De rivier als Lorelei voor de stad van nu

Het gezicht naar het water

In Amersfoort en Venlo hebben opgepoetste idylles de burgers naar het water getrokken. Een bak zand en een batterij ligstoelen blijken voldoende om leven te brengen in de achterkamer van de stad.

De emancipatie van Amsterdam-Noord: die bewoording gebruikte burgemeester ­Eberhard van der Laan toen hij aankondigde dat de koning na zijn inhuldiging op 30 april een vaartocht over het IJ gaat maken. Te beginnen bij Eye, te eindigen bij het Muziekgebouw aan het IJ. Niet de overvolle Prinsengracht, niet de Amstel, maar het IJ heeft de voorkeur van de gemeente als feestlocatie. Dat betekent niet alleen een erkenning van de noordelijke oever als deel van de stad, maar onderstreept ook de status van het IJ als canal grande van Amsterdam.

Een koninklijke zegetocht waardig.

Hoewel je daar cynisch aan kunt toevoegen dat een waxinelichtjesgooier op die plas geen kwaad kan aanrichten, is het toch maar mooi zo dat Amsterdam de weg heeft teruggevonden naar het IJ, een weg die pakweg anderhalve eeuw was afgesneden. Was de pont ooit gevuld met havenarbeiders, nu staat hij vol met cultuurtoeristen, op weg naar Eye, Tolhuistuin en de dansstudio’s bij Stork. Wie had dat twintig jaar geleden kunnen denken. Daar komen nu ook rechters, advocaten en verdachten bij, die elkaar gaan treffen in het protserige Paleis van Justitie aan het Westerdok. Witte boorden hebben dus de plaats ingenomen van overalls. Er is een ‘maar’. Een promenade langs de noordoever zit er (nog altijd) niet in, onderbroken als die wordt door insteekhavens en door met hekken afgeschoten terreinen.

De rivier als substantieel onderdeel van de stad: we vinden dat tegenwoordig niet meer dan logisch, maar in feite is het een betrekkelijk jonge ontwikkeling. Hoe lang is het geleden dat Rotterdam de Kop van Zuid omtoverde tot woon- en werkwijk? En sinds wanneer bruist de Waalkade van Nijmegen? Hooguit 25 jaar, moet je vaststellen, en niet dan nadat de overheid durfde te investeren in de voormalige haven­gebieden: met een rechtbank in Rotterdam en een casino in Nijmegen. De kade, daar kwam je als burger niet zo makkelijk. Dat was het domein van binnenvaartschippers, van bevrachters en stuwadoors, daar stonden de kranen, de pakhuizen, daar snerpte het laswerk op de scheepswerven. Ga je wat verder terug in de tijd, dan zie je de stad van het water afgesneden door poorten en vestingwerken, waarvan de ­Montelbaanstoren en Schreierstoren in Amsterdam restanten zijn. En dan stroomde de kade bij hoogwater in het vroege voorjaar ook nog eens onder water. Niet bepaald omstandigheden om romantisch te flaneren. Totdat waterkeringen en dijkverhoging dat gevaar zoveel mogelijk hebben ingedamd. Of de bekkens buiten de steden waar het overtollige rivierwater tijdelijk kan worden geborgen. Getemde tijgers, dat zijn de Maas, Waal en Rijn tegenwoordig.

Dat de kade deel uitmaakt van de binnenstad, illustreer ik aan de hand van twee steden die ieder op hun eigen manier hun gezicht hebben omgedraaid: Amersfoort en Venlo. De Eem mag dan een onbeduidende stroom zijn, de oevers ervan herbergden in het verleden belangrijke plaatselijke industrieën. Er staat een kleine erfgoedcollectie, zoals de stoomblekerij Eemzicht waar naderhand de lijmfabriek Rohm Haas in trok, de poetsmiddelenfabriek Erdal en een negentiende-eeuwse luciferfabriek. Erdal – ik ken het vooral van schoensmeer – werd in 1936 vervangen door Prodent, dat onlangs is vertrokken. De tube is op een raadselachtige manier uitgeknepen, opgerold en verdwenen. Het Olie­molenkwartier heet de achterkant van Amersfoort, met een heuse oliemolen die sommigen nu in ere willen herstellen. Een schoorsteen midden in het verbouwde bureau van Zeep Architecten is een trotse maar werkeloze hommage aan dat industriële verleden.

