Het moeizame vredesproces op de Molukken

Het gewonde eiland

Deze maand twintig jaar geleden brak er een bloedige oorlog uit tussen christenen en moslims op de Molukken. Duizenden mensen werden vermoord en honderdduizenden raakten ontheemd. Kindsoldaten van toen bewaken nu de broze vrede.

Jongeren hangen rond bij een moskee in een van de moslimwijken in Ambon-stad, Molukken, Indonesië © Chris Stowers / Panos / HH

Met kwieke tred komt Ronald Regang de hotellobby binnengelopen. Glinsterende nepdiamantjes als oorbellen. Een scherpe coupe met kort haar aan de zijkanten en langer bovenop. Ronald (29) is in het zwart, met een T-shirt van Amnesty International en hippe jeans. Omdat hij in een gehuurde kamer woont waar hij liever niet afspreekt, vindt ons gesprek plaats op het balkonterras van een hotel in hartje Ambon, de provinciehoofdstad van de Molukken. Ronald – snorretje, mini-baardje en ogen die te veel hebben gezien – zal vertellen over zijn heftige jaren als kindsoldaat.

Op de drukke straat voor het hotel overheerst het kabaal van razende brommers, minibusjes en claxonnerende auto’s, waar fietstaxi’s tussendoor manoeuvreren. Ambon is een boomtown met een ratjetoe van witte en vrolijk geverfde gebouwen, kantoren en home-elektronica-shops met de laatste smartphonemodellen naast ouderwetse winkels, eettentjes en woonbuurten. Ruim honderd hotels, restaurants en cafés zijn de laatste twee jaar uit de grond gestampt. Over de adembenemende baai ligt de majestueuze Merah Putih Brug met hoge pylonen en staalkabels in de nationale tweekleur rood en wit, waar mensen selfies maken. Vlakbij liggen een shopping mall en een modern ziekenhuis in aanbouw.

Weg lijken de herinneringen aan de bloedige oorlog die deze maand twintig jaar geleden tussen christenen en moslims op de Molukse eilanden losbarstte. Groepen burgers, religieuze leiders en milities namen deel aan het conflict, daarbij gesteund of zelfs geleid door militairen en politieagenten. Bij aanvallen werden hele wijken en dorpen verwoest die in desolate spookgebieden veranderden. Minstens vijfduizend mensen, mogelijk tienduizend, kwamen om. Van de twee miljoen eilandbewoners raakten zevenhonderdduizend mensen ontheemd. Er vond een complete religieuze zuivering plaats waarbij moslims werden verdreven naar islamitische dorpen en wijken, protestanten en katholieken naar christelijke. Het weefsel van de samenleving werd tot in de diepste vezels aangetast.

Een deel van de Molukkers begon een uitweg in een onafhankelijke Molukse staat te zien. ‘Sudah aman’, het is al veilig en rustig, zeggen mensen nu. De sporen van de oorlog lijken uitgewist. Alleen hier en daar zie je nog een uitgebrande woning. In winkels, bedrijven en kantoren werken christenen en moslims samen. Ze zitten tegen elkaar geklemd in de minibusjes, ontmoeten elkaar op straat en zijn met elkaar bevriend. Maar vrijwel alle moslims en christenen wonen nog altijd in aparte gebieden, gescheiden door onzichtbare grenzen. Moskeeën geven aan dat je in een islamitisch dorp of wijkje bent, terwijl kerken staan voor christelijk gebied. Over het drama van het conflict wordt publiekelijk niet gesproken. Praten over de oorlog, waarin ieder een eigen waarheid heeft, kan trauma’s en boosheid losmaken die het evenwicht kunnen verstoren. Maar ex-kindsoldaat Ronald wil wel zijn verhaal doen omdat hij het belangrijk vindt.

