Het groene gevaar

Waanzinnig zou je ervan worden, en dus werd absint eind vorige eeuw verboden. Maar die Zwitserse kindermoordenaar kwam de drankbestrijders wel goed uit. Hoe gek word je van absint?
‘Gegroet, groene likeur, Nemesis van de Orgie! Jij brengt mij vergetelheid in de agonie Door mijn rode lippen in zatheid te drenken. Meer dan een reus wordt in jouw greep
een kind.

Gegroet! Zuster des doods! Breng ons absint, Laat haar in stromen schenken.’
Deze eerste strofe van Alfred de Mussets Ode aan de absint werd pas in 1906 openbaar gemaakt, tijdens de plechtige onthulling van het standbeeld van de Franse dichter. Vijftig jaar eerder was Mussets uitgeteerde karkas al op Pere Lachaise beland, op zevenenveertigjarige leeftijd bezweken aan de drank. Zijn favoriete cocktail was een mengsel van brandewijn en absint, met wat bier erbij om de absint haar karakteristieke drabbigheid te geven. Lyrisch beschreven door zowel kunstenaars als drankbestrijders, belichaamde absint meer nog dan syfilis de preoccupaties van het fin de siecle: decadentie, degeneratie en zelfdestructie.
‘Haar geur, haar kleur, de heftige en sombere tonelen die de absint voortbrengt, hebben aan haar inspirerende kracht doen geloven en haar allerlei verheerlijkende bijnamen bezorgd. Maar als alle andere dranken heeft zij haar aanbidders slechts tot zieken en prozaische misdadigers gemaakt’, schreef de Zwitserse dokter F. Boissier in 1898 in het drankbestrijdingsorgaan L'Abstinence. 'De Musset hield op een groot dichter te zijn vanaf de dag dat hij zich in de macht voelde van de absint.’
ABSINT, een heldergroene likeur met zestig tot tachtig procent alcohol, werd gestookt uit alsem. Dat is een licht giftig en bijzonder taai onkruid dat op geerodeerde vlaktes als laatste overblijft. Het drankje werd rond 1790 voor het eerst gestookt in de met alsem overdekte Franse en Zwitserse Jura. Om de intens bittere smaak te verzachten werden er anijs, koriander en andere kruiden aan toegevoegd. Maar de koortsige absintvisioenen die door de hersenen van de Jura-boeren heen gierden, werden toegeschreven aan de alsem. Rond de likeur ontstond een aura van genot en gevaar, een mythe die lag te wachten op ontdekking door de bohemiens in Parijs.
Het trendy Cafe du Helden begon in 1845 als eerste met het schenken van absint, dat grappenderwijs werd verkocht als 'un train direct a Charenton’, naar het gesticht vlak buiten de stad. Amper twintig jaar la ter was het absintdrinken uitgegroeid tot een cafecultus: l'heure vert, het van vijf tot zes durende borreluur waarin le tout Paris naar de terrassen stroomde voor een dosis absint. Gewiekste reclametekenaars verbonden merken als Pernod en Ricard aan het beeld van een groene femme fatale, een seksbom met katteogen, met slogans als 'Bier? Nooit! Een man heeft absint nodig om op te leven.’
Die populariteit had veel te maken met de bijzondere wijze van drinken. Vanwege het alcoholpercentage en de bittere smaak werd het zelden puur gedronken, maar meestal aangelengd met suikerwater. Absint bevatte stoffen die de drank troebel maakte als ze in aanraking kwam met water. 'Wie het wilde genieten moest ijswater druppelgewijs door een suikerklontje op een geperforeerde lepel in het glas laten sijpelen, waarbij hij de melkachtige spiralen gadesloeg die gaandeweg de drank vertroebelden; daardoor verhief hij zich boven de banaliteit een anonieme cafebezoeker te zijn’, schreef de kunsthistorica Gabrielle Menardeau in 1972 over het absintritueel. 'Hij dacht binnen te treden in het priesterdom van kenners die zo vermetel waren een drank niet te schuwen waarvan de kleur herinnerde aan de ogen van een wilde kat.’ Het vermengen van pure absint met andere spirituosa - couper l'absinthe - werd natuurlijk nog hoger aangeslagen, maar was voorbehouden aan diegenen die de volgende morgen niet direct aan het werk hoefden te gaan: de kunstenaars.
