De gekooide vrouw in de literatuur

Het gromt en bijt op zolder

Het thema van de gekooide, gekke vrouw is onder andere in literatuur over Jane Eyre een symbool geworden voor de verdrukte vrouwelijke verbeeldingskracht, creativiteit en seksualiteit.

Drie trappen leiden naar de zolderverdieping van Thornfield Hall, het imposante landgoed in Yorkshire, Engeland. Via een kleine zwarte deur die met een sleutel ge opend moet worden, kom je in een gestoffeerde kamer waarin een groot bed staat en rondom schilderijen aan de muur hangen. Achter een van die schilderijen zit een tweede deur verborgen, wederom met een sleutel te openen. Dan kom je in een kamer zonder ramen, waar meestal wel een vuur brandt, afgeschermd door een flink hekwerk. In de verste hoek van de kamer beweegt iets. Op handen en voeten. Is het een beest of een mens? Het gromt en bijt, en het blijkt een jurk aan te hebben. Het is de krankzinnige vrouw van Mr Rochester, de man met wie Jane Eyre, het personage uit de gelijknamige roman van Charlotte Brontë, in het huwelijk dacht te treden. De gekkin op zolder, het duistere alter ego van een schrijfster, die Jean Rhys in de jaren zestig inspireerde tot de roman Wide Sargasso Sea, en die onlangs wederom opdook in Charlotte: The Final Journey of Jane Eyre, van de hand van D.M. Thomas.

Als kind had ze het al eens gelezen, maar toen de Dominicaans/Engelse schrijfster Jean Rhys op vijftigjarige leeftijd Jane Eyre van Charlotte Brontë herlas, leek alles opeens op zijn plaats te vallen. De waanzinnige Mrs Rochester, zo'n honderd jaar eerder door Brontë opgesloten op zolder, had bij Rhys al die tijd in haar onderbewuste liggen sluimeren. Sterker nog: deze figuur leek de perfect geëvolueerde gedaante van de personages die tot dan toe in haar eigen werk de hoofdrol speelden. Wild, kwaad, destructief en nog net niet totaal gek zijn de vrouwen in de romans van Jean Rhys, zoals Marya in Quartet (1928) en Anna in Voyage in the Dark (1934). Ze verliezen zichzelf in hun verlangen naar eeuwige schoonheid, in hun afkeer van de Engelse, zogenaamde beschaving, in hun mateloze drankgebruik, maar vooral gaan ze natuurlijk ten onder aan hun liefde voor de verkeerde man.

Als ik Rhys’ biografe Carole Angier mag geloven, was dit vrouwtype op het lijf van haar bedenkster geschreven. Rhys’ lange leven (1890-1979) speelde zich in de dameshel af. Ze had een talent om op oplichters te vallen die niet zelden voor een tijdje in de gevangenis verdwenen, waardoor haar leven vooral werd bepaald door armoede. Jean Rhys lijkt nu misschien een tamelijk gevestigde schrijversnaam, maar gedurende de meeste jaren van haar productieve leven leidde ze een bestaan in de marge, zo niet in de goot.

Aangemoedigd door de (getrouwde) schrijver Ford Maddox, met wie ze een verhouding had, begon ze op haar 35ste serieus werk van haar schrijven te maken. Vóór de Tweede Wereldoorlog publiceerde ze het grootste deel van haar oeuvre. Vooral met Good Morning, Midnight (1939), dat alom enthousiast werd ontvangen, had ze haar naam definitief kunnen vestigen. Maar op de een of andere manier bracht de oorlog een cesuur in de receptiegeschiedenis van haar werk teweeg, die ze pas weer te boven kwam door Mrs Rochester van zolder te halen. Let wel, toen ze dat inmiddels aloude plan eindelijk ten uitvoer had gebracht, liep ze tegen de tachtig.

De wordingsgeschiedenis van Wide Sargas so Sea (1966, «The extraordinary story of the first Mrs Rochester, the mad wife in Charlotte Brontë’s Jane Eyre» zette de uitgever als ondertitel op de omslag), is een Rhys-roman op zichzelf. Rhys las Jane Eyre in 1939, toen ze net met veel moeite en vooral veel drank een einde had gedraaid aan Good Morning, Midnight.

