INTERVIEW MET ANDRÉ ROUVOET  

‘Het gezin komt zo dichtbij’

De reacties op zijn beleidsvoornemens als minister voor Jeugd en Gezin doen André Rouvoet, partijleider van de ChristenUnie zich wel eens afvragen hoe ’t zit met de democratische gezindheid. ‘Het venijn verbaast me soms.’

‘NATUURLIJK IS HET NIET GEK dat als hulpverleners meer oog krijgen voor de ontwikkeling van het kind, beter zien wanneer jeugd ontspoort of een kind wordt mishandeld, dit de vraag oproept: neem je als samenleving nu niet de opvoeding over van de ouders?’ Dat maakt volgens André Rouvoet zijn ministerschap juist zo spannend: ‘Omdat de overheid zich in principe niet mag mengen in het privé-leven moet zij de grens goed in de gaten houden. Maar waar die ligt, is niet voor alle tijden en voor iedereen hetzelfde. Daar moet het politiek-maatschappelijke debat over gaan. Partijen als de VVD of de PVV vinden dit kabinet te betuttelend. Maar dat zijn wel de partijen die van moslimgezinnen eisen dat binnen het gezin Nederlands wordt gesproken en geen hoofddoekjes worden gedragen. Ik constateer dan toch een dubbelheid in hun spreken.’
Zeg gezinspolitiek en de gemoederen lopen op. De eerste minister met de portefeuille Jeugd en Gezin weet dat. Toch zegt Rouvoet aan het begin van het gesprek dat gezinspolitiek, als het om de rol van de overheid gaat, te vergelijken is met industriepolitiek, over het algemeen toch een veel minder emotioneel beladen onderwerp. ‘Op het terrein van de industriepolitiek zet de overheid ook in op ondersteunen en versterken, maar gaat ze niet op de stoel van de ondernemer zitten. Dat is in de gezinspolitiek in essentie niet anders, die wil de eigen kracht van gezinnen versterken en ze ondersteunen als dat nodig is, maar de verantwoordelijkheid blijft bij de gezinnen. Gezinspolitiek richt zich in de eerste plaats op het voorkomen van problemen.’
Toch druist de vergelijking met de industriepolitiek in tegen je gevoel. ‘Ik snap het mechanisme wel. Als het om gezinspolitiek gaat, is de reactie: wacht even, gaat dat niet te snel. Het gezin komt zo dichtbij. Maar ik merk dat de kritiek vaak irrationeel is. Hoe lang bestaat de kinderbijslag al niet? Blijkbaar vonden wij het begin jaren zestig belangrijk om gezinnen met kinderen te ondersteunen. Dat is ook gezinspolitiek, maar dat vergeet men.’
Vooral in de reactie van de oppositiepartij VVD op het Elektronisch Kinddossier ziet Rouvoet ‘irrationele elementen’. Zonder het bij naam te noemen, refereert de minister aan het schaamhaardebat dat onlangs ontstond, nadat de VVD had gesuggereerd dat alle kinderen in hun puberteit intieme vragen van de schoolarts moeten gaan beantwoorden over hun schaamhaar. ‘Niet gehinderd door enige kennis zet men de digitalisering van de dossiers van de jeugdartsen weg als staatsbemoeienis. Tegen beter weten in doen VVD en D66 het voorkomen alsof die informatie van alle vier miljoen kinderen bij mij op het bureau ligt. Uit hun reactie spreekt wantrouwen tegen de professionals van de jeugdgezondheidszorg, alsof die een perverse belangstelling hebben voor kinderen. Dat sloeg echt nergens op. Het project is nota bene mede onder verantwoordelijkheid van VVD-minister Hans Hoogervorst op poten gezet.
Natuurlijk is het waarborgen van de privacy belangrijk. Daar kunnen we een zindelijke discussie over voeren. Maar sommige Kamerleden weigeren structureel te verdisconteren dat een bezoek aan het consultatiebureau vrijwillig is, dat ouders niet hoeven te antwoorden op vragen als ze dat niet willen en dat alleen de behandelend artsen van de jeugdgezondheidszorg in het digitale dossier kunnen kijken. Als je dan toch doet alsof de staat alle informatie over alle kinderen wil, wil je of kun je het niet begrijpen.’
Hoe komt het dan dat velen, ook los van dit incident, de indruk hebben dat de overheid meer en meer in het gezin binnendringt? ‘De idee over wat tot de privé-sfeer hoort, verandert. We zien als samenleving meer en willen ook meer zien. Gelukkig gaat het in het merendeel van de gezinnen goed, maar we berusten er niet meer in dat zich binnen de autonomie van het gezin misstanden kunnen ontwikkelen. Je moet als hulpverlener altijd een goede legitimatie hebben om een gezin binnen te komen. Door die verandering van opvattingen doen we dat nu eerder dan vroeger, maar het moet om ernstige misstanden gaan. Wat er gaande is, is een expressie van maatschappelijke opvattingen. In de discussie daarover vind ik het op het kwalijke af als mensen met een beroep op vrijheid blokkerend werken bij het bestrijden van kindermishandeling.
Voorheen speelden de zuilen een belangrijke rol in deze collectieve waardeontwikkeling. Door de secularisatie en individualisering is dat veranderd. Collectieve waardeontwikkeling is niet alleen minder vanzelfsprekend geworden, het gevolg is ook dat vaker dan voorheen naar de overheid wordt gekeken: staat, stel de normen waar wij als collectief om vragen.
Waar men bijvoorbeeld anders over is gaan denken, is het slaan van kinderen. Dat was vroeger gewoon. Het was privé, de staat bleef er buiten. Maar inmiddels is er een verbod op het slaan van kinderen. De norm is nu dat het slaan of vernederen van kinderen niet gepast is.
Je ziet dat ook op andere terreinen. Neem maatschappelijk verantwoord ondernemen. Vroeger letten we daar niet op, maar nu accepteren we het niet meer als bedrijven het milieu vervuilen of in hun personeelsbeleid discrimineren. Wij zijn eisen gaan stellen. Dat kun je interpreteren als het oprukken van de staat, maar ik zie het als een uiting van de samenleving dat we bepaalde zaken niet meer pikken en naar de overheid kijken om het te helpen veranderen.’