NET ALS ALFRED de Musset bezweek de Franse boheme het liefst aan de absint. Zo sjouwde Paul Verlaine in een speciaal geprepareerde wandelstok altijd een mengsel van cognac en absint met zich mee, dat hij de naam 'aardbeving’ had gegeven. Tragicus Rimbaud bezong de absint in zijn Seizoen in de hel en befaamd is ook het verhaal van de kunstcritus Pelloquet, die op zijn sterfbed hardnekkige pogingen deed om een laatste woord uit te brengen. Eerst dacht men dat hij verlangde naar absolutie, maar het woord dat hij uiteindelijk uit zijn strot kreeg, bleek: 'A…a…a…absint!’
De cultus rond la fee verte werd ook vastgelegd door een eindeloze rij schilders, onder wie Manet, Van Gogh, Picasso, Degas en Toulouse-Lautrec. De laatste twee vereeuwigden het beeld van de eenzaam voor zich uit starende absintdrinkster, verzwolgen door de visioenen. Privat d'Anglemont, de chroniqueur van de toenmalige Franse boheme, beschreef absint als de drank van een generatie 'die er genoeg van had via het verstand te leven’. Daarom bezatten ze zich met een beker gif, 'om niet meer te hoeven denken, in de mening zich te amuseren.’
Veertig jaar lang zou de likeur Frankrijk in haar greep houden. Uit de consumptietoename van 672 duizend liter in 1873 tot maar liefst 48 miljoen liter in 1913 blijkt wel dat absint niet alleen het modedrankje was van Parijse bon-vivants. Niet toevallig viel deze enorme groei samen met een virusziekte die rond 1870 vrijwel alle wijnstokken deed afsterven. Door de produktie te verhogen en de prijs te verlagen sprongen de absintfabrikanten handig in op het plotselinge gat in de markt, tot onsteltenis van de eveneens in deze tijd opkomende drankbestrijding.
'REEDSCH KRIJGT de Parijsche werkman zijn absint voor 5 centimes en met graagte drinkt hij den aristocratische drank, die hij zich nog herinnert als eens onbereikbaar voor zijn beurs’, schreef de Nederlandse drankbestrijder A. J. Ort in 1906 in zijn orgaan De Wegwijzer. Vervolgens somde hij absints bekende effecten op: 'Bij den geregelde gebruiker komen voor: epileptische en hysterische toevallen, schuim voor den mond, eene rochelende ademhaling en eene onwillekeurige stoelgang… Van allernoodlottigst gevolg zijn de dwangvoorstellingen van den absintist: ze zien honden, katten en wanstaltige insecten, worden door gewapende mannen aangevallen, voelen zich door slangen en wormen bekropen, en ruiken een stinkenden walm.’
Deze haast hysterische overdrijving was symptomatisch voor de Europese drankbestrijding rond de eeuwwisseling. Geheelonthoudende doktoren goten honden en konijnen vol met absint om te kunnen observeren hoe de dieren rochelend en stuiptrekkend over de grond dweilden - bewijs van extreme giftigheid. Nadat chemici in 1900 uit alsem het psychoactieve thujone isoleerden (nicotine, cocaine en morfine waren toen net ontdekt) werd deze stof aangewezen als de grote boosdoener. Voor de verslaving eraan werd een speciale naam verzonnen: absintisme.
De drankbestrijding was sterk beinvloed door de pas opgekomen psychiatrie, die een sterk verband zag tussen alcohol en waanzin. De degeneratiedoctrine van Auguste Morel beweerde zelfs dat alcoholisme via overerving krankzinnige, perverse en uiteindelijk volslagen idiote kinderen en kleinkinderen veroorzaakte. Deze theorie leidde in heel Europa tot het idee dat drank een groot gevaar was voor de 'volkskracht’ van de samenleving. Vandaar dat diverse landen (waaronder Nederland) overwogen om alcoholisten een huwelijksverbod op te leggen.
