoon voerde. Zij schrijft daar niet expliciet over, maar we hoeven maar te kijken naar de denkbeelden van een van de machtigste politici uit de vroege twintigste eeuw, de conservatieve arp-voorman Abraham Kuyper. Hij accepteerde dat in de moderne democratie de protestantse kerk zijn geprivilegieerde positie was kwijtgeraakt, maar ontwikkelde als alternatief een conservatieve identiteitspolitiek. Hij definieerde de Nederlandse natie als in essentie calvinistisch: hoe meer die relatie tussen de natie en het calvinisme verwaterde, hoe zwakker de natie ervoor stond. Kuyper was fel anti-liberaal, want het liberalisme had in zijn ogen tot doel om alle ‘organische’ verschillen tussen religies, rassen, volkeren en naties uit te wissen. Die weerzin tegen het liberalisme voedde ook Kuypers paranoia tegenover de joodse bevolking. Joden waren in zijn ogen gevaarlijk, want als ‘volk’ niet gebonden aan een natie. Als maatschappelijke groep zouden ze de ondermijning van de natiestaat op het oog hebben: hoe meer alle grenzen en verschillen tussen – in zijn ogen in essentie christelijke – Europese naties vervaagden, hoe gemakkelijker zij overal een dominante positie konden veroveren.

Een roman als De verlatene legt pijnlijk bloot hoe vooruitstrevende witte Nederlanders als Hein niet minder vatbaar waren voor zo’n paranoïde blik. Al had Hein zich op politiek niveau bij de progressieve strijd aangesloten, en al was hij bevriend geraakt met de joodse David, ondertussen bleef ook de identificatie met de in zijn superioriteitsgevoelens gekwetste neef overeind. Het is daarom allerminst toeval dat Van Bruggen in Vaderlandsliefde, mensenliefde en opvoeding niet meeging in het dominante beeld van Nederland als niet-nationalistisch en dat ze ook het kolonialisme niet onder het tapijt schoof. Identificatie met vlaggen en helden zit diep, heel diep. Bovendien onderschatte ze het geweldspotentieel in Nederland niet. Ze beschreef in haar romans het normatieve geweld dat binnen de nationale grenzen de joodse bevolking ten deel viel. In haar pamflet legde ze bloot hoe Nederland overzee haar ‘vechtjassen’ liet roven en plunderen, en hoe er daarom weinig heil te verwachten viel van een Nederland dat zichzelf als gidsland meende op te kunnen werpen.

Het personage David verlaat het orthodoxe nest, maar heeft geen plek om te landen in de dominante cultuur. Oppervlakkig gezien lijkt hij daarmee op veel andere personages uit de literaire canon. De Nederlandse literatuur kent een overdaad aan antihelden en underdogs. Max Havelaar verliest zijn strijd tegen de Droogstoppels, bij Nescio doorlopen de jongemannen die hopen op een leven buiten de burgerlijke norm hetzelfde traject. En hebben ze wel de macht, zoals Otto van Oudijck in De stille kracht, dan beschrijft de plot hoe weerloos die macht staat tegenover ondermijning – Van Oudijck eindigt onttroond en leeft ergens teruggetrokken op Java. Het emotionele zwaartepunt van al deze fictie ligt bij de man die in een tegenpositie terechtkomt.

Daarmee stuiten we op een opmerkelijke paradox: hoe komt een land met vierhonderd jaar koloniale overheersing aan een literatuur waarin het wemelt van underdogs? Uit hun non-fictie en brieven blijkt in ieder geval dat veel van de gecanoniseerde auteurs zich identificeerden met een mannelijk, wit superioriteitsgevoel. Een veelzeggend voorbeeld: Nescio, pseudoniem van J.H.F. Grönloh, was de zakelijk vertegenwoordiger van de Holland Bombay Trading Company. In India bezoekt hij het paleis van een radja en ziet daar Europese schilderijen van half ontklede Europese vrouwen. Grönloh stelt zich voor hoe de Indiase man zich kan verlustigen aan die afgebeelde witte vrouwen en rapporteert in een brief: ‘ik voelde iets door mijn hele lichaam, ik voelde mijzelf vernederd en had er graag een [Indiër] neergeslagen en getrapt, maar ik durfde niet’. Grönloh voelt zich ‘vernederd’ door de gedachte dat een Indiase man zich dezelfde seksuele privileges toeëigent als de witte man. De gewelddadige fantasie leeft ook in hem bij het zien van een joodse man en vrouw: ‘Iets van datzelfde voel ik in Europa ook als ik een Jood met een Europees meisje zie.’

Van Bruggen beschrijft in De verlatene hoe David geconfronteerd wordt met een cocktail van seksuele jaloezie en racisme. Een troebel emotioneel vaarwater waar ook de brief van Grönloh van getuigt. Het gaat me er niet om de biografie van de auteur één op één te projecteren op zijn literaire werk. Het gaat me erom dat het omgekeerde is gebeurd: we hebben de ondergeschikte positie van de literaire antihelden geprojecteerd op hun scheppers, en dat beeld van de auteurs spiegelt weer de veronderstelde onschuld van Nederland.

Veel van de auteurs die in Nederland lang het hoogst worden aangeslagen, zijn geboren in een context van verlicht protestantisme. Ze lieten het geïnstitutionaliseerde protestantisme achter zich, maar niet noodzakelijkerwijs het gevoel dat christelijk Europa een verheven, superieure beschaving is. De stille kracht van Couperus wordt maar al te graag opgevoerd als een afrekening met het Nederlandse kolonialisme. Maar er was ook heel veel bekrompen koloniaal denken in Couperus, die in zijn reisverhalen over ‘oosterse volkeren’ onder meer beweerde dat de democratie ze wezensvreemd was: ‘zij zijn te gelukkig in die gevangenschap om in het diepst van zich iets anders te wensen. Oppervlakkigweg is een zekere Europeanisering hun wel aangenaam maar vooral voor hun ijdelheid.’ Wie een plaats in de norm verovert, ziet moeilijk welk geweld daarvan uitgaat. Als de huidige literaire canon één ding laat zien, dan is het wel dat het eenvoudiger is van God af te komen dan van superioriteitsgevoel.