Hoe abrupt de veranderingen in Amersfoort en Venlo verlopen, bewijst het stadsstrand Zandvoort aan de Eem, een Amersfoortse variant op Blijburg, en het park aan de Maas in Venlo. Dat park met zijn terrassen was nog niet lang ingeruimd als parkeerplaats voor Duitse koffiekopers. Trouwens, de hele Maasboulevard in Venlo was een droevige bestemming. Maas­boulevard, daarbij denk je niet bepaald aan aftandse sekswinkels, snackbars en coffeeshops. Er staat nu een schouwburg met uitzicht op de Maas en daarnaast een arcade met winkels en appartementen. In Amersfoort is – op schootsafstand van het stadsstrand – het Eemhuis in aanbouw, een cultureel centrum waar de kunsthal, de bibliotheek en culturele vorming voor scholieren onderdak krijgen. Gerenommeerde stedenbouwkundigen zijn in beide steden aan het werk gegaan: in Amersfoort het Duitse bureau Bolles Wilson, in Venlo Jo Coenen. De laatste heeft aangetoond dat hij industrieel bebouwde oevers kan ontsluiten. Dat is gebeurd bij Ceramique in Maastricht, het vroegere hoofdkwartier van Sphinx, en op het knsm-eiland in Amsterdam, het domein van scheepsbouwers.

Waar ik de afgelopen jaren ook kwam, ik raakte gefascineerd door deze overgangs­gebieden, geplaveid met steltonplaten waar het onkruid omhoog schoot. Dat Eemkwartier lag meer dan een decennium lang braak, omdat de ambities van de gemeente Amersfoort werden gefnuikt door de crisis. Een provinciestad met groeistuipen kan ook te veel hooi op zijn vork laden. Venlo leek te kampen met een identiteitsprobleem. Wilde graag concurreren met Maastricht en Roermond, maar miste een aansprekend imago, of het moest zijn de aantrekkingskracht op koopjesjagers en drugstoeristen. Het ‘Stedje aan de Maos’ liet zich uitgerekend aan de Maaskade van zijn beroerde kant zien. Om het verval daar te stuiten, lanceerde de gemeente het Q4, een plan om ruïneuze straten te vervangen door kwaliteitsarchitectuur.

Het duurde lang, te lang naar de zin van de Venlonaren, maar stedenbouw aan de rand van de binnenstad is een kwestie van lange adem. Voorbeelden zijn Ceramique Maastricht en – opnieuw – de IJ-oevers in Amsterdam waar decennia over heen zijn gegaan. Want het zijn aantrekkelijke maar ook lastige gebieden. Ze vragen om grote ambities van grote architecten (Rem Koolhaas was de eerste die in Amsterdam een string of pearls schetste), maar de verlaten kades zijn niet automatisch te bewonen of bruikbaar. Voormalig Rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra omschreef de voormalige havenbekkens ooit als ‘een grote bak met water’ waar een architect met stevige gebaren moet komen. Dat was in een tijd dat de gemiddelde woningzoeker nog hechtte aan kleinschaligheid, een huis met een tuintje. Kijk naar het IJplein en sommige bebouwing op Borneo/Sporenburg in Amsterdam en constateer dat voorzichtige architectuur daar niet werkt. Een haven is geen gracht.

In de tussentijd – totdat iemand met een goed plan komt – is het stadsstrand de uitkomst. Een bak zand en een batterij ligstoelen zijn voldoende om leven te brengen in de achterkamer van de stad. Niet alleen in Amersfoort, maar ook in Haarlem, Utrecht en Rotterdam hebben deze opgepoetste idylles de burgers naar het water getrokken. Pootjebaden, laat staan zwemmen is er uiteraard niet bij, wel het ruimtelijk gevoel van stromend water. Als er geen zee in de buurt is, is dit een gunstig alternatief.

