Oudheidkundige Van Giffen in Groninger Museum

Het Groningse Ur

Onder de titel Professor Van Giffen en het geheim van de wierden toont het Groninger Museum zijn oudheidkundige collectie als was het een noordelijke thriller over een eigengereide professor op een stoomfiets, die wereldfaam verwerft als stamvader van de Nederlandse oudheidkunde.

Het geheim van de wierden begint met Gaius Plinius de Oude (± 23-79 na Chr.). Hij beschreef de kweldergebieden van Groningen en Friesland uit de eerste hand. De lokale bevolking, de Chauken, schreef hij, woonde «op hoge wierden of dammen die ze eigenhandig hebben opgeworpen tot de hoogste waterstand die ze hebben meegemaakt». De Chauken hadden geen vee, konden geen gewassen verbouwen en er viel niets te jagen, behalve op de vis die bij eb achterbleef. Het was er arm en onherbergzaam: «Met de hand verzamelen ze slijk dat ze meer door de wind dan door de zon laten drogen en met deze turf verwarmen ze hun voedsel en hun door de noordenwind verkleumde lichamen. Ze drinken uitsluitend regenwater dat ze in kuilen bij de ingang van hun huis bewaren. (…) Zo gaat het inderdaad: het lot laat veel mensen in leven om ze te straffen.» Plinius’ observaties zouden vele honderden jaren het (zelf)beeld van het noorden bepalen als een barre buitenpost, een moddergat, waar het christendom maar nauwelijks wortel had geschoten en dat pas in loop van de elfde eeuw veilig was bedijkt.

De spaarzame verslagen over de Nederlanden van Plinius en Tacitus vormden tot in de vroegmoderne tijd de enige spiegel waarin iets van de lokale bevolking te herkennen was, de Bataven en de Kaninefaten, de Friezen en de Chauken, met hun half legendarische vorsten Claudius Civilis, Brinio, Friso en Gruno. Die bronnen stonden tot de achttiende eeuw overeind en daarmee ook het gevoel dat de geschiedenis van onze contreien eigenlijk pas begon toen de Romeinse beschaving erheen kwam. Hoe de feitelijke bewoningsgeschiedenis was, bleef lang onbekend. Na de achttiende eeuw werden regionale verschijnselen als de hunebedden en de wierden onderwerp van onderzoek. Aanvankelijk gebeurde dat door amateur-volkskundigen, zoals Daniël Riga, bovenmeester te Westerwijtwerd, Arend Folmer, huisarts te Eenrum, ds. Wilbrand Koppius uit Den Ham en de dichter Ubel Wierda uit Winsum, tevens uitvinder van de multiplexschaats, waarop hij in februari 1891 patent verkreeg en waarmee men zowel hard- als schoonrijden kon. Zij brachten voorzichtig de lokale geschiedenis in kaart en vanzelfsprekend kregen zij belangstelling voor die merkwaardige wierden, die in de tweede helft van de negentiende eeuw in hoog tempo werden afgegraven. De terpaarde, resultaat van twintig eeuwen opgestapeld organisch materiaal, was gezocht als mest en de arme streek kon de inkomsten niet missen.

De oudheidkundigen zagen de teloorgang van het erfgoed met zorg aan. In 1877 werd voor het eerst aandacht besteed aan de terpen- en wierdenproblematiek op de Grote Historische Tentoonstelling in Leeuwarden, maar zonder enige wetenschappelijke context: «Het publiek heeft er zeer weinig aan, daar het niet eens de eerste inlichting ontvangt op zijne vraag ‹Wat is een terp?›» schreef de Groninger hoogleraar Pleyte korzelig. Die wetenschappelijke onderbouwing was er niet. Op universitair niveau kwam de archeologie pas in de twintigste eeuw tot ontwikkeling. Er was een leerstoel Archeologie en Oude Geschiedenis en Romeinsche Oudheden in Leiden, maar de discipline kwam pas enigszins tot bloei met de aanstelling, in 1904, van dr. A.E.L. Holwerda als directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden.

Holwerda had weinig op met de lokale oudheidkunde. De voorzitter van het Friesch Genootschap, de jurist Boeles, beschouwde hij als een dilettant. Hij had zijn eigen zoon Jan Hendrik benoemd tot conservator voor de Nederlandse archeologie. Samen adviseerden zij hun minister geen subsidie te geven voor kleinschalig lokaal onderzoek. De Friezen en Groningers voelden zich geschoffeerd.

De kwestie werd op scherp gezet door de Leidse Hoogleraar scheikunde J.M. van Bemmelen sr. (1830-1911) in zijn Beschouwing over het tegenwoordige standpunt onzer kennis van de Nederlandsche terpen van 1907. Hij pleitte voor een natuurwetenschappelijke benadering van de afgravingen, onder deskundig toezicht. Er zou moeten worden gelet op geologische en biologische aspecten, op verschillende lagen, de resten van vuurplaatsen, resten van bouwmateriaal. Die aanpak stond ver af van de praktijk van de oude Holwerda, die nog tot de archeologen behoorde die vrolijk met spa en houweel Egyptische graven te lijf gingen. Van archeozoölogie, paleobotanie, bodemkunde, plantensociologie, pollenanalyse of de driedimensionale ordening van een opgraving had hij geen kaas gegeten. Tijd voor een nieuwe generatie, dus: ziedaar de student Albert (Ab) Egges van Giffen (1884-1973).