Van alle alcohol was absint in Europa het meest gevreesd, niet in de laatste plaats vanwege de angst voor seksuele uitspattingen. In 1899 zag de Zwitser Boissier als gevaarlijkste effect van absint de 'onweerstaanbare drang tot de een of andere daad’. Hij noemde het opmerkelijk 'dat in juni en juli geregeld de meest gepassioneerde misdaden gepleegd worden. Dit terwijl biologisch gezien het maximum aantal aanvallen van hartstocht toch moet plaatsvinden in de maand maart.’ Hij concludeerde: 'Het is alweer de absint. Juni en juli zijn de officiele maanden van de absint, omdat dit op de terrassen de meest gewaardeerde verfrissing is. Het seizoen van de absint is dus het seizoen van de misdaad.’
Boissier had Frankrijk toen al opgegeven, en vreesde dat Zwitserland de tweede prooi zou worden van de duivelse drank: 'Aan Parijs, waar mannen, vrouwen en kinderen aan de absint zijn, waar reusachtige affiches naast een lief jong vrouwtje een met linten versierde fles vertonen, waar het hellevocht niet meer alleen als eetlustopwekker, maar op ieder uur van de dag - en de nacht! - gebruikt wordt; aan Parijs moge Zwitserland zien hoe ras men is overgeleverd aan de drankdemon!’ De van oudsher absint stokende boeren in de Zwitserse Jura toonden evenwel weinig animo om daar opeens mee te stoppen.
Nadat in 1906 een Zwitserse absintdrinker uit Commugny een bijl pakte en zijn vrouw en kinderen de hersens insloeg, gingen echter alle remmen los. Een optocht van woedende dorpsbewoners trok naar het kantonaal gerechtsgebouw en dreigde de boel kort en klein te slaan als er niet snel een referendum kwam om de absinthandel te verbieden. Deze eis werd al snel gesteund door een coalitie van kerkleiders, drankbestrijders en wijnboeren. Ondanks protesten dat een verbod de persoonlijke vrijheid zou beknotten, werd absint een jaar later inderdaad verboden.
NA DE ZWITSERSE moordpartij begon ook in Nederland de roep om een verbod te klinken. A. J. Ort erkende weliswaar in De Wegwijzer dat absint slechts sporadisch gedronken werd 'in sommigen studentenkringen’, toch was het beter te voorkomen dan te genezen, temeer omdat absint 'het nageslacht degenereert. Niet alleen het monster van Commugny was een kindermoordenaar; iedere absintist mag op dezen naam aanspraken. Teringlijders, nerveuse, idiote en epileptische kinderen zijn het, die de absintist de zijne noemt.’
In zijn brochure Het groene gevaar uit 1908 eiste Ort vervolgens een Nederlandse absintwet, die een jaar later inderdaad werd aangenomen. Tussen 1908 en 1913 verboden ook Belgie, Italie, Noorwegen en Louisiana absint. In Frankrijk maakte men zich echter niet al te druk. 'Absint maakt slechts slachtoffers bij de derde-klassereizigers’, zo reageerde minister Prevost op in 1906 gestelde kamervragen. Er waren door de fors gestegen accijnzen grote financiele belangen gemoeid met de absintproduktie.
Het tij keerde echter toen de drankbestrijders hulp kregen van de Franse wijnbouw, die rond 1907 de eerste acceptabele oogsten uit de grond wisten te krijgen. Het gevolg was dat senatoren uit de wijnproducerende districten de ene donderpreek na de andere afstaken tegen de absint. Tegelijkertijd zorgden ze ervoor dat de replieken van de senator uit de Jura door journalisten werden weggehoond. Terwijl de absintconsumptie allesbehalve stagneerde (deze bereikte zijn absolute toppunt in 1913), werd de tijd langzaam rijp gemaakt voor de terugkeer van de wijn.