Uit alle aandacht in de media voor wantoestanden in het gezin waarin sommige kinderen opgroeien, doemt een beeld op alsof het slecht gaat met het gezin. Heeft de actievere rol van de overheid ook daarmee te maken? ‘Zo wil ik het niet stellen: dat gezinnen nu slechter zijn dan vroeger. Wel is de idee over wat we bijvoorbeeld onder kindermishandeling verstaan veranderd. Vroeger was daar sprake van als je een kind in elkaar sloeg. Inmiddels hebben we het ook over ernstige verwaarlozing. Dan moet je denken aan kinderen die structureel zonder eten naar school worden gestuurd. Ook het getuige zijn van geweld tussen ouders valt onder kindermishandeling.
Laat ik een kwetsbare vergelijking maken, ik weet dat het een teer onderwerp is. We kennen in Nederland gelukkig de scheiding van kerk en staat. Toch bemoeit de overheid zich ermee als een imam zich te buiten gaat en oproept tot geweld. Die opvatting zouden wij dertig jaar geleden niet hebben gehuldigd. Gaat het dan slechter met alle geestelijke genootschappen in dit land? Nee, we vinden dat we grenzen moeten stellen, omdat daar nu aanleiding toe is.’
Onlangs verscheen het bericht dat kinderrechters sneller dan voorheen kinderen uit huis plaatsen. Het zou een reactie zijn op de onthutsende verhalen van Savanna en het Maasmeisje, beiden gedood door een eigen ouder. Is de balans naar de andere kant doorgeslagen en dreigen kinderen daar nu de dupe van te worden? Rouvoet spreekt dit tegen. ‘Het klopt dat kinderen vaker onder toezicht worden gesteld, maar dat komt omdat we meer oog hebben voor wat er fout kan gaan binnen een gezin. Als gevolg van die toename zijn er ook meer uithuisplaatsingen, maar dat aantal houdt gelijke tred met het aantal ondertoezichtstellingen en loopt niet sterker op.’
Maar hij erkent hoe hard het is, elke uithuisplaatsing op zichzelf: ‘Natuurlijk is het elke keer een dilemma. Dat een baby wordt weggehaald bij verstandelijk gehandicapte ouders is hartstikke pijnlijk. Maar ik geef je op een briefje dat de samenleving op z’n kop staat als het een keer fout gaat. Ik zie de krantenkoppen al voor me: “Bureau Jeugdzorg faalt weer”. Wij politici moeten die beslissingen overlaten aan de deskundigen.
Natuurlijk kunnen wij wél discussiëren over de algemene normen voor een ondertoezichtstelling. Dat gaat binnenkort ook gebeuren, want de drempel daarvoor is nu te hoog. Volgens de huidige wet moet er sprake zijn van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind. Met het nieuwe wetsvoorstel wil ik dat veranderen, zodat de kinderbescherming ook in actie kan komen als de bedreiging minder ernstig is. De wet ligt nog voor advies bij de Raad van State, dus laat ik het erop houden dat er van alles mis moet zijn in het opvoedklimaat in een gezin. Daar gaan we straks in de Kamer over praten, zodat we daar als samenleving een opvatting over hebben.’

Heeft de minister de indruk dat zijn christelijke achtergrond het hem extra moeilijk maakt om zijn beleid goed over het voetlicht te krijgen? ‘Ik moet wel eens lachen om de columns en commentaren. Maar soms heb ik de indruk dat de betrokkene er überhaupt moeite mee heeft dat er een minister is van een christelijke partij, of dat er sprake is van oude frustraties. Dat spreekt des te scherper als het dan ook nog op de portefeuille Jeugd en Gezin is. Het is niet verrassend dat het dan op mij is gericht.
Maar het venijn verbaast mij wel. Reacties zijn soms ook ridicuul, omdat ze zich richten op bestaand beleid. Dan blijkt dat het niet zozeer daarom gaat, maar simpelweg om de deelname van een uitgesproken christelijke partij aan de regering. Dat is uit het oogpunt van democratische gezindheid zeer bedenkelijk. Jan Blokker heeft eens geschreven: de christenen krijgen weer praatjes. Blijkbaar mogen gelovigen zich niet van iedereen mengen in de politiek, al durven ze dat dan over moslims niet hardop te zeggen.
Het gemak waarmee vanuit een libertijns wereldbeeld werd geschreven ten tijde van het debat over embryoselectie. Dat dit in columns gebeurt, is één ding, maar het niveau van sommige commentaren toen! Dat waren soms publieke scheldcommentaren. Al dat venijn. Zo denigrerend ook. Alsof een gehandicapt kind mij niet kan schelen. Dat heeft me diep geraakt.’