Het verhaal dat Charlotte Brontë op dertigjarige leeftijd schreef, in 1847, is bekend: het lelijke eendje Jane Eyre wordt na een liefdeloze jeugd in een weeshuis, gouvernante op het landgoed Thornfield Hall ten behoeve van het dochtertje van weduwnaar-bullebak Mr Rochester, voor wie ze een vurige hartstocht opvat. Hij raakt, ondanks haar lelijkheid, ook aan haar gehecht. Op het moment dat ze zullen gaan trouwen, wordt bekend dat Rochesters vrouw nog in leven is. Ze is alleen gek en zit opgesloten op de zolder van Thornfield Hall, met als cipier de imposante Grace Pool.

Jane Eyre slaat op de vlucht en wordt opgenomen in een predikantenfamilie. Bijna sluit ze een verstandshuwelijk met de brave zendeling St John Rivers, tot ze geroepen wordt door een stem van verre. «Jane! Jane! Jane!» Jane vliégt over de moors terug naar Thornfield Hall, dat in de as blijkt te liggen. Mr Rochester zit op een bankje voor een kleiner onderkomen vruchteloos voor zich uit te staren. Hij is blind geworden toen hij probeerde zijn vrouw te redden, die het huis in brand had gestoken. Nu ze dood is, kunnen hij en Jane Eyre alsnog trouwen. Aldus geschiedt. «Reader, I married him.»

Zo in uitgeklede vorm lijkt dit een nogal zoetsappig verhaaltje, op het keukenmeidenromannerige af, maar onweerstaanbaar aan Jane Eyre zijn de heftige verteltrant en de onderhuidse seksuele spanning. Constant aanwezig is de dreiging van het gekooide beest op zolder, in zijn pure pre-freudiaanse gedaante meer vintage-Freud dan wat ook. Het mad-woman-in-the-attic-thema is dan ook in latere psychoanalytische en feministische interpretaties van Jane Eyre en andere literaire werken symbool geworden voor de (verdrukte) vrouwelijke verbeeldingskracht, creativiteit en seksualiteit.

De bekendste duiding in dit verband is die van Sandra Gilbert en Susan Gubar, die begin jaren tachtig in hun omvangrijke studie The Madwoman in the Attic: The Woman Writer and the Nineteenth-century Literary Imagination een interessant hoofdstuk wijdden aan Jane Eyre. Bertha Mason, zoals de meisjesnaam van Mrs Rochester luidt, wordt hierin geanalyseerd als het ware, zwarte zelf van het Jane Eyre-personage. Zij is de ongecensureerde, agressieve kant van de ogenschijnlijk zo tembare en beheerste gouvernante.

Deze gespletenheid van het karakter van haar bekendste personage sluit aan bij het beeld van leven en werk van Charlotte Brontë zoals dat herzien blijkt te moeten worden nu Brontës-biografe Juliet Barker brieven en andere persoonlijke documenten boven water heeft weten te krijgen en die tezamen met het aloude materiaal in een nieuw licht heeft geplaatst.

Voorheen werd Charlotte Brontë afgeschilderd als een getalenteerde blauwkous, braaf werkend tegen de klippen op en vol romantische scheppingsdrang. Barker zet daar het beeld tegenover van een arrogante intrigante die de reputaties van haar zusters voorgoed naar haar hand zette. Na hun dood bepaalde zij wat er van hun werk nog naar buiten kwam: gedichten van Anne redigeerde ze ingrijpend en de tweede roman van Emily vernietigde ze zelfs helemaal. Haar hele leven (1816-1855) ging Charlotte Brontë gebukt onder het gevecht tussen plicht en verlangen, wat haar aanvankelijk zelfs het door haar gehate gouvernantenbestaan deed aanvaarden. Ze was ambitieus en gefrustreerd, werd enerzijds gedreven door de behoefte aan erkenning en anderzijds door een hartstochtelijk verlangen zich aan een man te onderwerpen. Om even een mooie vrouw te kunnen zijn, was ze bereid al haar werk in te ruilen.

Jean Rhys zal met name geraakt zijn door de passage in Jane Eyre waarin Mr Rochester, in een poging zijn bigamie te rechtvaardigen tegenover Jane, haar in het kort vertelt over de achtergrond van zijn gekke vrouw op zolder. In zijn jonge jaren had hij deze «blanke Creoolse» van Jamaica meegenomen naar Engeland. Het was een gearrangeerd huwelijk, gesloten uit financiële overwegingen, waarbij voor hem verborgen werd gehouden dat er gekte in de familie Mason zat. In eerste instantie zag hij alleen maar een exotische schoonheid: lang, donker, majestueus. Zogauw hij met haar alleen was, bleek ze echter krankzinnig en gevaarlijk.