De genadeklap kwam met de Eerste Wereldoorlog. Absint werd in 1915 verantwoordelijk gesteld voor de wanprestaties van de Franse soldaten. Snel en geruisloos werd een absintwet aangenomen, die kracht werd bijgezet door een weigerachtige Bretonse kroegbaas op te sluiten wegens 'het in gevaar brengen van het Franse ras’. Alle alsemvelden werden in de brand gestoken. De absintfabrikanten Pernod en Ricard waren ruim van tevoren ingelicht, zodat zij op tijd konden overschakelen op pastis (naar pastiche, imitatie dus) waarin alsem werd vervangen door een extra dosis anijs. Hoewel pastis in Frankrijk nog steeds populair is, was de magie van de absint voorgoed verdwenen.
De hardnekkige absintliefhebbers vielen terug op onder de toonbank geleverde flessen die afkomstig waren - en nog steeds zijn - uit illegale destileerderijtjes in de Jura. Voor de rest van de bevolking verwaterde absint tot een mythische naam uit een grijs verleden, een langzaam vervagende herinnering aan de emmers goene alcohol waarin de Fransen hun mal du siecle hadden getracht te verdrinken.
Kunsthistorica Gabrielle Menardeau zag de absint-rage als een tegenwicht aan een snel verstedelijkte, jachtige en onverschillige samenleving: 'Getourmenteerd door de eerste schokken van de massamaatschappij, spande de mens zich in om een individuele herwaardering te vinden. Absint corrigeerde de anonieme serieproduktie van de industriele distillatie door haar persoonlijke, ontspannen en speelse kant, die te zien was in de zorgvuldigheid waarmee de genieter water en suiker toevoegde.’
De vrijheid waarmee de absintdrinker zichzelf bezag, bleek echter een illusie: 'Want hoe had hij zijn eigen beeld kunnen waarnemen in de tegenover elkaar staande spiegels die de ruimte van het cafe deden uitdijen in perspectieven van een mistige oneindigheid? Het beeld van een man met mechanische gebaren, een opgezwollen gezicht en een uitgebluste blik?’
DE VRAAG BLIJFT: is absint werkelijk giftig? Volgens het Amerikaanse blad Trends in Pharmacological Sciences lijkt thujone enigszins op tetrahydrocannabinol, het psychoactieve ingredient van marihuana. Uit metingen bleek echter dat een glas absint hooguit 3 milligram thujone kon bevatten. Door het extreem hoge alcoholpercentage betwijfelt het blad of iemand ooit genoeg thujone binnen zou kunnen krijgen om high van te worden. Bovendien is de psychische activiteit van thujone nooit bewezen.
Het blad geeft wel een andere verklaring voor het gekmakende effect: er werd op grote schaal geknoeid met absint. Zo werd de groene kleur wel opgepept met giftige verbindingen als kopersulfaat en anilinegroen. Om de drank extra troebelheid te geven, werd wel gebruik gemaakt van giftige verbindingen als anti-moontrichloride of loodsuiker.
A. H. Oort, een van de weinige genuanceerd denkende schrijvers in De Wegwijzer (niet te verwarren met A. J. Ort) merkt in 1907 op dat het gevaar van absint wellicht lag in 'het feit dat de sterke smaak van het aroma den wansmaak van slechten alcohol bedekt, zoodat de op winst beluste fabrikant zeer minderwaardige, soms zelfs gedenaturaliseerden alkohol gebruiken kan, zonder dat de drinker dit merkt.’ Als dit waar is, zijn de surrealistische metaforen van Rimbaud, Verlaine en de Musset rechtstreeks op het conto van methanol en brandspiritus te schrijven.
Charles Sournia merkt in zijn standaardwerk A History of Alcoholism op dat de gruwele gevolgen van de absintroes verdacht veel lijken op een ordinaire delirium tremens. Na jaren van wijndrinken zouden de Fransen gewoon niet gewend zijn aan het absurd hoge alcoholpercentage van absint. Sournia noemt de likeur de zondebok voor het excessieve alcoholgebruik rond de eeuwwisseling en een bliksemafleider voor de puriteinse drankbestrijding. Deze kon na het absintverbod weer rustig gaan slapen, verlost van de vloek van de groene femme fatale.