De oudheidkundige loopbaan van de predikantenzoon Van Giffen begon in 1908 toen hij als student biologie meeloper werd bij de afgraving van de wierde van Dorkwerd. Het was een ondernemende jongen, een scherp ob servator, goed ingevoerd in biologie, bodemkunde, geologie en anatomie. En hij was ijverig. Met steun van Van Bemmelen, Boeles en het Friesch Genootschap kocht hij een motorfiets, «stoomfiets», placht hij zelf te zeggen, behaalde op 1 maart 1909 zijn rijbewijs en bezocht vervolgens alle afgravingen in de streek. Hij deelde onder de afgravers sigaren, potloden en etiketten uit, om ze zo ver te krijgen vondsten te bewaren en aan te tekenen waar de vondst gedaan werd.

Zijn patroons kwamen er al snel achter dat de energieke student ook een lastige jongen kon zijn. Van Giffen bood 750 in Friesland gevonden voorwerpen koeltjes te koop aan, tot ontsteltenis van Boeles, die ervan uit was gegaan dat zijn Genootschap de vondsten zou krijgen als tegenprestatie voor de subsidie, maar dat stond niet op papier. Boeles had geen keus, en betaalde. Net zo «bemiddelde» Van Giffen bij de aankoop, door het Groninger Museum, van twaalfde-eeuwse bronzen apos telkoppen van de St. Walburgkerk in Groningen die hij zelf tegen een klein prijsje van de spitters had overgenomen.

Spoedig viel ook het oog van de Holwerda’s op Van Giffen, en zij lokten hem naar Leiden met de belofte van een vaste aanstelling. Daar kregen ze spijt van. Van Giffen ontpopte zich weliswaar als een veelbelovende archeoloog, maar ook als een «kort aangebonden, eigen gereide, heetgebakerde en humeurige persoonlijkheid», die binnen de kortste keren bittere ruzie kreeg met de ambtelijke wereld.

De episode wordt in de uitzonderlijk mooie catalogus met smaak («Botsende Noorderlingen») uit de doeken gedaan. Het is een conflict van bordewijkiaanse allure. De Holwerda’s ontkennen dat zij Van Giffen ooit een vaste aanstelling hebben beloofd. Van Giffen klaagt de Holwerda’s aan bij de curatoren van de universiteit. Hij beschuldigt de Holwerda’s ervan het Rijksmuseum – en daarmee de Nederlandse archeologie – als een particuliere instelling te beheren. Hij stoot zijn neus bij de verkoop van vondsten; als rijksambtenaar mag Van Giffen dat formeel niet meer doen en schakelt een tussenpersoon in, een bevriende koffiebrander uit Meppel. De Holwerda’s trappen er niet in, tot woede van Van Giffen. Hij beschuldigt Holwerda jr. van het vervalsen van gegevens bij de opgravingen van Arentsburg. Hij lastert, konkelt, insinueert. De zaak komt uiteindelijk terecht op het bureau van de minister-president, Cort van der Linden, die zich midden in oorlogstijd persoonlijk met de zaak moet bemoeien. De oplossing komt uit het noorden. Van Giffens baan wordt overgeheveld naar het Zoölogisch Laboratorium te Groningen – ver weg van Leiden. In 1916 krijgt Van Giffen de leiding over de opgraving van de wierde De Wierhuizen bij Appingedam, en daar begint Van Giffens Groningse victorie. Binnen de kortste keren is hij de spin in het web van de noordelijke archeologie. Hij is leider van de Vereeniging van Terpenonderzoek, inspecteur van de voor- en vroeg-historische afdeling van het Groninger Museum en conservator van het Drents Museum. In 1920 richt hij zijn eigen Biologisch-Archeologisch Instituut op. In 1939 wordt hij hoogleraar.

De apotheose is Ezinge. De afgraving van de wierde daar wordt bevorderd door de crisis van 1929; Van Giffen regelt de tewerkstelling van werklozen als afgravers. Wat hij blootlegt is sensationeel. Complete boerderijen, waarvan de palen en het vlechtwerk van de wanden gedeeltelijk nog overeind staan, komen aan het licht. Stallen voor vijftig stuks rundvee. Wagenwielen met spaken. Romeins aardewerk uit Tunesië. Van Giffen toont aan dat de wierde sinds 600 voor Christus ononderbroken be woond is geweest, en dus even oud is als Rome; Ezinge is het Pompeji van het Noorden, het Groningse Ur, en de modderige kwelders tussen Hunze en Fivel zijn een nieuw Twee stromenland. De resultaten baren opzien in heel Europa.

In Ezinge triomfeert de nieuwe multidisciplinaire archeologie en het pliniaanse beeld van de Nederlanden kantelt definitief. De wierden wa ren aanzienlijk en welvarend geweest. Ze waren geen modderige uithoek van het Romeinse rijk, maar een integraal onderdeel van een beschavingsgebied dat strekte van de Britse eilanden tot de Baltische Zee, met handelsverkeer, militaire en culturele uitwisselingen. Die zone bestond al toen de Romeinen arriveerden, en toen ze vertrokken bleef ze bestaan. Met «Ezinge» gaf Van Giffen de noorderlingen een eigen geschiedenis en een eigen cultureel profiel.

Tijdens de bezetting ging het werk onverminderd verder. Het was immers niet Van Giffens schuld dat de Duitse autoriteiten het onderzoek naar het volkseigen van harte steunden, en dat die kranige wadbewoners zo mooi pasten in de ideeën over een oude pan-Germaanse beschaving. Dankzij de Duitsers kregen de nog niet afgegraven wierden in 1942 de status van beschermd archeologisch erfgoed. In 1947 werd Van Giffen de eerste directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek; kort daarna kreeg hij een eigen leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam en een instituut dat nog altijd zijn naam draagt.

Professor Van Giffen en het geheim van de wierden

Groninger Museum, tot en met 9 april.

Citaten Plinius: Naturalis Historia, XVI: 2-4, vert.

Van Gelder, Nieuwenhuis, Peters, Amsterdam 2004