Hij was nog maar een jochie toen hij aan het begin van de oorlog op de Noord-Molukken, waar hij met zijn ouders woonde, al ernstig verminkte lichamen had gezien. Zijn leven als kindsoldaat zou snel daarna beginnen, nadat zijn vader hem als tienjarig ventje op de boot zette naar het zuidelijker eiland Ambon, waar hij werd opgenomen in de groep van een machtige christelijke militieleider, wiens naam niet genoemd kan worden. ‘Het aanvoeren van benzine om huizen van moslims in brand te steken was mijn eerste job’, vertelt Ronald, terwijl hij een beetje om het woord moet lachen. ‘Sorry’, corrigeert hij en steekt gehaast een sigaret op. ‘Als kindsoldaten waren we razend populair in onze gemeenschap, omdat we altijd klaarstonden om onze mensen, onze religie en ons gebied te verdedigen.’

Hij werd als spion naar vijandelijk gebied gestuurd, waar hij informatie moest verzamelen over aanvallen die moslims mogelijk op christenen hadden gepland. Zodra een schip in de haven arriveerde, haalde Ronald zendingen lucifers op, waarna hij de linies overstak en de bestelling naar zijn christelijke militiegroep bracht die er explosieven mee maakte. Net zo makkelijk haalde hij bommen en munitie op en leverde hij brieven af. ‘Als kind deed ik het gewoon. Achteraf denk ik: wat een immense verantwoordelijkheid.’ Gehoorzaam volgde Ronald orders op, maar hij zag ook hoe anderen die niet luisterden zwaar werden mishandeld.

Het zou niet bij spioneren en koerieren blijven: ‘In 2000 begon ik met het doden van mensen.’ Zijn eerste moord pleegde hij in betwist grensgebied in de stad. ‘Ik schoot van nabij en mikte op het hoofd. De hersenen vlogen in het rond’, zegt hij, uiterlijk zonder veel emotie. ‘Mensen dachten altijd dat we goed getraind waren, maar we hadden geleerd te vechten door films als Rambo te bekijken.’ Een dominee zegende hen voor ze het gevecht in gingen. ‘We hadden ook regels: niet vloeken, niet stelen en niet verkrachten.’ Als kindsoldaat zou Ronald op veel plekken meestrijden. Volgens het motto: kill or be killed.

Tot het misging met zijn neef, de tienerleider van zijn kindsoldatengroepje. Toen hun bootje op zee zat ingeklemd tussen jihadi-scheepjes gooide de neef een granaat. Het explosief knalde echter tegen een plank. ‘Vanaf zijn dood was ik zo woedend en bitter. Ik had totaal geen compassie meer. Er zat niet langer een rem op mijn behoefte om te doden. Mijn emoties laaiden op tijdens het gevecht. Mijn pijn verdween als ik kon doden’, zegt hij met een strak gezicht.

De onbevreesde Ronald werd leider van een groep kindsoldaten. ‘We schoten op mensen, maar als ze dan nog leefden, hakten we tot ze dood waren. Ik kan niet tellen hoeveel mensen ik heb vermoord.’ Alleen kinderen heeft hij altijd gespaard. Hij zwijgt even. ‘Als je iemand doodt in de oorlog, moet je zijn lichaam eten en zijn bloed drinken.’ Hij aarzelt en voegt er zachtjes aan toe: ‘We hebben het meerdere malen gedaan. Het was ons eigen initiatief.’

Terwijl Ronald vocht en de oorlog volop woedde, begon op de Molukken een moeizaam vredesproces. Volgens Muhammad Nurdin Lating, die een jaar aan moslimzijde bij de strijd betrokken was en daarna voor ngo’s werkte, was de ellendige oorlogseconomie met hoge prijzen hoofdreden voor toenadering. ‘Het was een religieuze oorlog die door ons Molukkers werd gestart, en door ons Molukkers ook weer is gestopt’, stelt Lating, hoewel over de oorzaak van het conflict nog altijd meningsverschillen zijn. Een deel van de Molukkers wijst op de hoog oplopende competitie tussen christenen en moslims om posities bij overheid, bestuur en universiteit. Anderen stellen dat het geweld ‘van buiten’ de Molukken kwam en leggen de verantwoordelijkheid bij legerfacties.