Nu was Jean Rhys zelf ook zo'n blanke Creoolse oftewel «witte neger» die op haar zestiende van Dominica werd getransponeerd naar Engeland. Een overtocht met hooggespannen verwachtingen, waaraan ze veel van haar latere ellende toeschreef. De deceptie die ze voelde toen ze voor het eerst zag hoe grauw, armetierig en lelijk Londen en zijn inwoners waren, waar zij rijkdom, grandeur en elegantie had verwacht, kwam ze nooit echt te boven. Engeland had haar in de steek gelaten.

Het gegeven van het Caribische meisje dat op haar geboortegrond wordt uitgestoten omdat ze niet bij de witten en niet bij de zwarten hoort, met grootse ideeën in een vij andige omgeving terechtkomt en uiteindelijk gek verklaard een vegetatief bestaan leidt op een zolderkamertje van een grauw landgoed, moet voor Rhys de extreme verzinnebeelding van haar eigen lot zijn geweest.

Vrijwel direct na lezing creëerde Rhys de tragische geschiedenis van Bertha Mason ofwel de eerste Mrs Rochester. Ze noemde dit boek in wording Le revenant, «The Ghost». Haar toenmalige echtgenoot tikte nog vóór de oorlog uitbrak het manuscript uit, dat echter in een onbewaakt moment, geheel in de geest van de beschrevene, door Jean Rhys in een aanval van woede werd verbrand. Ze had weliswaar nog haar handgeschreven versie, maar die raakte ze voor het grootste deel kwijt toen ze weer eens van de ene plek naar de andere verhuisde. Jaren later vond ze in een koffer nog twee hoofdstukken die ze gebruikte voor Wide Sargasso Sea. Maar toen was ze wel alweer 25 jaar verder.

Eind jaren vijftig wordt Jean Rhys herontdekt door een redacteur bij een grote Engel se literaire uitgeverij, Francis Wyndham. Hij staat perplex als hij erachter komt dat de schrijfster van die heftige romans van voor de oorlog nog in leven is en neemt contact met haar op. Ze vertelt hem over Mrs Roch ester, die haar nog steeds niet heeft losgelaten. Wyndham is enthousiast en betaalt haar meteen een voorschot. Negen jaar duurt het nog voordat het boek er uiteindelijk ligt.

Rhys noemde het een demon van een boek, dat een demon vereiste om het te schrijven. Eindeloos schoof ze met het vertelperspectief. Gecompliceerd was ook dat ze ver terug moest in de tijd; ze moest haar verhaal immers situeren in het begin van de negentiende eeuw. Ze las en herlas Jane Eyre opdat ze de toon te pakken kreeg en die zou vasthouden. Aanvankelijk koos ze alleen Bertha, of Antoinette zoals ze bij Rhys heet, als vertelster, vervolgens experimenteerde ze met het vertellen vanuit het perspectief van de cipier, Grace Pool. Uiteindelijk hanteerde ze in afwisselende delen zowel het perspectief van Antoinette (door Mr Rochester toegeëigend als «Bertha» omdat hij dat een mooie naam vond) als dat van Mr Rochester.

In Wide Sargasso Sea geeft Jean Rhys niet alleen Antoinette een gezicht en een geschiedenis, waardoor ze een tragische heldin wordt, maar ook Mr Rochester. Antoinette, «de witte kakkerlak», voelt zich zwart maar wordt door de zwarten uitgescholden en verstoten. Haar sensitiviteit wordt in toenemende mate op de proef gesteld als ze de koude Engelsman ontmoet.

Rochester is slachtoffer van de machinaties van zijn vader én van zijn lust. Antoinette is voor hem de vreemde, de ander, naar wie hij dorst als naar niemand anders en die hem ook altijd dorsten en verlangen laat. Hun beider ondergang geeft Rhys een race, culture and gender-dimensie ver voordat dat in de mode is.

