Het graf van de verzorgingsstaat

Op de opiniepagina’s van de dagbladen woedt een eindeloze polemiek over de toekomst van de verzorgingsstaat. Trefwoorden zijn flexibiliteit, dynamiek en soberheid. Maar die middelen zijn erger dan de kwaal.

EEN HEERSER DIE radicale veranderingen wil doorvoeren moet volgens Machiavelli oppassen, want hij krijgt nauwelijks steun van mensen die baat hebben bij de hervorming, maar stuit op felle tegenstand van hen die iets te verliezen hebben. Toch lijkt het debat over de toekomst van de verzorgingsstaat de oude denker in het ongelijk te stellen. Voor het bestaande steekt niemand zijn hand nog in het vuur, terwijl het ene radicale voorstel het andere verdringt.
Sta uitzonderingen op het minimumloon toe, schep een 24-uurs economie, creeer concurrentie in de uitvoering van de sociale zekerheid, privatiseer het stelsel voor arbeidsongeschikten, verklein het verschil tussen bruto en netto loon, geef arbeidssubsidies voor langdurig werklozen - voorstellen die tot voor kort alleen in achterkamertjes werden geopperd, vliegen nu vrijelijk door de openbaarheid.
Al die plannen vloeien voort uit de beste bedoelingen. De gedachte is dat door nu in te grijpen de essentie van de collectieve voorzieningen ook in de toekomst behouden kan blijven en dat Amerikaanse toestanden kunnen worden voorkomen. Het is het refrein dat al vijftien jaar elke ombuiging begeleidt. Desalniettemin is de ene bezuinigingsronde over de volgende heen gerold.
Nieuw is echter de radicaliteit waarmee dit keer de markt als oplossing wordt aangeprezen. Nieuw is ook de claim dat eigenlijk iedereen iets te winnen heeft bij een competitieve maatschappij. De inactieven mogen weer meedoen, de sterken mogen weer meer verdienen en de hele maatschappij wordt welvarender. Er lijkt geen tegenstelling meer te bestaan tussen het economisch nuttige en het moreel wenselijke. Een recept is voldoende om de drie grote problemen van de verzorgingsstaat op te lossen: de grote inactiviteit, de beperkte bereidheid om ervoor te betalen en de geringe economische groei. Meer economische dynamiek en meer concurrentie leidt namelijk zowel tot meer welvaart als meer banen. De kosten van het sociale stelsel dalen daardoor en worden verdeeld over meer werkenden. Dus zal dan ook de bereidheid om een bijdrage te leveren toenemen.{ Natuurlijk heeft men aarzelingen. Is de groei van de werkgelegenheid wel voldoende? En is volledige werkgelegenheid geen fictie? Twijfel aan de richting van de noodzakelijke veranderingen ontbreekt echter geheel. Dat dynamiek en economische groei de levensvatbaarheid van de verzorgingsstaat op lange termijn eerder ondergraaft dan versterkt, zien de beleidsbepalers liever over het hoofd. Het gevaar voor de toekomst schuilt in de misvatting dat een goedkopere verzorgingsstaat een breder gesteunde verzorgingsstaat is. En dat meer werk het enige doel is van het voorgestelde beleid, is, hoe je het ook wendt of keert, een halve leugen.
HET PLEIDOOI VOOR meer dynamiek, concurrentie en prikkels wordt door menig regeringswoordvoerder samengevat in de slogan: ‘Werk, werk en nog eens werk.’ Zoals de meeste leuzen is dat slechts een halve waarheid. Als het echt zou gaan om het nobele streven naar banen, zou arbeidstijdverkorting niet zo gemakkelijk kunnen worden afgedaan als een manier om de armoede te verdelen. En ook plannen om de financiering van het sociale zekerheidsstelsel minder op de arbeid te laten drukken en meer op het kapitaal, het milieu of de toegevoegde waarde zouden dan met gejuich moeten worden ontvangen. Volgens Hans Adriaansens, hoogleraar sociale wetenschappen te Utrecht, is er dan ook meer aan de hand. In Van de wieg tot het graf, de bundel met eerder in de Volkskrant verschenen artikelen over de toekomst van de verzorgingsstaat, stelt hij dat een nieuwe logica het politieke debat domineert. Het denken over verdeling heeft plaats gemaakt voor het streven naar economische groei en ontwikkeling van de welvaart. Economisch nut is het toverwoord in de politieke besluitvorming geworden.