Lating weet nog hoe op Ambon-eiland in enkele grensgebieden kleine markten werden ingericht, beschermd door militairen, waar moslims en christenen groenten en vis verhandelden en een praatje konden maken. Op neutrale plekken – eerst nog in het geheim – ontmoetten beide groepen elkaar. Er ontstonden initiatieven als de Baku Bae-vredesbeweging. Traditionele dorpshoofden kwamen samen. Langzaam was er een begin van vertrouwen. Op initiatief van de Indonesische regering tekenden christenen en moslims in februari 2002 het Malino-akkoord dat een eind moest maken aan de vijandelijkheden. Ook al zouden de gevechten nog geregeld oplaaien, het Malino-akkoord was een keerpunt, stelt islamdeskundige en vredesactivist Abidin Wakano. Mensen werden minder angstig en er kwam meer contact. Ook begon de regering meer geld te geven voor opbouw en ontwikkeling. Veel Indonesische jihadi’s die samen met de Molukse moslims streden zouden vertrekken.

In 2004 stopte Ronald met vechten. ‘Ik heb het geluk dat ik nog leef. Ik denk aan al mijn vrienden die gestorven zijn. De meeste kindsoldaten van mijn groep zijn er niet meer’, zegt hij. Voor het eerst heeft hij tranen in zijn ogen. ‘Slechts vier zijn nog in leven. Eentje is mentaal helemaal in de war en enkelen hebben zich bij criminele bendes in Jakarta gevoegd.’

Het feit dat kindsoldaten na de oorlog met de nek werden aangekeken maakte Ronald zo boos. Hij wist echter niet dat hij werd geobserveerd door dominee Jacky Manuputty, die zelf had deelgenomen aan het conflict. ‘Ik heb strijders en kindsoldaten gezegend’, vertelt de predikant in een café. Zijn stem klinkt even vertrouwd als vroeger, maar met een moderne bril, afgeschoren snor en afgeslankt lijf ziet hij er ondanks zijn casual outfit met T-shirt en bermuda gesoigneerder uit dan voorheen. Manuputty had geen wapen gedragen, maar had christelijke strijders voorzien van informatie over de beste gevechtstactieken, het leggen van hinderlagen, vervaardigen van zelfgemaakte raketwerpers, bommen en geweren. ‘Ik had geen keus. De staat was afwezig en beschermde ons niet, waardoor we het zelf moesten doen. Maar ik was niet geradicaliseerd. Ik wist wat ik deed en was niet vervreemd van mijzelf. Ik heb dode lichamen gedragen en bij stervende mensen gebeden. Pas veel later besefte ik dat ik zeker anderhalf jaar lang nauwelijks nog emoties voelde.’

Door reizen naar het buitenland realiseerde Manuputty zich dat hij niet vanuit de christelijke maar vanuit de gezamenlijke Molukse identiteit moest denken. ‘Hoewel dat ook tricky is’, zegt hij, want Indonesische migranten, die zwaar hadden geleden tijdens het conflict, vielen buiten dat perspectief. ‘Ik moet terugbetalen, niet voor het verleden, maar voor de toekomst van onze jeugd’, stelt Manuputty, die vredesactivist werd, een interreligieus instituut opzette en inmiddels een hoge positie in Jakarta heeft als assistent van een van de adviseurs van de president op het gebied van religieuze dialoog.

De predikant benaderde Ronalds moeder, die in Ambon was, over een counselingprogramma voor oorlogskinderen van de Universitas Gadjah Mada en Unicef in Yogyakarta. ‘Ik vertrouwde het niet’, vertelt Ronald. ‘Ik vroeg me af: wie is deze man, ik wil hem doden.’ Manuputty wist hem te overtuigen. Tijdens de workshop ontmoette Ronald lotgenoten uit de Indonesische conflictgebieden Poso en Atjeh. ‘Het verschil was dat zij bang waren, terwijl ik zo trots vertelde over wat ik had gedaan.’ Manuputty nam hem onder zijn hoede en bracht hem voor enkele sessies naar een psycholoog. Ronald ontmoette ook islamitische vredeactivisten als Wakano, een vriend van de dominee. Het was het begin van een de-radicaliseringsproces, waarover Manuputty vorig jaar in de bundel Keluar dari ekstremisme publiceerde. ‘Maar ik had nog altijd een grote afkeer van moslims’, zegt Ronald. ‘Totdat ik Iskandar ontmoette.’

