Ismail Kadare, Parijs, 2013 © Richard Kalvar / Magnum / AN

Zo’n zestig pagina’s voor het einde staat er ineens een sprookje, geïsoleerd op de pagina, zonder inleiding of uitleg. ‘Er was eens een priester en een generaal die op avontuur uitgingen’ – zo begint het.

Het is het sprookje dat de generaal zodra hij weer thuis was aan een van zijn kleindochtertjes had willen vertellen. Daar kijkt de lezer van op. Het sprookje geeft een geconcentreerde samenvatting van het verhaal dat hij op dat moment leest. Een macaber verhaal, zonder zoetsappigheden en een happy end, niet direct iets voor kleine kinderen.

De generaal is de naamloze titelfiguur van De generaal van het dode leger, de roman waarmee Ismail Kadare (1936) omstreeks 1963 debuteerde, die in 1972 voor het eerst in het Nederlands verscheen (zij het in een vertaling uit het Frans) en waarvan nu bij uitgeverij Schokland een ongewijzigde herdruk verschijnt, met een uitgebreid nawoord van Piet de Moor over Kadare’s kolossale oeuvre. Het avontuur van de generaal krijgt al gauw de trekken van een tragedie, of liever nog van een lugubere, spookachtige groteske; het vervult hem geen moment met de verwachtingsvolle nieuwsgierigheid van de ware avonturier, eerder met een gevoel van onwerkelijkheid en de onheilspellende angst dat hij nooit kan slagen in het vervullen van zijn opdracht.

Hij moet ‘een leger opgraven’ – het gaat om tienduizenden Italiaanse soldaten die twintig jaar eerder, in de Tweede Wereldoorlog, in Albanië zijn gesneuveld. Hij moet hun stoffelijke resten opspeuren, opgraven en bij hun Italiaanse nabestaanden terugbezorgen. Hij voelt zich ‘een nieuwe Messias’, pept zich op met alcohol, hallucinante fantasieën over roemrijke veldslagen die hij dankzij zijn ongeëvenaarde strategische vernuft allemaal glansrijk wint, en dus met de te verwachten eeuwige roem: ‘Er was in de taak die hij ging volbrengen iets van de statigheid van de Grieken en de Trojanen, van de plechtigheid van de homerische begrafenissen.’

Het druilt, regent of sneeuwt er altijd, de stormachtige wind komt zelden tot rust

Maar de werkelijkheid is weerbarstig, de sfeer permanent naargeestig. Hoewel het reëel bestaande Albanië zich mag verheugen in een mediterraan klimaat, lijkt het Albanië van Kadare, niet alleen in dit boek maar in zijn hele werk, klimatologisch nog het meest op een Noord-Hollandse polder in een gure herfst. Het druilt, regent of sneeuwt er altijd, de stormachtige wind komt zelden tot rust. En dat is meer dan decor. De verheven opdracht van de generaal vraagt om die sombere omstandigheden, hij is ervan overtuigd dat hij zijn dode leger, verstijfd, verkalkt, ontbonden tot in abstracte chemische formules alleen dan uit de modder kan halen.

Bovendien heeft hij – of heeft Kadare, de twee stemmen lijken vaak volledig in elkaar op te gaan – die trieste weersomstandigheden nodig voor de dubbelzinnige typeringen van het Albanese volk. Het sombere, kale, in mist gehulde landschap maakt zich niet alleen van hemzelf meester, maar ook van zijn tragische bewoners, hun naargeestige klederdracht en nog naargeestigere liederen, waarin het bij voorkeur gaat over dood, verderf en oorlog: ‘De oorlog is bij wijze van spreken een organische functie van deze natie, hij heeft haar bloed vergiftigd als bij anderen de alcohol. (…) Hun regering heeft hun oude neiging om oorlog te voeren tot de grondslag van hun politiek gemaakt en het is gelukkig voor hun buren dat er niet meer dan twee miljoen Albanezen zijn.’

Kadare is slim genoeg om die typeringen in de mond te leggen van vijanden van het volk, de generaal en zijn metgezel, een eveneens naamloze priester, beiden vertegenwoordigers van de fascistische agressor van twintig jaar geleden. Dubbelzinnigheid en vermomming behoren tot de essentie van zijn schrijversbestaan, de hyperbool is zijn belangrijkste stijlmiddel. Het grootste en beste deel van zijn werk is ontstaan ten tijde van de dictatuur van Enver Hoxha, die net als Stalin een opmerkelijke belangstelling – en in zekere zin ook deskundigheid – aan de dag legde voor de kunsten in het algemeen en de literatuur in het bijzonder. Overleven kon alleen door inzicht in die schemerzone van compromisbereidheid en listig verzet. Kritiek op de dictatuur, die zelfs tot in de dromen van zijn onderdanen naar smeulende onvrede snuffelde, was alleen mogelijk via een omweg, bij Kadare meestal de omweg van de Ottomaanse dictatuur, waar Albanië eeuwenlang, tot 1912, onder heeft gezucht.

Dat de generaal en de priester hun heroïsche taak niet tot een goed einde zouden brengen is van meet af aan duidelijk. Niettemin zwoegen zij, gewapend met talloze landkaarten en meetinstrumenten, twee jaar lang door de Albanese modder op zoek naar dode landgenoten. Ze lopen en lopen, ‘net als pelgrims in de Middeleeuwen’, zonder dat het einde van hun tocht in zicht komt. Dat blijkt ook uit de repeterende, steevast op depressies wijzende weerberichten: ‘Regen en natte sneeuw vielen op de vreemde aarde’, daar begint en eindigt het mee.

Tot hun ongeloof komen de eerzuchtige twee al vroeg tot de ontdekking dat de doden er helemaal niet op zitten te wachten om gerepatrieerd te worden; liever blijven ze waar ze zijn, veilig en anoniem opgeborgen in de Albanese aarde. Dat blijkt ondubbelzinnig uit het dagboek van een opgegraven soldaat die bleek te zijn gedeserteerd en vervolgens als knecht tewerkgesteld door een Albanese boer. Geen sprake van wraak- of moordlust, bij geen van beiden, sterker: de boer blijkt eerder representatief voor de ‘grootmoedigheid van het Albanese volk’, dat onmiddellijk na de capitulatie door de partizanen werd opgeroepen door de Italiaanse soldaten, ‘die bij tienduizenden als bedelaars in lompen over de wegen van Albanië dwaalden, niet van honger te laten omkomen’.

Naarmate het boek vordert en het aantal opgegraven ontstoffelijkte resten toeneemt, neemt ook het ironische en groteske karakter van de zoektocht van het tweetal toe; op een dag komen zijn helden terecht op een traditioneel bruiloftsfeest. De generaal denkt dat zij van harte welkom zijn, ‘het verleden is vergeten’, totdat een oude vrouw hem een zak voor de voeten gooit, een zak met de beenderen van een door haar gedode kolonel die nota bene het ultieme doel van zijn zoektocht door de onderwereld van de oorlog was. De kolonel was de leider van het beruchte Blauwe Bataljon, een Italiaanse strafeenheid die in november 1943 moordend door Albanië trok en – weet de lezer – ook verantwoordelijk was voor de executie van de soldaat die werk vond bij de boer. De generaal was verbijsterd, hij hees de knokenzak ‘met een traag gebaar op zijn schouder en liep gebogen weg, vernederd door zijn last, als droeg hij alle schande en het gewicht van de aarde op zijn rug’.