Dat het er inmiddels in het post-politiek-correcte tijdperk heel anders aan toegaat, bewijst het opmerkelijke kunststukje dat de Engelse schrijver D.M. Thomas onlangs toevoegde aan de Jane Eyre-saga, het eerder genoemde Charlotte: The Final Journey of Jane Eyre. Thomas is vooral bekend geworden met zijn roman The White Hotel (1981), waarin hij ingenieus een freudiaanse case-history vervlecht met een massaslachting in de Tweede Wereldoorlog. Thomas maakt gebruik van het psychoanalytische gedachtegoed alsof het verborgen waarheden zou kunnen bevatten, hetgeen in The White Hotel als een betoverende geschiedenis uitpakt. Dat de schrijver van juist dit boek zich nu op Jane Eyre en de schrijfster daarvan richt, maakt op z'n minst zeer benieuwd.

Spannend is Charlotte zeker. Allereerst heeft de roman een verrassende constructie, waardoor je als lezer telkens op het verkeerde been wordt gezet. Aanvankelijk lijkt het alsof je «gewoon» het vervolg op Jane Eyre zit te lezen, met als beginzin: «Reader, I married him.» De negentiende-eeuwse toon, inclusief het dialect van het bedienend personeel, heeft echter na een paar bladzijden wel iets merkwaardig vets, het is net allemaal een beetje overdone. Als dan ook nog het accent komt te liggen op het seksleven van de Rochesters, waarbij het Rochester lukt om Jane te doen geloven in een geheel nieuwe betekenis van het begrip penetratie, dringt de gedachte aan een pastiche zich wel erg nadrukkelijk op. Grace Pool, uit de as van Thornfield Hall herrezen, vertrouwt Jane toe dat de eerste Mrs Rochester een zoon had die ze gedwongen was achter te laten op Martinique. Na de dood van Rochester vertrekt Jane, samen met Grace Pool, naar Martinique om de zoon van Bertha Mason te gaan zoeken.

Vervolgens bevinden we ons op Martini que, anderhalve eeuw verder, en niet langer in het gezelschap van Jane Eyre, maar in dat van Charlotte Brontë herself. Deze Charlotte heeft zichzelf vooral ten doel gesteld om binnen zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk zwarte mannen op het eiland te neuken. Inderdaad, hoeveel bezoedeling kan een dode schrijfster verdragen?

Bertha Mason is back en hóe, kijkend hoe vlinders het doen en zich afvragend of die het alleen maar bij de eigen soort houden of dat ze het ook met andere kleuren doen, zoals zijzelf smacht naar zwart en alles van die kleur — dik, stinkend, dom en lelijk — op zich trekt.

Eindelijk vallen de schrijfster en haar alter ego’s samen in een ongecensureerd en com promisloos zelf, dat in de optiek van Thomas blijkbaar gelijkstaat aan een allesverslindende seksualiteit. «Reader, I had sex with just about everybody.» Charlotte: The Final Journey of Jane Eyre laat zich nog het best vergelijken met een versekste versie van Asterix en Obelix, waarbij Jane Eyre blijkbaar ooit in een ketel afrodisiacum is beland en daarna de sopperigheid niet meer te boven is gekomen.

Wat bezielde D.M. Thomas bij het schrijven van dit boek? Is het allemaal een grap? Maar een béétje freudiaan wordt juist oplettend zogauw er moppen verteld gaan worden. Angst voor de vagina dentata, het grommende, bijtende vrouwelijk geslachtsdeel? Misschien dat iemand over een hele tijd, als de schrijver allang dood is, nog eens de moeite neemt om de gekke vrouw die bij D.M. Thomas van zolder kwam te analyseren. Al denk ik dat het niet elk raadsel gegeven is de aandacht door de tijd heen vast te houden. Daarvoor is over het algemeen net iets meer onderhuidsheid vereist.

Charlotte Brontë, Jane Eyre. 1847, uitg. Pan Classics

Jean Rhys, Wide Sargasso Sea. 1966, uitg. Penguin Books

D.M. Thomas, Charlotte: The Final Journey of Jane Eyre. 2000, uitg. Duckworth Literary Entertainments

Carole Angier, Jean Rhys: Life and Work. 1990, uitg. André Deutsch

Juliet Barker, De Brontës: Een biografie over de familie Brontë. 1997, uitg. De Bezige Bij

Sandra M. Gilbert & Susan Gubar, The Madwoman in the Attic: The Woman Writer and the Nineteenth-century Literary Imagination. 1979, uitg. Yale University Press