Christenen en moslims delen een minibus in de buurt van Passo, Molukken, Indonesië © Chris Stowers / Panos / HH
‘Als je iemand doodt in de oorlog, moet je zijn lichaam eten en zijn bloed drinken: we hebben het meerdere malen gedaan’

De taxi met fourwheeldrive rijdt over de drukke weg die door Kebun Cengkeh slingert, het machtige moslimgebied op de heuvels bij de hoofdstad Ambon. Op straat zijn de meeste vrouwen en meisjes gesluierd. Sommigen dragen een niqab, waarbij alleen de ogen zichtbaar zijn, een dracht die voorheen sporadisch op de Molukken voorkwam maar sinds het conflict opgang heeft gemaakt. Na enig zoeken vindt de chauffeur het eenvoudige straatje waar Iskandar Slameth (34) met zijn familie woont. In de woonkamer met geel geverfde muren hangen een overzichtsfoto van Mekka en trotse afstudeerportretten van de kinderen. Op de buffetkast prijken porseleinen spulletjes en een nepboeket.

Iskandar, een vlotte prater die overwicht uitstraalt, oogt vandaag vermoeid met wallen onder zijn ogen. Hij vertelt hoe zijn ouders, ondanks de armoede waarin ze leefden, alles deden om hun zeven kinderen te laten studeren. Daarom liep hij als jongetje door de buurt met een schotel op zijn hoofd waarop de zelfgebakken cakejes van zijn moeder lagen die hij moest verkopen om het gezinsinkomen te helpen aanvullen. Het was zijn grote wens om later door Indonesië te toeren.

Hij was veertien jaar oud toen de Molukse oorlog een einde aan die droom maakte. In een chaotisch relaas vertelt hij hoe zijn familie moest vluchten en zijn vader op zoek moest naar eten. Hij slalomt om zijn leven als kindsoldaat heen. ‘Ik wil niet te boek staan als extremist of radicaal. Mijn familie vindt bovendien dat ik voorzichtig moet zijn met wat ik vertel. Ik wil het gevecht niet verheerlijken en ga er liever niet in detail op in.’

Steeds vaker komt zijn moeder de woonkamer binnenlopen. Als een leeuwin die haar jong wil beschermen. Tot ze bij het gesprek komt zitten en met een zachte blik naar haar zoon kijkt. ‘Mijn vader, die zelf een leider in de strijd was, verbood me mee te vechten. Maar ik vroeg toestemming aan mijn moeder. Om eerlijk te zijn, ik vocht vanaf het begin van de oorlog tot het einde mee. Ik was bij alle grote gevechten. Alleen als het rustig was, ging ik naar school’, zegt Iskandar, terwijl hij een nerveus trekje van zijn sigaret neemt.

Alles werd heftiger toen christenen een bom gooiden naar zijn broer, die zwaar gewond aan zijn voet raakte. ‘In het ziekenhuis waar ik hem opzocht, zag ik zoveel gewonden. Ik voelde alleen maar wraak. Ik heb een witte band om mijn hoofd gedaan en nam een kapmes.’ Iskandar behoorde tot de lokale moslimvechters die hulp kregen van duizenden strijders van de Laskar Jihad die vanuit Java naar de Molukken waren gekomen. ‘Ik heb medelijden met de slachtoffers, die zijn doodgeschoten, met messen in stukken zijn gehakt of door bommen zijn gedood.’ Hij heeft verdriet om de vele vrienden, familieleden en buren die hij verloor.

Het conflict zorgde voor een verstikkend leefklimaat. ‘Ik ben een natuurliefhebber en voelde me opgesloten in ons gebied dat zo beperkt in omvang was’, zegt Iskandar. Hoe groot was zijn opluchting toen de oorlog over was. ‘Het was geweldig om vrij te zijn.’ Hoewel hij ook bang was vermoord te worden als hij naar machtige christelijke wijken ging. ‘Ik kon er alleen heen als ik iemand uit die wijk kon vertrouwen. Onderweg checkte ik de hoogste gebouwen om te zien of er geen sluipschutters stonden.’

