Het gezicht een groot oog

Vladimir Nabokov, Een lach in het donker.
Vertaling Peter Bergsma.
Uitgeverij De Bezige Bij, 208 blz., f39,90;

Vladimir Nabokov, Bleek vuur.
Vertaling Peter Verstegen.
Uitgeverij De Bezige Bij, 289 blz., f49,90

MET DE publikatie van Een lach in het donker en Bleek vuur heeft De Bezige Bij een imposant project afgesloten: de (her)vertaalde uitgave van alle achttien romans van Vladimir Nabokov door de allerbeste vertalers (onder wie Kurpershoek, Bergsma, Verstegen, Verhoef, Brassinga en Commandeur). Als vorstelijk nagerecht zal dit voorjaar nog een herziene herdruk in twee delen verschijnen van Nabokovs verhalen: Een Russische schoonheid en Ultima Thule.

Dit project mag met recht een uitgeversdaad van formaat worden genoemd. Zou de uitgeverij nu alsjeblieft ook nog tot vertaling van Nabokovs Lectures on Literature (1980) en Lectures on Russian Literature (1981) kunnen besluiten? Deze lezingen zijn de postuum uitgegeven, eigenwijze Nabokov-colleges over lievelingsschrijvers als Gogol, Toergenjev, Tsjechov, Joyce, Proust, Kafka, Flaubert. Daarin leeft Nabokov zijn liefde uit voor het beeldende detail en een persoonlijke schrijfstijl. Lectures on Literature besluit met de lezing ‘The Art of Literature and Common Sense’, een hartstochtelijk pleidooi voor een wereld zonder gezond verstand, ver weg van welke politiestaat of prikkeldraadversperring ook, een wereld waarin de geest vrij kan waaien. 'Wat houden die irrationele normen precies in? Ze houden de superioriteit van het detail boven het algemene in, van het deeltje dat levendiger is dan het geheel, van het onooglijke dat een mens observeert en met een vriendelijk knikje van de geest begroet, terwijl de massa om hem heen door een gemeenschappelijke prikkel naar een gemeenschappelijk doel wordt gedreven. Ik neem mijn hoed af voor de held die een brandend huis binnenstormt en het kind van zijn buren redt, maar ik schud zijn hand als hij het heeft aangedurfd een stuk of vijf kostbare seconden te verspelen om, samen met het kind, naar zijn lievelingsspeeltje te zoeken en dat te vinden.’
De literatuur heeft voor Nabokov een levenslange liefde voor het onooglijke betekend. In zijn Ultima Thule - een fabelachtig land waarover Vergilius en Seneca al spraken, een land aan de rand van de wereld (als Zembla in Bleek vuur) - is het oog heer en meester. Het ultieme geluk bestaat uit het observeren van jezelf en anderen, bestaat 'uit niets anders dan een groot, ietwat glasachtig, ietwat bloeddoorlopen, strak starend oog’, zoals de mislukte zelfmoordenaar en verraderlijke verteller van de novelle Het oog het formuleert.
De onbetrouwbare, gestoorde of zelfs knettergekke verteller is geen uitzondering in het oeuvre van Nabokov. Ik denk met name aan romans als Wanhoop en Bleek vuur. Natuurlijk is Nabokov er altijd van doordrongen geweest dat er tenminste een essentieel verschil bestaat tussen een waanzinnige en een kunstenaar: de eerste heeft de vertrouwde wereld dan wel een kopje kleiner gemaakt, maar heeft die niet kunnen vervangen door een nieuwe wereld waarin de dingen dank zij de stijl en de toon van de schrijver een niet eerder vertoonde ordening en kleur krijgen. In De gave gebruikt Nabokovs alter ego niet toevallig een schaakmetafoor om dit literaire verlangen gestalte te geven: 'In feite is natuurlijk iedere echt vernieuwende tendens een paardesprong, een nieuwe val van schaduwen, een verschuiving die de spiegel in een andere positie brengt.’ De door paranoia geteisterde verteller van Bleek vuur, Dr. Kinbote, tevens een wel zeer megalomane bezorger van het lange gedicht 'Bleek vuur’ van de vermoorde buurman en vriend John Shade, omschrijft de echte kunstenaar als iemand die kan 'neerduiken op de vergeten vlinder der openbaring’, die zich kan 'losscheuren van de sleur der dingen, het web van de wereld zien, met de schering en inslag van dat web’. Dat uitgerekend Kinbote dingen ziet die er helemaal niet zijn en dat hij zelf gevangen zit in een web van hallucinaties, persoonsverwisselingen, verraderlijke spiegelingen en verminkte citaten, maakt juist een van de aantrekkelijkheden van Bleek vuur uit.
De literatuur is het domein van de verbeelding en de wensdroom, hoe ontspoord en hysterisch die ook moge zijn, zoals Bleek vuur laat zien. Zij is een vrijplaaats voor hen die dwars door de spiegel zijn gestapt, een spiegel waarvan de massa meent dat daarin het werkelijke leven wordt gereflecteerd. Nabokovs boeken - en zeker de pas verschenen romans Een lach in het donker en Bleek vuur - zijn het speelterrein van obsessieve misleiders en leugenaars die niets liever willen dan de dagelijkse, prozaische werkelijkheid doen oplichten. Is de natuur niet het indrukwekkendste voorbeeld van bedrog? In dat licht bezien kan ik Nabokov een naturalistisch schrijver noemen, want de natuur, waarin de rups zich ontpopt tot vlinder zonder dat iemand begrijpt waarom, is zijn grootste inspiratiebron geweest.