Wie zich sterk wil maken voor sociale bescherming kan niet meer aankomen met noties van rechtvaardigheid. Nee, die roept bijvoorbeeld, zoals minister Melkert, 'Ich bin ein Rheinlander’, waarmee hij, zoals hij in de genoemde bundel uiteenzet, bedoelt dat het Rijnlandse model van het kapitalisme, waarin door overleg en regulering de sociale cohesie wordt behouden, op den duur produktiever is dan het Angelsaksische model, waarin de markt vrij baan krijgt. Zelfs de vakbeweging, die van de veranderingsgezinde wind die door Nederland waait weinig moet hebben, heeft gemerkt dat tamboereren op de onrechtvaardigheid van voorstellen om de economie dynamischer te maken, weinig uitricht. In hun verzet tegen de paarse plannen bespelen zij daarom nu een ander register. In zijn nieuwjaarsspeech dreigde Stekelenburg met hogere looneisen, waarmee hij benadrukte hoe belangrijk de bonden zijn voor een gunstige economische ontwikkeling: zonder de vakbeweging geen loonmatiging.
Ook de nieuwjaarstoespraak van Geelhoed, de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, bevestigt de overwinning van het groeidenken. Net als eerder Bolkestein maakte hij zich vooral druk om het feit dat de groei van het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking achterblijft bij die in de andere staten van de Europese Unie. De initiatieven om de rigiditeit van de arbeidsmarkt te doorbreken en de economie prestatiegerichter te maken, verdedigde hij vooral als methode om de achterstand op de rest van Europa goed te maken. Zorg voor de ontwikkeling van de welvaart is in die gedachtengang niet langer een middel om de werkgelegenheid te bevorderen, maar een doel op zichzelf. Veel werkgelegenheidsplannen sneuvelen dan omdat ze een te kleine bijdrage leveren aan de nationale economie. Maar hoe destructief zo'n manier van denken is, hebben we in Groot-Brittannie kunnen zien.
DE LEVENSVATBAARHEID van de verzorgingsstaat hangt niet alleen af van de hoeveelheid werk en welvaart, maar vooral van de bereidheid van de bevolking om belasting en premies te betalen. Ooit, een jaar of vijftien geleden, was de afbrokkelende belastingmoraal een populair argument om de ondergang van de verzorgingsstaat te voorspellen. Berichten over belastingvlucht naar Belgie en ingewikkelde Antillenroutes hielden die ondergangsstemming in leven. Gelukkig blijkt uit het jongste Sociaal Cultureel Rapport dat de bereidheid om een bijdrage te leveren aan de verzorgingsstaat nog altijd groot is. Een door The Economist gepubliceerde vergelijking van zwart-geldcircuits in de westerse wereld onderstreept dit. Het blad schatte de grootte van de Nederlandse schaduweconomie op zeven procent van het officiele nationale inkomen. Alleen Japan en Zwitserland scoorden met vier procent lager.
Hoewel de opstand van de belastingbetaler zo'n vaart niet liep, is het inzicht terecht dat uiteindelijk niet de economie, maar de bereidheid om voor de nood van anderen te betalen de dobber is waarop de verzorgingsstaat drijft. Het laatste Sociaal Cultureel Rapport onderstreept dat. Het percentage van de bevolking dat betaalde arbeid verricht, schommelt sinds het begin van deze eeuw tussen de 35 en 39 procent en is dus zeer stabiel. Het verschil met vroeger is echter dat de niet-werkenden niet langer via de informele kanalen van familie en gezin worden onderhouden, maar via de formele kanalen van de verzorgingsstaat.
Onder groeidenkers bestaat de misvatting dat een soberder verzorgingsstaat en een geliberaliseerde arbeidsmarkt de legitimiteit van het stelsel zal bevorderen omdat mensen minder belasting hoeven te betalen. Ze vergeten daarbij dat de aanval op de verzorgingsstaat in Angelsaksische landen, waar de kosten voor sociale bescherming altijd lager zijn geweest dan bij ons, veel bloeddorstiger was dan in Nederland. Het navrante debat over bijstandsmoeders in de Verenigde Staten en Groot-Brittannie bewijst dat lage uitgaven voor sociale voorzieningen de bereidheid om te betalen voor de noden van vreemden niet per se vergroot.