In 2006 meldde Iskandar zich aan voor een workshop. In het landelijke Gonzalo kwamen twintig islamitische en twintig christelijke kindsoldaten samen. Het kwam bijna tot een gevecht, herinnert Iskandar zich. Tot overmaat van ramp bleek hij een kamer met een christelijke kindsoldaat te delen: Ronald. ‘Ik kon niet slapen’, vertelt Ronald, ‘ik was zo bang dat Iskandar me misschien zou vermoorden. Ik bleef liever wakker zodat ik bij een aanval van hem de kans zou hebben om hem eerst te doden.’

Langzaam, door opdrachten te doen, wenden ze aan elkaar. ‘Toen werden we allemaal gevraagd om onze echte emoties op een stuk papier te schrijven’, zegt Iskandar met een diepe zucht. ‘Ik schreef dat ik de christenen haatte omdat zij een bom op de voet van mijn broer hadden gegooid.’ Op zijn beurt schreef Ronald hoe hij de moslims haatte. Het hoogtepunt kwam toen hun werd gevraagd om de briefjes één voor één in het vuur te gooien. ‘We verbrandden onze wraakgevoelens, haat, boosheid en bitterheid. Het voelde zo goed. Ik kan het niet beschrijven. Langzaam werden we een eenheid’, vertelt Iskandar. ‘Ik begreep dat ik moet leren te accepteren dat er ook christenen in mijn omgeving zijn, dat ik moet vergeven en zonder wraakgevoelens moet vergeten wat mijn broer is overkomen. In een conflict bekijken we alles vanuit ons eigen beperkte perspectief. We denken dat we altijd gelijk hebben. Maar ik hoorde het nu ook van een andere kant. Ik begon me te openen.’

Ronald maakte eenzelfde proces door. ‘We zijn slachtoffers van het conflict en moeten elkaar vergeven. We beloofden elkaar te beschermen en het negatieve beeld van de ander uit te wissen.’ Hij herinnert zich hoe ze elkaars voeten moesten wassen. ‘Voeten zijn vies. Dus als je elkaars voeten accepteert, accepteer je elkaar pas echt.’

Aan het einde van de workshop stond Ronald, die nogal stil was geweest, op. Hij sprak de woorden: ‘Ik hou van jullie allemaal. Ik vergeef jullie. Ook vraag ik om vergiffenis voor wat jou en je familie is aangedaan.’ Iskandar herinnert het zich als de dag van gisteren. ‘Toen begonnen we allemaal te huilen.’

Ronald Regang en Iskandar Slameth in de BBC-film Crossing Divides © BBC twitter

Op het balkonterras bidt Ronald voor hij aan zijn nasi goreng begint. ‘Ik heb ook vrienden die niet het geluk hadden dat ze zijn opgevangen zoals ik’, zegt hij na de lunch. ‘Zij gingen het verkeerde pad op. Ik heb weinig contact met mijn ouders, maar ik heb mensen om mij heen die ik kan vertrouwen. Dat is het allerbelangrijkste.’ Hij volgt een verplegersopleiding. ‘Ik wil mensen redden. Niet alleen patiënten met lichamelijke klachten, maar ook mensen met mentale problemen. Ik noem het: verplegen voor vrede.’ Hij moet nog één jaar, maar heeft geen geld om de opleiding af te maken. Zijn grote passie is dans. ‘Ik kan er mijn emotie in uitdrukken. Het maakt me vrij.’ In een eigen stijl combineert Ronald klassiek en modern. Hij geeft ook dansles aan kinderen.

In Kebun Cengkeh heeft Iskandar de voordeur dichtgedaan om de zwermen insecten buiten te houden, waardoor het bloedheet is geworden. Hij studeerde in 2009 af en werkt als IT’er. Nu heeft hij een contract als onderzoekscoördinator. Het leven lacht hem toe. In augustus is hij getrouwd met een collega uit Semarang. ‘Ze wist niets van mijn verleden als kindsoldaat, maar toen ik het haar later vertelde, was ze er oké mee.’

De twee ex-kindsoldaten zijn hechte vrienden geworden en zetten zich in voor jongeren. Ronald helpt met het organiseren van culturele bijeenkomsten en verzorgt bezoeken aan kerken en moskeeën. Iskandar richt zich op natuurbescherming, plant bomen en verzorgt koraal. ‘Bij onze activiteiten praten we nadrukkelijk niet over de oorlog of religie maar over onze gedeelde belangstelling’, zegt Iskandar. Het woord vrede is taboe. ‘Als je praat over vrede heb je het ook over het conflict en dan worden mensen emotioneel en boos. Het gaat om samen dingen doen. Op die ongedwongen manier, zonder dat we het ons realiseren, verzoenen we ons met elkaar.’