Het is niet uitsluitend de bouwcrisis waardoor de bebouwing van de rivieroever vertraging oploopt. De kwade genius lijkt vooral een gebrek aan programma, zoals architecten en ontwikkelaars dat zo graag noemen. Wonen akkoord, maar wat verder? In Amersfoort loopt het smaakvol geplaveide Eemplein (Buro Sant en Co) af naar de Eem. Dat plein wordt omzoomd door een megabioscoop (Kees Rijnboutt), het Eemhuis (Neutelings Riedijk) en de gebruikelijke winkelketens. Er is geput uit de eredivisie van de architectuur. Aan de overzijde van de rivier lonkt een opvallend blok met een eigentijdse daklijst van FAT Architecture, een o zo hippe studio uit Londen. Die parafrase op de traditionele top van een grachtenpand is in ieder geval goed voor een discussie in het naburige grand café. Als die discussie voorbij is, zien we scherven. De lege plekken die achterblijven in de Amersfoortse binnenstad, zoals de Zonnehof van Rietveld dat al lang wacht op een nieuwe bestemming. Het is het gevolg van de weg­zuigende kracht van het Eemplein.

Jo Coenen zelf ontwierp voor Venlo een soort stadsmuur aan de kade die herinneringen oproept aan de vestingwerken en stadspoort die hier in het verleden hebben gestaan. Dat kan een in de oorlog gebombardeerde stad als Venlo wel gebruiken. Theater de Maaspoort, een bakstenen gedrocht uit 1984, is door het Limburgse bureau BIC Architects behendig ingepakt in glazen foyers en balkons. So far so good. Een punt is gezet. Maar de winkelketens die het onmiddellijk al op uitverkopen hebben gezet, doen het ergste vrezen. Het winkelende publiek weet de weg naar de nieuwe straatjes kennelijk nog niet te vinden. Waarom zou men ook: hoeveel Zeemannen kan een provinciestad verdragen?

Coenen tekent al sinds 1992 aan de weerbarstige kade van Venlo. Of hij een Crystal Palace naast de Maasbrug wilde ontwerpen, zo luidde het merkwaardige verzoek van een ontwikkelaar destijds. Vervolgens brak een decennium aan van overleg, toestemming, afkeuring en talloze schetsen. Makkelijk is de casus Venlo niet. Omdat het Maaswater tien meter kan stijgen, moest Coenen wel een robuuste kade ontwerpen. Hij maakt de vergelijking met de Oudegracht in Utrecht, die een boven- en benedenwereld met elkaar verenigt. Een andere opdracht luidde de vergroting van het winkelareaal van de compacte binnenstad, het zogeheten winkelrondje. Dat betekent dat hij zowel een achterkant als voorkant moest bedenken, de achterkant gericht naar de binnenstad en de voorkant naar de Maas. Binnen de muur en buiten de muur, zegt hij zelf. Een hybride waterkant is het gevolg: een stad met het aanzicht van een fort die tegelijk zijn gezicht wil tonen naar de Maas. En dan is er nog de bestaande bebouwing, kleine huizen met schuine kappen gelegen aan smalle straten. Dat gegeven moet je respecteren, vindt Coenen. Nog niet lang geleden lag Venlo aan de rand van een armoedige streek. Een gebied met aspergestekers en tuinders. De genius loci, zegt hij, is er een van verbondenheid met de geschiedenis. Een stedenbouwkundige mag die niet platwalsen met grote gebaren.

Zie daar het dilemma. En toch kruipt de stad naar de rivier die ter plekke een flauwe bocht beschrijft. Op de vraag waarom dat niet eerder is gebeurd, heeft de stedenbouwkundige ­Coenen een simpel antwoord. Er was geen noodzaak toe, de Maas nodigt niet uit tot ­recreatieve bezigheden. ‘Venlo is Boedapest niet. Daar stroomt de Donau tussen twee gelijkwaardige ­stadsdelen.’

In dat licht bekeken is het zo gek nog niet dat de koning op 30 april in Amsterdam van Noord naar Zuid dobbert over het IJ. Nee, ook Amsterdam is Boedapest niet, maar het begint erop te lijken.