ABSINT IS ECHTER bezig aan een comeback. Deze begon met een dineetje dat Pierre Aubert, de uit de Jura afkomstige president van Zwitserland, tien jaar geleden gaf voor Francois Mitterrand. Aubert serveerde als toetje een in pure absint gedrenkte pudding, een voorval dat de wereldpers haalde en in Zwitserland het debat rond absint weer opende. Een lobby van arme Jura-boeren beweert inmiddels dat de aloude krankzinnige kunstenaars en absintmoordenaars zich in feite in het laatste stadium van syfilis bevonden, wat reden genoeg is om weer te beginnen met de absintproduktie.
Een eerste reclamecampagne werd in 1993 verzorgd door Francis Ford Coppola, die zijn film Dracula opende met een in verleidelijke groene tinten gedrenkte scene in een Londense absintkroeg. Coppola haakte hiermee in op de aan de Amerikaanse westkust herlevende belangstelling voor antieke victoriaanse drugs als laudanum, damiana en absint. Zakjes alsem zijn inmiddels te koop in headshops van San Francisco tot Amsterdam. Op het Internet circuleren allerlei recepten voor pseudo-absint (de meest simpele: laat drie koppen suikerstroop, een lepel koriander, vier lepels anijs en vijf lepels verkruimelde alsem acht dagen weken in een fles goedkope wodka; daarna zeven en opdrinken). Voor wie dit niet vertrouwt: de Tsjechische brouwerij Radomol kreeg vorig jaar toestemming om absint te gaan stoken. Hiermee zijn Tsjechie en Spanje (waar de likeur nooit verboden is geweest) de enige Europese landen waar legaal absint wordt gestookt.
Een rondje bellen langs Amsterdamse slijterijen leert dat de likeur nog niet echt is doorgedrongen tot Nederland. Maar absint is door de slijters eigenlijk nooit vergeten: 'Meneer, dat is hier streng verboden. Daar word je blind/zenuwziek/kierewiet van!’ is de standaardreactie. Theo Franse van Drinkland hoort er regelmatig jonge Noren en Amerikanen om vragen. 'Die hebben ergens een bel horen rinkelen. Maar ja, ik verkoop geen drugs.’ Dennis Oosterwijk van Chateau heeft voor een rijke Nederlandse klant wel eens geinformeerd in het buitenland. 'Ik kon er vrijwel niet aankomen. Maar om hoeveel flessen gaat het?’ Ronald Berger van De Ware Jacob wil zelfs wel een enkel flesje bestellen. 'Niet via de slijterij hoor, want het is natuurlijk hardstikke illegaal. Maar ik heb vrienden die vaak naar Spanje gaan. Die nemen wel een flesje mee.’
Illegaal is absint hier zeker. Hoewel het ministerie van VWS er aanvankelijk nog nooit van heeft gehoord, meldt voorlichter Benno Bruggink na enig zoekwerk: 'U bent de eerste die er in twintig jaar naar vraagt, maar de handel in absint is inderdaad een misdrijf. Iedereen die het toch doet krijgt te maken met de drankinspectie.’
DE VRAAG OF JE echt gek wordt van absint durf ik dan ook niet te beantwoorden. Het spul is gewoon niet te krijgen. Liever geef ik het laatste woord aan Alfred de Musset, die er blijkens de laatste in alcohol gedrenkte strofe van zijn Ode aan de absint meer verstand van had.
'Wat mij betreft: ik wens de ouderdom niet, Ik stel mijn zwakte tegenover jouw esprit. Bevecht me! Jouw lijf is mijn, mijn lijf dijn. Vannacht weer weten wij na een grotesk duel Of jij mij of ik jou zal voeren naar de hel. De dood zal onze getuige zijn.’