Ook maken de twee deel uit van het netwerk van ‘vredesprovocateurs’. Zodra er geruchten zijn over bijvoorbeeld gewelddadigheden die anderen kunnen aanzetten tot vechtpartijen en wraak pakken ze de telefoon om het bericht te checken. ‘Als het niet klopt en het een hoax is, plaatsen we de correcte informatie meteen op Facebook om de boel te sussen’, vertelt Ronald. ‘Ik voelde me zo schuldig. Ik wil de mensen laten zien dat we vroeger misschien moordden, maar nu positieve dingen doen. Als ik geen goede dingen doe, voel ik me leeg.’

Er is sinds de burgeroorlog veel vooruitgang geboekt, niettemin wonen de meeste mensen op Ambon in aparte christelijke en islamitische gebieden. ‘Ik ga zelf overal heen en blijf desnoods slapen’, zegt Josep Ufi, die op de Pattimura Universiteit op Ambon conflictbeheersing doceert en vroeger ook in Maastricht heeft gestudeerd. ‘Maar ik zie ook dat mensen nog angst hebben. Niet iedereen in dezelfde mate, maar in bepaalde situaties komt het naar boven. We zijn niet helemaal zeker over de huidige situatie en wat de toekomst zal brengen.’

‘Ik wil de mensen tonen dat we vroeger misschien moordden maar nu positieve dingen doen. Als ik geen goede dingen doe, voel ik me leeg’

Een christelijke schooljuf rilt als ze uitlegt dat ze niet in haar eentje door een groot islamitisch gebied durft. Op haar beurt vertelt een jonge islamitische vrouw dat ze te bang is om naar verder gelegen christelijke gebieden te gaan. ‘Met de mond belijden mensen dat het vrede is, maar niet met hun hart’, zegt ze, terwijl ze tegen haar tranen vecht en smeekt haar naam niet te noemen. Haar christelijke vrienden bezoekt ze niet omdat de borden waarop het eten wordt geserveerd niet halal zijn en ze bang is voor honden. Als ze op een avond meerijdt naar een afspraak diep in christelijk gebied blijft ze in de auto op de parkeerplaats zitten waar ze haar hoofddoek af doet om niet als moslim herkend te worden.

‘Het is nog altijd een groot karwei’, zegt Jacky Manuputty over het vredesproces. ‘We zitten in de overgang van negatieve vrede, waarbij er geen geweld meer is, naar het begin van positieve vrede. Maar om dat proces verder te brengen is een hele klus. Het is een gewond eiland. Achter onze liederen zit een fragiele realiteit. Het valt niet mee om vertrouwen op te bouwen in een samenleving die zowel geografisch als mentaal gesegregeerd is.’

Aan die segregatie zal niet snel een einde komen, denkt Muhammad Nurdin Lating, die leraar Engels is en betrokken is bij de verbouw van ecologische nootmuskaat die naar Nederland wordt geëxporteerd. Op een wandeling door zijn kustdorp Hila in het islamitische noorden van Ambon laat hij de eeuwenoude moskee en het uit de voc-tijd stammende Fort Amsterdam zien. Dan wijst hij naar een overwoekerd stuk land. ‘Hier stonden de huizen van de vijftig christelijke families.’ Vijf eeuwen woonden er christenen in Hila, tot ze tijdens het conflict werden verjaagd. De verwoeste Immanuel Kerk is herbouwd, maar staat er eigenlijk als een museum. Er worden geen diensten meer gehouden. ‘De christelijke families willen niet terugkomen’, zegt hij met spijt in zijn stem. Lating begrijpt het. Als de christelijke jongeren ruzie zouden krijgen met de moslimjeugd van Hila kunnen ze het makkelijk oplossen. Maar wat als ze bonje krijgen met andere islamitische dorpen, waardoor de boel uit de hand kan lopen. ‘Als ze terugkeren wordt het voor iedereen een te grote last.’

