Het gezin

Moeder staat als eerste op en wekt de kinderen. Zij gaat vast naar beneden om het ontbijt klaar te maken. Zij zet het water voor de thee op en dekt de tafel. Daarna gaat zij weer naar de slaapkamers op de bovenverdiepeing en helpt de jongste met aankleden. De kinderen komen naar beneden en krijgen eerst pap en daarna een boterhammetje. Moeder snelt intussen weer naar boven om vader te wekken. Hij bromt wat en zegt: goedemorgen lieve vrouw. Even later komt ook hij aan het ontbijt. Vader en moeder leren de kinderen samen manieren. Met twee woorden spreken, niet plagen, zachtjes praten, niet morsen.

Na het ontbijt gaan de kinderen met vader mee naar boven om te kijken hoe hij zich scheert zodat moeder rustig zijn boterhammetjes voor tussen de middag klaar kan maken en het ontbijt kan afruimen. Vader en de kinderen komen weer naar beneden. Vader vertrekt en geeft moeder en de kinderen een zoen. Moeder brengt de kinderen naar school als ze in de stad wonen, in een dorp worden de kinderen uitgewoven en lopen ze rustig de plattelandsstraat af.
Moeder maakt de bedden op en doet de was. Zij gaat vervolgens boodschappen doen, maar zorgt dat ze tussen de middag in de stad de kinderen haalt en naar huis loopt, in het dorp is zij weer thuis voor de kinderen.
Rustig bespreken moeder en de kinderen de gang van zaken op school. De kinderen vertrekken weer, in de stad met moeder, buiten de stad zonder.
Om vier uur drinken ze thee. Om kwart voor zes komt vader weer thuis. Hij geeft ze een kus en vraagt of er nog iets gebeurd is.
Nee, zegt moeder, en hoe was het op je werk? Goed, zegt vader.
Moeder kookt, ze eten, moeder wast af en brengt de kinderen naar bed. Vader komt ze nog even instoppen. Een heerlijk gezin!