Het lijf vond hij vulgair, waarschijnlijk omdat het de geest zo vals kon dwarszitten. En hij spotte met elke vorm van lichaamscultuur die dat nuffige lijf mild zou moeten stemmen. Een lichaam hoorde zijn ondergeschikte plaats te kennen. Daarom droeg hij nooit een overjas. Dat gaf hem bij vliegende sneeuwstormen in de straten rond het Spui iets onverwacht melancholieks.
Nooit heb ik mijn ogen kunnen afhouden van een missend klein hoektandje in zijn bovenkaak. Daar had een beetje knutselende tandarts al gauw wat bedrog kunnen aanbrengen, maar Jankarel handhaafde dit persoonlijke accent in zijn strijd tegen het verschijnsel lijf.
Hij hield ook van smikkelen, op alle uren van de dag. Een high tea zou hij in Engeland nooit missen, waarbij men de thee zelf rustig mocht weglaten. Zo kon het lijf in slaap worden gesust en kreeg de geest eindelijk vrij spel. Tijdens diners was Jankarel op zijn grootst, juist door zijn disgenoten naar onvermoede hoogten te lokken.
Ik weet niet of het jaloerse lichaam op banale wijze wraak heeft genomen. Het ziet er wel naar uit. Maar de ideeën van deze agnostische monnik zullen generaties lang blijven doorspoken. Binnen en buiten de universiteit.