Over het algemeen leven mensen liever te midden van hun eigen geloofsgemeenschap omdat het een gevoel van veiligheid geeft, stelt Lating. Wonen tussen de andere geloofsgroep, zeker als je de minderheid vormt, doet het trauma herleven en betekent spitsroeden lopen om geen problemen te krijgen. Docent Ufi is het met hem eens. Hij kocht een eenvoudig huis van moslimmigranten die niet wilden terugkeren naar het dorpje dat geheel christelijk was geworden. Hij acht de situatie echter nog te onzeker om een echt mooie woning te bouwen. ‘Het potentieel voor conflict is er nog altijd’, zegt hij. De vele militaire posten en kazernes op Ambon lijken dat te bevestigen.

In een café in Ambon-stad kijkt Senja (niet haar echte naam) om zich heen of niemand meeluistert. ‘Ik heb de oudere generatie opgegeven’, zegt de jonge islamitische vrouw. ‘De volwassenen zijn getraumatiseerd en brengen al hun angst en haat op ons over. Ze hebben een litteken op hun hart dat nooit is geheeld omdat ze met haat leven. Het kan ieder moment opspelen.’ Senja zegt dat ze niet naar afgelegen christelijke gebieden durft.

Molukkers moeten het duistere verleden vergeten, stelt Lating. ‘Want als we erover praten, zal het trauma alleen maar weer opspelen.’ Maar Senja vindt dat mensen hun gevoelens juist onder ogen moeten komen. ‘Zeg dat je bang bent. Want zolang je het niet uit, eet het je van binnen op, bouwt het zich op en explodeert het. We moeten moedig zijn en gaan praten. Alleen dan kunnen we vrede sluiten.’ Dominee Manuputty is het daarmee eens. ‘Om jezelf te kunnen helen, moet je je openen. Je kunt nooit vooruit als een been nog achter blijft.’ Hij bepleit een proces waarbij mensen eerst over allerlei kwesties praten waardoor ze vertrouwen opbouwen, om het vervolgens ook over gevoelige onderwerpen zoals het conflict te kunnen hebben. Hij ziet dat jongeren die geen verantwoordelijkheid of schuld aan de oorlog hebben opener zijn dan volwassenen en het verleden niet met zich mee willen zeulen.

Slechts enkelen zoals Manuputty, Iskandar en Ronald praten openlijk over hun eigen rol tijdens het conflict.

‘Eerst moet er vrede zijn, voor de waarheid gezegd kan worden’, stelt de zachtmoedige islamgeleerde Wakano, die tijdens de burgeroorlog buiten de Molukken verbleef. Hetzelfde geldt voor gerechtigheid. Voor het geweld op de Molukken zijn nauwelijks burgers, milities, strijders, militairen of politieagenten vervolgd. ‘Gerechtigheid is belangrijk’, stelt Wakano, ‘maar we zijn hier nog niet sterk genoeg voor. Het ligt gevoelig en is gecompliceerd. Als we dat boek openen, wordt het een lang verhaal. Het is een tijdbom. Het is belangrijker dat het geweld is gestopt en we denken aan vrede en het opbouwen van de economie. Waarheid en gerechtigheid zijn voor de toekomst.’

Ook Iskandar, die zou willen weten wie de bom naar zijn broer gooide, ziet de immense problemen met gerechtigheid. Er werden zoveel misdrijven gepleegd. Zoveel mensen, ook op hoge posities, waren betrokken. ‘Het klopt dat het een misdrijf is om kindsoldaten te gebruiken. Maar ik kreeg geen directe orders. Het was mijn eigen keuze om mee te vechten’, zegt hij.

‘Zeker’, reageert Manuputty op de vraag of hij in een andere situatie zelf vervolgd had kunnen worden. ‘Maar het was collectief geweld en het is belangrijker dat we als Molukkers collectief ons gevoel van schuld uiten dan dat we individuen naar de gevangenis sturen, want dat lost het probleem in de gemeenschap niet op.’