Nabokovs kunst heeft altijd een grenzeloze nieuwsgierigheid naar het breekbare in de wereld nodig gehad. En daarbij hoort de menselijke naiviteit, die hij zo scherp portretteert in de misbruikte hoofdpersoon van Een lach in het donker. In de eerste zin geeft Nabokov de plot al weg: 'Er was eens een man, Albinus genaamd, die in Duitsland woonde, in Berlijn. Hij was rijk, respectabel, gelukkig; op een dag liet hij zijn vrouw in de steek voor een jonge maitresse; hij had lief; werd niet liefgehad; en zijn leven ein digde rampzalig.’ Maar het is de zelfverzekerde schrijver om iets anders dan een plot te doen. Het vertellen levert plezier op en details zijn 'altijd welkom’. Het visioen van de kunstenaar is het verhaal van 'de gelukzalige reis van oog en penseel en een wereld volgens het recept van die kunstenaar, overgoten met de kleuren die hij zelf gevonden had!’
OVER DAT oog gaat het in Een lach in het donker (in het Russisch Kamera Obskura). Iemand kan blind worden, zoals Albinus door een auto-ongeluk, maar toch een visioen hebben of een visie of argusoog ontwikkelen; een ziende weet niet dat hij oogkleppen draagt. Een lach in het donker, een roman met zeer verrassende perspectiefwisselingen gaat ook over kunst en kitsch, over grofheid en ongevoeligheid, nepsentiment, valse flimwerelden en pseudo-verfijning. De kunstenaar/oplichter Axel Rex ziet de 'kunst van de karikatuur’ als een tegenstelling tussen wreedheid en lichtgelovigheid - precies het thema van Een lach in het donker. Albinus wordt door zijn blindheid 'gescheiden van zijn vroegere leven’. Axel Rex en maitresse Margot Peters bedonderen hem waar hij bij staat. Hij ziet niets - liefde maakt blind. Na het auto-ongeluk is hij echt blind, maar aan het slot van de roman is het 'alsof dat gezicht een groot oog was geworden’.
De regisseur van dit drama, dat tegelijkertijd een 'daverende klucht’ is, is natuurlijk Nabokov, God en duivel tegelijk, die als een onzichtbare meestermanipulator aan de touwtjes trekt: ’… een ongrijpbare, dubbele, drievoudige, zichzelf weerspiegelende, magische Proteus van een fantoom, de schaduw van veelkleurige glazen ballen die in een boog door de lucht vlogen, de schim van een goochelaar op een flikkerend gordijn…’
Deze regisseursdefinitie is perfect van toepassing op de verteller van Bleek vuur: John Shade. Deze schim of schaduw van de schrijver is een ware Amerikaanse Proteus. Hij schrijft een episch gedicht van 999 regels waarin de zelfmoord van zijn dochter centraal staat. Dat virtuoze gedicht voorziet hij via de geschifte verteller Dr. Kinbote (een afsplitsing van Shade zelf) van een 'waanzinnig’ commentaar, voortwoekerende voetnoten die uitgroeien tot een driedubbelzinnige roman en onherroepelijk uitlopen op de dood, 'de pointe van de grap die het leven is’ (Een lach in het donker). Of zoals Bleek vuur het verwoordt: 'Het leven is een grote verrassing. Ik zie niet in waarom de dood een niet nog grotere zou zijn.’
Het is onmogelijk om alle dubbele bodems, spiegeleffecten, gemaskerde citaten, vervalsingen, dubbelgangers in dit 'dagboek van een gek’ te noemen of zelfs maar aan te duiden. Alleen al de titel is een soort paasei verstopt in een weelderige taaltuin vol Shakespeare-allusies en Pope- verwijzingen. Tegelijkertijd is deze waanzinnige, erudiete roman een spannende detective, ook voor de lezer wiens hoofd niet gevuld is met de literatuurgeschiedenis van de afgelopen eeuwen.
En ten slotte is Bleek vuur een zeer persoonlijk boek, hoewel ik dat niet uit de roman zelf heb gehaald maar uit het tweede deel van de voorbeeldige biografie van Brian Boyd: Vladimir Nabokov: The American Years, 1940-1977 (1991). De zogenaamde moord op dichter John Shade, die in feite door hemzelf in scene en op schrift is gezet, grijpt plaats op de dag dat hij de laatste regel van zijn gedicht schrijft: 21 juli 1959. Op 21 juli 1922 werd Nabokovs vader, voorzitter van een Russische emigrantenorganisatie, in Berlijn doodgeschoten. Zijn opvolger heette Botkin, een naam die Nabokov ombouwde tot de onbetrouwbare Bleek vuur-verteller dr. Charles Kinbote, die zich hopeloos vereenzelvigt met de naar Amerika gevluchte Zembla-koning Charles.
Bleek vuur is niet alleen een poetisch boek over het leven dat langzaam maar zeker weglekt, het is ook een magistraal vermomde roman over persoonlijk gemis: het verlies van de vader en van het vaderland. Dank zij die verstrengeling van het particuliere en het algemeen 'humane’ is Bleek vuur geen koud of kil literair vuurwerk maar groeit het uit tot een geraffineerd 'emotioneel patroon’ dat zich niets aantrekt van ruimte-tijdbegrenzingen. Laat ik het waakzame oog van dichter John Shade, de schaduw van Nabokov het laatste woord geven: 'De blik/ Een zwerm van bijen, dat is ruimte. Tijd/ Een zoemen in mijn oren. Wie bevrijdt/ Mij uit die korf?…’