Film

Het goede in de mens

Film: Oliver Twist van Roman Polanski

Het is Don. Of niet? In ieder geval is het Fagin, de schurk uit Charles Dickens’ Oliver Twist, die lijdzaam aanhoort hoe de Londenaren op het plein schreeuwen om zijn bloed; hoe kwijlende timmerlieden bezig zijn het schavot in elkaar te knutselen; en hoe de jonge Oliver snikt over wat er komen gaat, ondanks het feit dat Fagin zijn leven bijna heeft vernietigd. Het is Fagin, maar toch: wat heeft hij veel weg van Don. Dat verbaast niet, want de acteur die gestalte geeft aan zowel Fagin als aan Don, meesterschurk in Jonathan Glazers misdaadfilm Sexy Beast (2000), is één en dezelfde persoon. Het is Ben Kingsley.

De acteur weet in Sexy Beast op onnavolgbare wijze emoties van dreiging en onderdrukt geweld op te roepen in zijn personage. Maar uiteindelijk maakt Kingsley van Don een tragisch figuur. Don, die in Glazers film naar Spanje reist om een collega-maffioso over te halen nog één keer een overval te plegen, is als een vis uit het water. Na de donkere steegjes van Londen is de Spaanse zon oogverblindend. Dat wordt Don fataal.

Don is in zekere zin een karikatuur. Dat is Fagin ook. En dat is weer heel dickensiaans: Kingsleys karaktertekening van Fagin in Roman Polanski’s nieuwe filmversie van de roman herinnert qua uiterlijk en maniërisme aan de satirische tekeningen van George Cruickshank, de illustrator van de originele Dickens-verhalen. Cruick shanks figu ren zijn iconisch zonder oppervlakkig te zijn; ze zijn donker met een zweem van humor en ironie.

Het is onmogelijk naar Oliver Twist te kijken zonder Kingsleys Don voor de geest te halen. Kings leys Fagin is als een bejaarde Don: hij heeft een leven van moord en doodslag achter de rug. Nu hunkert hij naar een goede oudedagsvoorziening. Dat is hem niet ge gund. De scène waarin hij van aan gezicht tot aangezicht komt met de dood is pijnlijk. En vertederend. Oliver huilt. Zit er toch iets goeds in Fagin? Is er toch sprake van het goede in de mens?

Dat is maar de vraag. Polanski ziet horror in Dickens. Van de traditie van de Engelse Romantische poëzie, waar de Dickens-biograaf Peter Ackroyd over schrijft en die duidelijk aanwezig is in Dickens’ tekst, is weinig sprake in de film. Tijdens de reis van Oliver naar Londen geeft Polanski zijn Oliver bijvoorbeeld nauwelijks de tijd om te mijmeren over de «rippling of water in a silent place», zoals Dickens schrijft. Nee, bij Polanski verdrinkt Oliver bijna in de modder, wat een vooruitwijzing is naar de verschrikkingen die in de grote stad komen gaan.

Polanski situeert het laatste deel van de film in de Londense wijk Spittalfields, waar ook Jack the Ripper huishield. De art direc tion is prachtig: de stad is een poel van ziekte en verderf, met vieze, nauwe steegjes en onbegaanbare straten. Het mishandelen van Nancy door Bill heeft veel weg van een Ripper-aanval: liters bloed vloeien. De vlucht van Bill neemt vervolgens de vorm aan van een seriemoordenaarsthriller, ook wat be treft de wijze waarop Bill aan zijn einde komt.

Het geweld is verklaarbaar. Als veel van Polanski’s films, vooral The Pianist (2002), is ook Oliver Twist een verhaal over repressie en wreedheid en het zoeken naar onschuld en het goede in de mens. Oliver personifieert al deze dingen. De «vooruitgang van de jongen van de parochie», zoals de subtitel van het boek oorspronkelijk luidde, impliceert ook de vooruitgang van de mens. Uiteindelijk komt het goed met de jongen. Dat kan niet worden gezegd van de wereld waarin hij leeft. Dickens schrijft na Olivers bezoek aan Fagin in de gevangenis over hoe vrolijk en vol het leven op het plein erbuiten wel niet is. En toch, er is een verzameling objecten tussen de mensen: een «donkere tribune» bestaande uit hout en het galgentouw. Dit zijn de «weerzinwekkende apparaten van de dood». En Oliver, die ondanks alles vooruitgekomen is in het leven, valt bijna flauw van angst.

Te zien vanaf 27 oktober