De ‘andere’ economie als volwaardig alternatief

Het graan in de hoeken

Zonder naastenliefde kan het kapitalisme niet functioneren. Want wie zou dan het avondeten maken voor Adam Smith?

Medium 42 20039979

Genemuiden is niet de plek waar je radicale economische experimenten verwacht. Gelegen in het bovenste puntje van de Bible Belt telt de stad vijf protestantse kerken. Met achttienhonderd plaatsen is de Gereformeerde Gemeente de grootste. En toch zit hier, ingeklemd tussen het enorme plaatselijke bedrijventerrein en de groene weilanden die zich tot aan de horizon uitstrekken, een van de meest eigenwijze bedrijven van Nederland.

‘Breman’, staat er in grote letters boven op het roodbakstenen gebouw. Het is het hoofdkantoor van de Breman Installatiegroep. Begonnen in 1925 als fietsenmaker, telt die inmiddels veertig bedrijven in Nederland en Duitsland met in totaal vijftienhonderd werknemers. Binnen neemt Risco Balkenende, de algemeen manager, plaats in een van de vijf vergaderruimtes. Ze zijn stuk voor stuk vernoemd naar de vijf zonen van oprichter Tijmen Breman. Wij zitten in kamer ‘Roelof Jan’.

Dat het in dit bedrijf allemaal net wat anders gaat, legt een enthousiaste Balkenende uit, is te danken aan een andere Breman-broer: Reind. Begin jaren zeventig dokterde hij een geheel eigen ondernemingsstructuur uit, later door anderen met een knipoog ‘bremanisme’ genoemd. Het was een tijd van heftige confrontaties tussen arbeid en kapitaal. Dat wilde Reind Breman vermijden; een bedrijf moest een hechte ‘werkgemeenschap’ zijn. Bovendien zag hij om zich heen wat ruzies over geld en eigendom met familiebedrijven konden doen. ‘Kapitalisme faalt, omdat het dwingt tot slecht handelen’, verklaarde hij zijn drijfveren in een interview met Trouw in 2001. ‘Geld is beroerder dan drank en drugs. Wie te veel heeft, probeert alles goed te praten.’

‘De vakbonden volgden het experiment in die tijd met argusogen’, weet Balkenende. ‘Omdat het vanuit een werkgever kwam. Maar dat bewonder ik nou juist aan Reind Breman. Dat hij daar zo authentiek over heeft kunnen nadenken. Over hoe een bedrijf in dit economische systeem anders kan functioneren. En, ook dat, over wat bezit met jou als eigenaar doet.’

Voor hem op tafel ligt een zwartleren map opengeslagen met daarin een blocnote. Al pratende begint hij schema’s te schetsen: het is de unieke organisatiestructuur van Breman. Aandeelhouders – de familie Breman dus – en werknemers bestieren gezamenlijk de organisatie. Het personeel kan zelfs een directeur ontslaan. ‘Het is wel eens voorgekomen dat een ondernemingsraad daarom vroeg’, bevestigt Balkenende. ‘Die zeggenschap is geen dagelijks issue, hoor. Als een monteur vijf minuten te laat komt, zegt zijn directeur gewoon: morgen ben je op tijd. Maar bij grotere, strategische keuzes maken we altijd een rondje langs de bedrijven. We mikken op consensus. Ik heb liever een breed gedragen 7 dan de 9,5 die ik zelf voor ogen heb. En trouwens, wie ben ik? Ik kan als manager ook fouten maken.’

Het klinkt naar arbeiderszelfbestuur. Maar het komt voort uit een andere traditie: de sociaal-christelijke. Neem het bijbelse jubeljaar. Balkenende: ‘Ik vind dat iets heel moois. Hoe diep mensen in die tijd ook in de schulden zaten, al hadden ze hun land en misschien wel zichzelf moeten verkopen, na vijftig jaar was er altijd die economische resetknop. Dat hebben wij ook nodig. Elke generatie moet met een schone lei kunnen beginnen.’

