Jean Baudrillard: waarom ja-dwang tot nee leidt

Het goddelijke Europa

Het nee van veel kiezers bij het grondwetreferendum is geen stem tegen een verenigd Europa, maar tegen het vanzelfsprekende ja van de macht. Hoe harder regeringen daarvoor campagne voeren, des te luider zal het nee van hun gegijzelde burgers klinken.

Het is hoe dan ook een bekeken zaak, want als het nee ditmaal zegeviert, zal men ons nog eens en nog eens laten stemmen tot het ja heeft gewonnen, zoals eerder vertoond in Denemarken en Ierland (dus stem nu maar meteen «ja»…).

Dat geeft ons alle vrijheid om na te denken over de opgang van het nee in de loop van april en over de redenen voor die koppige en stilzwijgende afwijzing. Want alleen die baart opzien. Waar de herbevestiging van het ja gelijkstaat aan hervatting van een onvermijdelijke normalisering wekt enkel de tegenstem verbazing. Een tegenstem die allerminst sa menvalt met het nee van de officiële tegenstanders, wier politieke argumentatie al even zon derling aandoet als die van de voorstanders. Dat politiek geïnspireerde nee zou trouwens nooit in staat zijn de opiniepeilingen in vuur en vlam te zetten, en het zakt dan ook langzaam terug onder druk van het ja.

Het belangwekkendste, het enige opwindende aspect van dit op gezichtsbedrog be rustende referendum is die tegenstem die schuilgaat achter het officiële ja, het nee dat zich vanaf gene zijde van de politieke rede blijft verzetten en dat kennelijk zo’n gevaar vormt dat alle inspanningen en alle machthebbers moeten worden gemobiliseerd voor de verdediging van het ja. Die panische samenzwering bewijst wel dat er een lijk in de kast zit.

Dit nee is overduidelijk een automatische, onmiddellijke reactie op het ultimatum dat dit referendum van begin af aan is geweest. Een reactie tegen de coalitie van de betweters, van het goddelijke Europa vol van universele aanspraken en een ongenaakbaar gelijk, een reactie op de categorische imperatief van het ja waarvan de voorstanders geen moment hebben bevroed dat hij zou uitgroeien tot een uitdaging en dat ze de handschoen zouden moeten opnemen. Het is dus geen nee tegen Europa, het is een nee tegen het ja als onontwijk bare vanzelfsprekendheid.

Niemand verdraagt de arrogantie van een voorgekookte overwinning, ongeacht de redenen ervoor (die juist in het geval van Europa niet minder dan virtueel zijn). De uitslag staat al vast, al wat van ons wordt verlangd is onze instemming, een ja tegen het ja. Achter die versleten formule gaat een vreselijke mystificatie schuil. Dit ja is niet meer zozeer een ja voor Europa of zelfs voor Chirac of de liberale orde. Het is een ja voor het ja geworden, voor de overeengekomen orde; een ja dat niet meer dienst doet als antwoord maar als de eigenlijke inhoud van de vraag.

We worden onderworpen aan een waar achtige europositiviteitstoets. En dat onvoorwaardelijke ja roept spontaan, door een reactie die tegelijk voortkomt uit trots en zelfbehoud, een even onvoorwaardelijk nee op. Als je het mij vraagt is het werkelijke raadsel de vraag waarom er geen gewelddadiger en massaler reactie volgt vóór het nee en tegen deze ja-knikkerij.

Er is zelfs geen politiek besef nodig om tot die reflex te komen; het is de automatische ontbranding, uitgelokt door het pact van al diegenen die aan de goede kant van de universele orde staan en de anderen naar de schemering van de Geschiedenis verwijzen. Waarop de krachten van het ja en van het Goede zich hebben verkeken, dat zijn de perverse bijwerkingen van die superioriteit van het Goede, en het min of meer heldere onbewuste dat ons zegt dat we nooit gelijk moeten geven aan wie het al heeft. Reeds ten tijde van «Maastricht» (1991 – red.) en de 22ste april (eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen in 2002, waarbij de radicaal-rechtse Jean-Marie Le Pen de socialist Lionel Jospin versloeg – red.) wilden de politiek correcte krachten, of ze nu van links of rechts waren, niets weten van die stilzwijgende anders denkendheid.