Als inkrimping van de verzorgingsstaat de legitimiteit ervan om zeep helpt, is het middel erger dan de kwaal. Veel recente voorstellen beloven wat dat betreft niet veel goeds. Om de lastenverlichting te kunnen betalen, probeert het kabinet haar uitgaven steeds meer toe te spitsen op hen die het echt nodig hebben. Professor Kees Schuyt bepleit dat de regering daar nog verder in gaat. Hij wil terug naar een welvaartsstaat die alleen in de ergste noden voorziet en dus zeer selectief steun verleent. De Amerikaanse econoom Galbraith heeft echter betoogd dat juist het selectieve karakter van het Amerikaanse stelsel ertoe heeft geleid dat de middenklasse geen voordeel heeft van de verzorgingsstaat en dus ook niet bereid is ervoor te betalen. AOW-toeslagen, studiebeurzen en kinderbijslag afhankelijk maken van het gezinsinkomen treft precies de middeninkomens. Vaak belemmeren ze bovendien de arbeidsparticipatie van vrouwen uit die gezinnen. Het extra verdiende inkomen gaat immers verloren aan minder beurs of kinderbijslag.
In Angelsaksische landen is niet alleen de steun van de middengroepen beperkt. Ook onder mensen met lage inkomens is de waardering voor de verzorgingsstaat gering. Het wantrouwen ten aanzien van mensen die niet werken is groot en het denken in termen van deserving en undeserving poor is sterk. Deze denktrant is deels het gevolg van de zeer flexibele arbeidsmarkt. Als mensen voor een armzalig loon vele uren vervelend werk moeten verrichten en zelfs dan niet zeker zijn van hun toekomst, is het niet verwonderlijk dat de afgunst ten aanzien van mensen die niet werken en toch geld krijgen groot is. Het vermoeden dat uitkeringstrekkers eigenlijk niet willen werken, neemt dan toe. Zelfs krachtige fraudebestrijding kan dat ongenoegen niet wegnemen. De woede jegens de beruchte bijstandsmoeder die een kind heeft genomen om een uitkering en een huis te krijgen, blijft bestaan. Het ironische is dat, gezien de lamlendige toekomstperspectieven voor laaggeschoolden, zowel de keuze van de bijstandsmoeder als de woede van de anderen volkomen begrijpelijk is.
JUIST OMDAT de bereidheid om belasting te betalen de kurk is waarop elke verzorgingsstaat drijft, moet de liberalisering van de arbeidsmarkt met argwaan worden bekeken. Maar ook andere beleidsvoornemens moeten opnieuw tegen het licht worden gehouden. De veronderstelde onbetaalbaarheid van de Vut-regeling is betrekkelijk. Misschien is de steun voor de Vut, ondanks de kosten van de regeling, wel zeer hoog. Niet alleen omdat werkenden hopen er zelf ooit van te profiteren, maar ook omdat ze vinden dat een zestigjarige die zijn hele leven heeft gewerkt, zijn rust heeft verdiend. Zolang volledige werkgelegenheid nog niet in het verschiet ligt, is de legitimiteit van het totale stelsel gebaat bij het geven van uitkeringen aan mensen van wie het niet-werken weinig weerstand oproept. Uitgebreide regelingen voor zorg- en studieverlof passen ook in die gedachte.
De ongebreidelde groei van de verzorgingsstaat werd twintig jaar geleden door de Amerikaanse politicoloog Buchanan geweten aan de neiging van politici om hun oren te laten hangen naar de wensen van het electoraat. De gevaren van de huidige beleidsrichting schuilen daarentegen in het feit dat politici weinig oog hebben voor wat de mensen willen. De angst dat het stelsel zijn legitimiteit dreigt te verliezen, is daar een voorbeeld van. Net als de ophef over het vermeende gebrek aan nationale welvaart. Dat is geen thema dat door de bevolking op de politieke agenda is gezet, want uit het Sociaal Cultureel Rapport blijkt dat vier op de vijf mensen tevreden zijn met hun huidige inkomen. Perspectief op de levensvatbaarheid van de verzorgingsstaat vraagt om andere prioriteiten, want meer welvaart is prettig, meer werkgelegenheid geboden, maar meer legitimiteit onontbeerlijk.
De auteur is politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam. De bundel Van de wieg tot het graf wordt volgende week maandag ten doop gehouden in De Balie.