Daarvoor moeten de verschillen in inkomen en vermogen niet te groot worden. Balkenende verwijst naar het Piketty-debat: ‘Directeuren verdienen bij ons wat minder dan elders. Monteurs en andere werknemers krijgen doorgaans juist iets beter betaald dan de cao.’ Daarnaast doet het bedrijf aan winstdeling. Balkenende noemt dat een vorm van ‘predistributie’: voordat de overheid met haar belastingen gaat nivelleren, zorgt het bedrijf zelf alvast voor een eerlijker verdeling. Hij lacht: ‘De allereerste keer heeft Reind Breman hier in Genemuiden letterlijk honderdduizend gulden op tafel gelegd. “Verdelen jullie het maar”, zei hij tegen het personeel. “Als jullie er niet uitkomen, is het geld na een week weer van mij.” Nou, ze kwamen er wel uit hoor!’

Nog zo’n bijbelse economische waarde: het ‘Jozef-principe’. In Egypte adviseerde Jozef de farao om tijdens de zeven vette jaren graanschuren te bouwen. Als reserve voor de zeven magere jaren die komen zouden. Bij Breman doet de familie dat door haar deel van de winst automatisch terug in de onderneming te storten. Zij ontvangt slechts een bescheiden rente, uitgekeerd over het bedrijfskapitaal. Balkenende, trots: ‘Wij hebben niemand vanwege de crisis in de bouw hoeven ontslaan. Dat heeft alles te maken met ons financiële weerstandsvermogen. Met dank aan de aandeelhouders!’

Nee, de gemeente hoeft geen dagopvang meer te organiseren voor dementerenden. Dat doet de buurt toch al, vrijwillig?

Het klinkt prachtig allemaal. Maar hoe lang is dit soort gedrag nog mogelijk in een sector waarin stevig geconcurreerd wordt op loonkosten? Waar bouw- en installatiebedrijven de afgelopen jaren massaal afslankten en verder gingen met goedkope zzp’ers en Oost-Europeanen? Balkenende knikt: ‘Je ziet bouwbedrijven failliet gaan, vervolgens hun dure vaste werknemers ontslaan, om de volgende dag weer fit door te starten. Ik ken zelfs overheden die deze bedrijven dan weer opdrachten geven. Ja, daar houd je wel een wrang gevoel aan over.’

En toch zou hij het niet anders willen. Nog een laatste bijbels principe dan maar. ‘De hoeken van het veld niet maaien, ken je dat?’ vraagt Balkenende terwijl hij een rechthoek tekent in zijn map. Vervolgens snijdt hij er de vier punten af. Het is een soort bewuste inefficiëntie: daar moesten de boeren het graan laten staan, zodat er altijd een restje zou overblijven waarmee de armen zich konden voeden. Vertaald naar 2015: ‘Wij hebben veel Wajong-jongeren in dienst. Er werken hier ook een hoop mensen die in de wia zaten, sommigen met krukken en in een rolstoel. Breman heeft zelfs een aantal private sociale werkplaatsen.’ Op het landelijke quotum dat bedrijven moet gaan dwingen een percentage mensen met een arbeidshandicap aan te nemen, wordt hier niet gewacht. Het is allang praktijk.

Kapitaal en naastenliefde, gaan die twee samen? Het is een belangrijke vraag in een tijd waarin de economische initiatieven die beweren dat ze het ‘anders’ willen doen als paddenstoelen uit de grond schieten. Het antwoord is, opmerkelijk genoeg, een ondubbelzinnig ja. Ze gaan samen. Maar helaas zelden op de manier zoals dat bij Breman gebeurt.

Over economie wordt doorgaans gedacht in termen van geld, concurrentie, winst- en nutsmaximalisatie. Dat negeert een enorm deel van de economische werkelijkheid. Die blinde vlek werd onlangs nog eens raak samengevat door de Zweedse publiciste en feministe Katrine Marçal. In haar boek Je houdt het niet voor mogelijk (een titel die in vertaling inderdaad iets te veel lijkt op die van Joris Luyendijk) werpt zij een ogenschijnlijk simpele vraag op: wie maakte het avondeten voor Adam Smith?

‘In de tijd dat Adam Smith leefde’, schrijft Marçal, ‘konden de slager, de bakker en de brouwer alleen hun werk doen als hun vrouwen, moeders of zusters uur na uur en dag na dag de kinderen verzorgden, het huis schoonmaakten, eten kookten, kleren wasten, tranen droogden en burenruzies bijlegden. Hoe je ook naar de markt kijkt, hij is altijd gebaseerd op een andere economie. Een economie waarover we het zelden hebben.’

Die ‘andere economie’ is door de aan Oxford verbonden econome Linda Scott de ‘double X economy’ gedoopt. ‘We waarderen dingen op basis van hun geldwaarde’, zei ze hierover in een interview. ‘Dus als vrouwen niet betaald worden voor hun werk, als ze niks mogen erven en het ze niet is toegestaan om bankrekeningen en creditcards te hebben, dan worden ze weggelaten. En als je een theorie van de economie hebt die is opgebouwd rond geld, worden ze daar ook uit weggelaten.’

Dit is de economie waarin gezorgd en opgevoed wordt. Die wordt grotendeels bevolkt door vrouwen, maar zeker niet exclusief. Het is ook de economie waaronder alle mogelijke vormen van vrijwilligerswerk vallen. Wat al deze activiteiten met elkaar gemeen hebben, is dat er geen directe betaling tegenover staat. Daardoor komen zij niet terug in de belangrijkste economische graadmeters, voorop het bbp. Zo blijft alles waar geen prijskaartje aan hangt onzichtbaar. Zelfs als het, gemeten naar de tijd die we ermee doorbrengen, bijna de helft van onze economie betreft. Tegenover de 25 uur die Nederlanders in de werkzame leeftijd per week gemiddeld aan betaalde arbeid besteden, staan namelijk bijna 21 uur die opgaan aan huishouden, onbetaalde zorg en vrijwilligerswerk.

Deze geldloze economie moet niet verheerlijkt worden. Het werk gebeurt vaak uit gewoonte, traditie of zelfs botte dwang. Maar inderdaad, altruïsme speelt wel degelijk een belangrijke rol. Aan naastenliefde dus geen gebrek in het kapitalisme. Zonder die naastenliefde zou het systeem zelfs niet kunnen functioneren. Niet alleen had de hopeloos verstrooide Adam Smith met een lege maag en in een onopgeruimd huis zijn theorieën moeten zien uit te werken. Er zouden überhaupt geen kinderen opgroeien die later de kantoren en fabrieken kunnen bevolken.

‘Ik zie auto’s stilstaan op de duurste grond van Amsterdam. Ik zie ongebruikte kantoorruimte. Zonde!’

Een specifieker voorbeeld is Goldman Sachs. De Amerikaanse zakenbank kreeg de afgelopen jaren kritiek op de wijze waarop het profiteert van open source. Dat is gratis software, ontworpen door programmeurs die hier vaak in hun vrije tijd aan sleutelen met als doel de digitale wereld een stukje beter te maken. Een vorm van gemeengoed dus. Of, om de meer gebruikelijke Engelse term te benutten: een typisch voorbeeld van de nieuwe commons. Maar Goldman Sachs zag het als een makkelijke manier om kosten te besparen en winst te maken. De bank trok op grote schaal open source software binnen, paste het enigszins aan en claimde het vervolgens als haar eigendom. Economen zouden spreken van de tragedy of the commons, maar dan in een modern jasje.

Ook de staat maakt zich hier schuldig aan. Zoals in de zorg. De afgelopen jaren zijn door heel Nederland zorgcoöperaties en andere vrijwillige buurtinitiatieven ontstaan. Ouderen kunnen op die manier langer thuis blijven wonen, een verblijf in het ziekenhuis wordt vermeden of de welzijnswerker hoeft niet langs te komen. De overheid vindt het prachtig. Dit is de ‘participatiesamenleving’ in optima forma. Het probleem is dat deze onbetaalde arbeid vaak niet boven op de reeds bestaande publieke zorg komt, zoals de bedoeling was. Zij wordt misbruikt om hierop te bezuinigen. Nee, de gemeente hoeft geen dagopvang meer te organiseren voor dementerenden. Dat doet de buurt toch al, vrijwillig?

Het kapitalisme maakt gretig gebruik van de economie van de naastenliefde. Het parasiteert erop. Van een gelijkwaardige verhouding kan geen sprake zijn. Dat wordt pijnlijk duidelijk wanneer idealistische initiatieven geen genoegen meer nemen met hun ondergeschikte, dienende rol. Zodra de verborgen ‘andere’ economie zich gaat presenteren als volwaardig alternatief, wordt het problematisch.

Nergens is dit zo acuut als in de deeleconomie. Aanvankelijk bewierookt als een alternatief voor het kapitalisme, wordt het inmiddels steeds meer beschouwd als het summum daarvan.

Daan Weddepohl kan erover meepraten. Hij is de oprichter van Peerby, een populaire website die buurtgenoten gratis gereedschap en andere spullen laat delen. Ik spreek hem in het statige pand aan de Amsterdamse Herengracht waarin zijn drie jaar jonge bedrijf, samen met tientallen start-ups, kantoor houdt. Onder het hoge, wit gestucte plafond staat een voetbaltafel. Aan de muur hangt een dartbord. Weddepohl – zwarte sweater en gympen, spijkerbroek – schenkt filterkoffie in. In de keuken, waar hij snel een koffielepeltje afwast, hangt een bordje: ‘Your mother doesn’t work here. Clean your own mess.’

Het contrast met de ‘normale’ economie kan niet groter. Des te kritischer – misschien wel smalend – waren de reacties toen Peerby dit najaar bekend maakte dat het een nieuwe proef start in Amsterdam. Daarbij kunnen gebruikers voortaan huur vragen voor hun spullen. Peerby krijgt als bemiddelaar een vast percentage van dat bedrag. Zie je wel, klonk het meteen, het gaat bij hen net als bij Uber en Airbnb. Toch weer ordinair winstbejag!

Het zit Weddepohl nog altijd zichtbaar niet lekker. ‘Nee, dit is níet ons nieuwe businessmodel. Vooralsnog leggen wij op elke transactie geld toe’, beklemtoont hij nadat we ons hebben laten neerploffen op een oude, oranje ribfluwelen bank. ‘Het ging heel anders. Toen we met onze dienst begonnen, werd ons van alle kanten op het hart gedrukt dat we het niet gratis moesten maken. Voor wat, hoort wat. Anders zou niemand spullen uitlenen. Nou, dat mensbeeld bleek totaal niet te kloppen. We hebben juist een enorm overschot aan mensen die iets willen uitlenen. Tegenover honderdduizend aanvragen staan vier miljoen aanbiedingen!’

Het probleem is eerder omgekeerd, zegt Weddepohl. ‘In gesprekken met leners horen we steeds dat zij zich er ongemakkelijk bij voelen. Het is namelijk niet zo dat al onze gebruikers evenveel delen als lenen. De uitleners zijn net wat vaker babyboomers. Die hebben in de loop van hun leven veel spullen verzameld. En de leners zijn eerder dertigers, met een drukke baan en een andere mentaliteit: zij willen niet al te veel bezitten. Maar als je keer op keer een hogedrukspuit moet lenen, voelt dat als vragen om een gunst. Dan heb je dus toch weer een schuldrelatie. Geld vragen voor spullen delen heeft zo bezien weinig te maken met inhaligheid. Het is een middel om die schuldrelatie weer in balans te brengen. Dát was de reden voor deze nieuwe proef.’

Het is en blijft het eeuwige dilemma: hoe idealistisch kun je blijven als je wilt concurreren met het grote bedrijfsleven?

Niet dat winst maken taboe is bij Peerby. Vorig jaar nog kreeg het bedrijf een investering van 1,7 miljoen euro. Dat geld zal vroeg of laat terugverdiend moeten worden – met rente. Maar rendement is niet het hoogste doel. De deelsite is een zogenoemde B Corporation. Dit Amerikaanse predikaat is uitsluitend bestemd voor ondernemingen die groene en sociale doelen voorop stellen. Het is niet hetzelfde als non-profit, legt Weddepohl uit. ‘Die terminologie suggereert dat je óf geen winst wilt maken en dan ben je goed. Óf je bent for profit, en dan mag je alles doen: je personeel uitbuiten, onbeperkt schadelijke gassen uitstoten. Weet je, ik vind beide varianten niet duurzaam. De laatstgenoemde niet omdat je de wereld om zeep helpt. De eerste niet omdat er geen duurzame bron van inkomsten is.’

Helaas blijkt dat al snel een hellend vlak te zijn. Want waar ligt de grens tussen gewoon genoeg geld verdienen en je idealen verkwanselen? De bekendste deelplatforms, zoals kamerbemiddelaar Airbnb, kredietplatform Lending Club en taxi-app Uber, lijken die allang te hebben overschreden. Zij zijn uitgegroeid tot miljardenondernemingen. Eigenlijk, zo stellen hun critici, vormen ze helemaal geen alternatief voor de bestaande economische orde. Ze zijn nog veel erger. Door geld te vragen voor iets wat vroeger gratis gebeurde – iemand een lift aanbieden, je logeerkamer ter beschikking stellen – transformeren ze ons in ‘prosumenten’: een immer op voordeel beluste mengvorm van consument én producent. ‘Want dat is de kern van de deeleconomie’, schreef Casper Thomas vorig jaar in dit blad, ‘het transformeert materieel bezit en dagelijkse bezigheden tot kapitaal waarmee gewoekerd kan worden.’

Wat er met de deelplatformen gebeurt, lijkt daarmee karakteristiek voor hoe onze economie zich de afgelopen eeuw heeft ontwikkeld. Het zou niet voor het eerst zijn dat het kapitalisme selectief gaat shoppen in systeemkritiek. In de jaren zestig en zeventig ging het om waarden als vrijheid, creativiteit en autonomie. Aanvankelijk stonden die centraal in een tegeneconomie. Jonge mensen begonnen alternatieve drukkerijen, boekwinkels, fietsenmakers en computerbedrijven. Alles draaide om ‘anders werken’ en ‘anders leven’. Maar die anti-autoritaire idealen vonden geleidelijk, in geneutraliseerde vorm, hun weg naar het grote bedrijfsleven. Nog geen twintig jaar later ging het ook in de populaire managementboeken over het belang van autonomie, flexibele projectgroepen en een horizontale organisatiestructuur, zoals de sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello hebben laten zien in hun monumentale studie Le nouvel esprit du capitalisme (1999).

Hét gezicht van deze trend is ongetwijfeld Steve Jobs. De topman van Apple begon zijn carrière als veganistische hippie. Door te hameren op creativiteit, eigen initiatief en flexibiliteit wist hij zijn medewerkers tot grootse daden aan te sporen – en heel veel overuren. Op dit moment lijkt iets soortgelijks te gebeuren met de deeleconomie. Welke multinational kijkt niet met een scheef oog naar de commerciële mogelijkheden van sharing? De vraag is of dat per se een negatieve ontwikkeling is. Als de deeleconomie wordt ingekapseld, is van een alternatief voor de commerciële economie geen sprake meer. Maar sommige van de oorspronkelijke doelstellingen zullen wel degelijk verwezenlijkt worden.

Weddepohl zelf twijfelt. ‘De deeleconomie draait wat mij betreft om het benutten van overcapaciteit. Ze loopt inderdaad uiteen van kleinschalige stichtingen tot de grootst mogelijke kapitalisten uit Silicon Valley. Maar allemaal gaan ze op hun eigen manier verspilling tegen, óók Airbnb en Uber.’ Hij wijst naar buiten, naar de Herengracht. ‘We leven in een wereld van enorme overvloed. Ik zie daar auto’s stilstaan op de duurste grond van Amsterdam. Ik zie ongebruikte kantoorruimte. Zonde!’

De opkomst van de deeleconomie zal het kapitalisme hoe dan ook duurzamer en efficiënter maken. En dat valt slechts toe te juichen, vindt Weddepohl. ‘Sinds de industriële revolutie kennen we een gecentraliseerd model. Mensen gingen massaal in grote fabrieken werken. Dat was veel efficiënter dan de cottage industries van daarvoor. Maar nu komen we in een nieuwe fase. Alles wordt weer decentraler. Straks hebben we sensoren die meteen zien als er ergens capaciteit onderbenut wordt.’

Met zijn eigen Peerby wil Weddepohl desondanks niet het voorbeeld van Airbnb en Uber volgen. ‘Ik hoop dat wij een bedrijf kunnen blijven zoals Airbnb de eerste twee jaar van haar bestaan was. De oprichter zegde zijn huurwoning op en trok een jaar lang van het ene naar het andere Airbnb-adres. Hij ontbeet met zijn gebruikers. Fantastisch. Maar ik zeg je, als wij puur idealistisch blijven, gaan wij als deeleconomie nooit die miljoenen mensen bereiken die nu al hun spullen nieuw kopen bij Amazon. Terwijl juist daar een enorme milieuwinst te behalen valt.’

Het is en blijft het eeuwige dilemma: hoeveel concessies moet je doen, hoe idealistisch kun je blijven als je wilt concurreren met het grote bedrijfsleven? Weddepohl voelt de druk tot matiging. Tot realisme. Maar hij is er niet bang voor. ‘Natuurlijk doet het iets met je. Ik voel dat ik verander. Ik zie mezelf als pragmatist. Een ondernemer moet roeien met de riemen die hij heeft.’

De spelregels van de wereldeconomie wijzigen, door het op eigen houtje anders te doen: het is een aloude droom. Maar het lijkt ook een onmogelijke opgave. Voor zo’n omwenteling is meer nodig: politieke macht, die het resultaat is van een jarenlange gezamenlijke inspanning. Maar je kunt in de tussentijd ten minste laten zien dat het ook anders kan. Alvast experimenteren met nieuwe vormen en gedachten. En mensen er zo aan blijven herinneren dat ze tot meer in staat zijn dan blind met elkaar concurreren om de pot met goud.

Hoe dat vol te houden is, zonder te bezwijken voor de verleiding van het geld? In Genemuiden proberen ze het nu al bijna een halve eeuw. ‘Ik denk wel dat je een langere adem hebt als het vanuit dieper liggende waarden gebeurt’, oppert algemeen manager Risco Balkenende voorzichtig aan het eind van ons gesprek. Toch past hij wel op om de Breman-principes exclusief te claimen vanuit het christelijk geloof. ‘Je kunt ook vanuit een heel andere wereldbeschouwing op dit soort ideeën uitkomen. Ik vind het hoe dan ook waardevol als mensen hun overtuigingen óók weten te vertalen naar hoe een bedrijf, hoe een economie kan functioneren.’


Als vrouwen het huishoudenniet runden, konden mannen hun werk niet doen
H. Armstrong Roberts /Corbis /HH

Onbetaalde arbeid wordt door de overheid misbruikt om te bezuinigen
William Gottlieb / CORB IS / HH