Jacob Groot , Adam Seconde

Het goddelijke van pornografie

Af en toe, eens in de veertig jaar, verschijnt er een roman die alle andere romans van schrik doet verbleken. Denk je net dat in Nederland de romankunst bloeit, dat het allemaal wel meevalt met de neergang ervan, verschijnt er ineens een krankzinnig werk van Jacob Groot.

Jacob Groot, Adam seconde, € 19,90

Medium groot   adam seconde

Zo kan de romankunst dus ook, besefte ik, even dreigde ik dit de laatste jaren te vergeten. Na lezing van Groots boek wist ik weer hoe het allemaal anders kan in romans. En misschien anders moet. Gewone romans kan iedereen wel schrijven, en dat doet iedereen ook, daar heb je de cursussen voor, de boekprogramma’s en de boekbesprekingen in de dag- en weekbladen. Voor ongegeneerd, dwars, dwaas, geestig en literair trapezewerk heb je Jacob Groot nodig, die met Adam Seconde een pijnlijke jammerklacht over en lofzang op pornografie schreef, in lyrische scènes een ode bracht aan Egmond aan Zee en dat alles verpakte als een wonderbaarlijke liefdesroman.

Groot publiceerde sinds 1970 dertien dichtbundels die op een hardnekkige manier niet in verband te brengen zijn met welke bestaande poëtische modes dan ook. Hij creëerde grotiaanse lyriek die op de rand van verstaanbaarheid vooral jongensherinneringen, landschappen en grote-stads-verlangens bij elkaar klopte. Piet Gerbrandy typeerde Groots werk ooit als ‘belachelijke poëzie’, hij bedoelde dat als geuzennaam. In 2008 verscheen de roman Billy Doper, die in de literaire pers enige aandacht trok door de merkwaardige menging van het hoge en het lage in het Parijse stadsleven.

Met Adam Seconde slaat Groot duidelijk verstaanbaarder wegen in. Hij mengt zijn nog altijd bloemrijke schrijfkunst (vooral over zee en landschap van Egmond) nu met scherpe en heldere betogen over de ziekte van de pornografie, of liever over de verslaving daaraan. Hoofd­personage Adam probeert in Egmond aan Zee te genezen van zijn verslaving aan de meest perverse pornografie die je je kunt voorstellen. Die van de cultster Anita Feller (op Google kun je haar kunsten opzoeken). Groot beschrijft haar voorstellingen (Extrem Pervers) minutieus, zeker ook de schennende kanten ervan. Ook schrikt hij niet terug voor een pakkende, vaak geestige terugblik op de morbide locaties in seksshops waar Adam in verbijstering wordt ondergedompeld (misschien is dat het woord niet) in het Feller-universum. Hij betreedt zo’n shop: ‘(…) het gaf Adam de gelegenheid zich even nergens meer iets van aan te trekken en zijn hart te verpanden aan het meest ranzige artikel uit de schappen om die in het hart van de karnfabriek, zijnde een zolder met kloppende cabines, op zijn smerigste gemak te gaan beloeren.’ Groots beschrijving van Adams verslaving aan Feller (‘fel, feller, felst’) is lofzang en tegelijk omkering daarvan. Adam ziet in haar voorstellingen zowel de krochten als de hemelse paradijzen van het seksuele verlangen. Hij wil ervan genezen, het liefst door er niet van te hóeven genezen. Weg met Anita Feller en daarom moet ze altijd blijven, daarom is ze er altijd.

Genezen zonder te genezen, met deze paradox slaagt Groot erin het debat over pornografie dat in Nederland nog maar nauwelijks van de grond komt (waar wel?) een nieuwe dimensie te geven. Hij voert dit debat met literaire middelen, met de gewaagde metafoor, de ode, de parodie, de woedebui, de zelfdestructie, niet op de toonhoogte van het verontwaardigde essay, zoals dat in Nederland meestal plaatsvindt. Groot ouwehoert, maakt er theater van, zet al zijn niet geringe schrijfkunst in, maakt grappen, stelt zich aan, legt Adam (en zichzelf) scherp op de pijnbank, maar hij opent ook vergezichten op een ander type discussie over pornografie. Waarbij niet gezocht wordt naar schuldigen, maar naar de oorsprong van verlangen. Naar de drug De Sire zoals hij het noemt. Naar het goddelijke van de mens, schrijft hij ergens. Juist het meest vreemde van de mens, het goddelijke dus, openbaart zich in de schandelijkste pornografie, stelt hij. En neem dit: ‘De fallus vatten we in deze hoogstpersoonlijke neuroklinische traditie op als de libineuze ruimte die iemand, man of vrouw, nooit helemaal voor zichzelf kan innemen, omvatten, bestrijken of bereiken. De libineuze ruimte wil altijd meer, de fallus idem dito. Mijn fallus is vele malen groter en onbereikbaarder dan mijn lul. Daarom tast ik naar beelden die dat gemis bezweren. Is dat zo?’

Groots roman is tegelijkertijd een vlammend liefdesboek in de gouwe ouwe traditie ervan. Adam verklaart doorlopend in woord en daad de liefde aan zijn vriendin Eva. Maar kan en mag dat wel als je tegelijkertijd ook verslaafd bent of was aan de eredienst voor Anita Feller? Aan welke pornografische eredienst dan ook? Kun je van iemand houden en tegelijkertijd een ‘user’ zijn van pornografie? Juist dit essentiële debat geeft aan deze verbluffende roman een uiterst gevoelige, af en toe gewoonweg tedere lading. Zo mooi heb ik in jaren niet meer over liefde zien schrijven. En dat niet af en toe, maar steeds. Er staat echt wat er staat: ‘Terwijl jij, Eva, mijn bevrijdster bent, me verlost hebt, me het lichaam hebt leren bevrijden, eerst het jouwe, dan het mijne, toen het onze, de dansvloer met me hebt aangeveegd, het landschap voor me hebt losgeknoopt waarin we welig tieren, om de zomen te breken der velden, door de rangen te rijden der peppels in de windkracht van het licht, over ons heen, over me heen, zoals je me geleerd hebt, om me van je te bevrijden terwijl ik hier zit maar me natuurlijk niet aftrek. Waarom wacht ik tot ik bij je ben? Sommige minnaars doen niets liever. Ja, wat ze allemaal bedenken in hun larie koek. Maar wij zijn waarlijk opgestaan.’

Jacob Groot

Adam Seconde

De Harmonie, 379 blz., € 19,90