Want deze hartgrondige afwijzing is allesbehalve het gevolg van «negatieve stemmingmakerij» of kritisch gedachtegoed. Het is een antwoord in de vorm van een eenvoudige en directe uitdaging aan een hegemonistisch be ginsel van hogerhand, waarvoor de wil van de volken slechts een neutrale meetwaarde is, of zelfs een lastig obstakel. Het staat buiten kijf dat voor dit, volgens een simulatiemodel ontworpen, Europa, dat tegen elke prijs op de werkelijkheid moet worden geprojecteerd en waar bij een ieder zich verplicht moet neerleggen, dat voor dit virtuele Europa als naadloze kopie van de wereldmacht de volken slechts een marscolonne vormen die goedschiks of kwaadschiks in het project moeten worden opgenomen om als alibi te dienen.

En de zittende macht heeft alle reden om steeds opnieuw beducht te zijn voor het referendum en voor elke directe uitdrukking van een politieke wil die, eenmaal waarachtig vertegenwoordigd, roet in het eten zou gooien. Daarom zijn het de parlementen die in de meeste gevallen de operatie moeten bijschaven en zoetjesaan doorvoeren.

Maar we zijn gewend aan die verduistering van de opinie en van de politieke wil. Nog maar pas geleden kon de Irak-oorlog plaatsvinden dankzij een internationale coalitie van alle machthebbers tegen de massaal en spectaculair tot uitdrukking gebrachte wil van alle volken. Europa krijgt momenteel gestalte volgens precies hetzelfde model. Het verbaast me overigens dat de aanhangers van het nee geen gebruik maken van dit prachtige voorbeeld, deze spetterende première van de totale verachting voor de stem der volken.

Het belang van dit alles stijgt ver boven de episode van het referendum uit. Het betekent het failliet van het principe van vertegenwoordiging, voorzover de vertegenwoordigende instellingen in het geheel niet meer functioneren in «democratische» richting, dus vanuit het volk en de burgers naar de macht, maar in de tegenovergestelde richting, vanuit de macht naar beneden, met behulp van de valstrik van een volksraadpleging en een terugkerend vraag-en-antwoord-spelletje waarbij de vraag louter zichzelf met ja beantwoordt.

Aldus dient zich, in het hart van de politiek, het failliet van de democratie aan. En als het electorale stelsel, toch al ondermijnd door stemonthouding, tegen elke prijs moet worden behouden (nog belangrijker dan het ja is de categorische imperatief dat er tegen elke prijs gestemd moet worden), dan is dat omdat het in tegenovergestelde richting werkt van een echte vertegenwoordiging, door besluiten af te dwingen die zijn genomen «in naam van het volk», ook al denkt dat volk in het geheim het tegenovergestelde.

De drijvende kracht achter deze onmiddellijke gevoelsontlading tegen het Europese «eenheidsdenken» in de vorm van dat zogenaamd liberale ja van een Unie die bij ontstentenis van enig ander uitgangspunt zichzelf maar oprekt en doorgroeit door middel van opeenvolgende annexaties (overeenkomstig de voorstelling van de wereldmacht) – achter dit al besproken nee en de afwijzing van dit specifieke Europa zit een voorgevoel van een heel wat ernstiger uitholling dan de machtsovername van de markt en de supranationale instellingen: de uitholling van elke ware vertegenwoordiging, met als eindresultaat dat de volken enkel nog de rol krijgen toebedeeld van figuranten van wie van tijd tot tijd een gebaar van instemming wordt verwacht.

Ten aanzien van de afloop blijft echter een zekere spanning bestaan: als de brutale hegemonie van het ja inderdaad, zoals het zich laat aanzien, voldoende is geweest om de opwelling van het nee te veroorzaken, dan moet de heropleving van de ja-campagne logischerwijs een nog krachtiger nee oproepen. Maar het is niet gezegd dat dit nee uit de diepte van wat ooit de zwijgende meerderheid werd ge noemd, bestand is tegen grootscheepse misleiding. Het lijkt er toch op dat we geleidelijk zullen terugkeren naar het systeem van gereguleerde overeenstemming onder bezielend toezicht van alle heersende machten.

Ongeacht de uitslag is dit referendum, ingeklemd tussen een ja en nee gelijk de 0 en 1 van het numerieke stelsel, niet meer dan een doorgangsstadium. Europa als geheel is niet meer dan een doorgangsstadium op de weg naar een veel ernstiger lotsbestemming, die van de teloorgang van de collectieve soevereiniteit. Aan het einde daarvan tekent zich een ander profiel af dan dat van de passieve of gemanipuleerde burger: dat van de burger-gijzelaar, de door de macht ontvoerde burger, oftewel – omdat de gijzelneming het zinnebeeld van het terrorisme is geworden – een democratische vorm van staatsterreur.

Dit artikel verscheen op 17 mei in het Franse dagblad Libération

Vertaling: Aart Brouwer