Josep Ufi vindt dat Molukkers überhaupt geen verantwoordelijkheid dragen, behalve wellicht christelijke leiders die kindsoldaten inzetten en strijders zegenden. ‘Het conflict kwam van buiten de Molukken, waarbij ik de rol van het leger onderstreep. In mijn opinie zijn christenen en moslims de slachtoffers.’ Bovendien werd het geweld in groepen gepleegd waardoor het lastig is te bepalen wie exact schuldig is aan het doden van slachtoffers. ‘De daders moeten verantwoording afleggen aan God’, zegt Ufi.

In schril contrast tot de straffeloosheid voor oorlogsmisdrijven op de Molukken staat het keiharde optreden van de Indonesische regering jegens Molukkers die voor een eigen Molukse staat pleitten. Zo werden in 2007 ruim zestig activisten opgepakt, gemarteld en veroordeeld. Zij zijn uiteraard geen criminelen maar politieke gevangenen, van wie een aantal nog vastzit.

‘Het is geen perfecte vrede, maar ik hoop dat de Molukken een laboratorium voor tolerantie zullen zijn’, zegt Wakano. Onlangs werd hij gesterkt in zijn vertrouwen. Hij verwijst naar het rapport van het Setara Institute, dat Ambon in december uitriep tot een van de tien meest verdraagzame steden van Indonesië. Die conclusie wekt wellicht verwondering. Maar toen vlak voor Kerst in Ambon-stad twee avonden lang op een podium voor de Maranatha Kerk Christmas Carols werden georganiseerd waarbij tientallen koren, dansgroepen, musici en zangers optraden, zeiden mensen: dit kan alleen op Ambon, elders moet je een zaal huren. Kunnen de Molukken dan toch nog als voorbeeld dienen?

Sinds ze vorig jaar hun verhaal aan de bbc toevertrouwden zijn Ronald en Iskandar niet alleen op Ambon, maar ook ver daarbuiten bekende personen. ‘Toen de reportage werd uitgezonden, waren mijn vrienden zo trots. Ik moest natuurlijk meteen trakteren’, lacht Iskandar. Maar er waren ook boze reacties van personen die beweerden dat de twee niet de waarheid spraken. Ronald: ‘Ik werd bedreigd door mensen die me zouden vermoorden als ze me op straat tegen zouden komen. In het begin was ik bang, maar daarna niet meer. Ik geef niet op.’

Over het algemeen waren de reacties overweldigend. De twee traden op in tv-shows, gaven interviews. Niet alleen de staf van de president wilde met hen praten, er kwam ook een uitnodiging van topmilitairen. Ze spraken studenten toe. In december traden ze samen op tijdens het nationaal cultuurcongres in Jakarta. Iskandar pakt zijn smartphone en toont een filmpje waarop te zien is hoe hij een gedicht reciteert terwijl Ronald op het podium danst. In februari bezoeken ze opnieuw twee steden. De jongensdroom om door Indonesië te reizen die Iskandar tijdens de oorlog verloor, gaat alsnog in vervulling.

Op de vraag of ze nu beroemd zijn, barst Iskandar in lachen uit. ‘Nee, zo voel ik me niet. Alhamdulillah, ik wil mensen op het hart drukken: oorlog is verschrikkelijk. Kijk naar de gewonde Molukken. Zet je in voor het behoud van goede onderlinge relaties.’ Tegelijk is het best een verantwoordelijkheid om vredesambassadeur te zijn. ‘Ik moet opeens wijs zijn en me goed presenteren’, zegt Iskandar. ‘Samen is het wel gemakkelijker te dragen’, zegt Ronald.

Voor Ronald is de oorlog niet verdwenen. ‘Ik heb hoofdpijn. Ik zie alles weer voor me’, zegt hij als hij terugkomt met vier losse sigaretten die hij op straat heeft gekocht. ‘Ook als ik alleen ben, komt het allemaal terug. Dan ben ik bang en voel me naar. In mijn nachtmerries zie ik de mensen die stierven. Ze vragen me: breng mijn ziel terug. Maar het is belangrijk om mijn verhaal te blijven doen, om te zorgen dat zoiets vreselijks nooit meer gebeurt.’


Tjitske Lingsma deed in 1999 verslag van de oorlog op de Molukken en publiceerde Het verdriet van Ambon: Een geschiedenis van de Molukken, waarvoor ze in 2009 de Dick Scherpenzeel Prijs kreeg. Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten