Het grote gat

Belen Gopegui, De schaal van de kaart, vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, uitgeverij De Bezige Bij, 227 blz., f34,50
Ruimte is een voorwaarde om te kunnen zien. Deze ogenschijnlijke waarheid als een koe ontdekt de hoofdfiguur in K. Schippers roman Beweegredenen (1982), een stadsopzichter. Via een prachtige omweg en angstaanvallen merkt deze beroepswaarnemer dat ‘de ruimte die ik had ontdekt net zo ijl was als ik’. Het werk van Schippers lijkt thematisch onheilspellend veel op De schaal van de kaart, de eerste roman van de Spaanse journaliste Belen Gopegui. Dat moet toeval zijn. Ik kan me niet voorstellen dat Gopegui Beweegredenen kent. Bovendien is haar stijl minder nuchter en heel nadrukkelijk metaforisch.

De geograaf Sergio Prim is op zoek naar ‘een pauze in de ruimte’, naar een gat dat hij in kaart wil brengen. Tegelijkertijd dreigt hij zich te verliezen - een andere omschrijving zou minder toepasselijk zijn - in zijn collega Brezo Varela, die hem voor zich wil winnen. Maar de geremde, teruggetrokken levende Sergio Prim is een meester in het ontwijken, het verijlen, het verdwijnen, het opgaan in verhalen waarin 'neigingen tot verdwijningen’ centraal staan. Die fixatie blijkt uiteindelijk fataal. Prim verliest haar en zichzelf, ondanks het feit dat hij op jacht gaat naar haar en zo, te laat, de rollen omdraait. De schaal van de kaart is niet alleen in dat opzicht een kat-en-muisspel. Alles en iedereen verstopt zich, de roman is met recht 'een gebedenboek van het ontwijken’, een literair spel vol projecties. Tot en met de woorden, die zich te vaak verhullen tot zweverige, gezochte of onduidelijke beelden ('gevoelens vallen net zo op de grond als losgeknoopte vrouwenrokken’, noteert de schrijvende Prim als hij Brezo kwijtraakt).
Tijdens Prims zoektocht naar het gat is er nauwelijks ruimte voor iemand anders. Hij omarmt Debussy’s uitspraak dat de muziek niet in de noten zit maar ertussen; hij mijmert over de materie die niet compact is omdat er tussen de atoomkern en het elektron ruimte zit; hij verlustigt zich in de theorie dat er tussen de zeven en de acht een getal verdwenen is; hij koestert de spatiebalk; hij citeert het Boek van Tao, waarin een loflied op de leegte staat: 'Men kneedt de klei om de pot te vormen, maar van zijn leegte hangt het gebruik van de pot af.’ Als geograaf van de waarneming legt hij de meest onmogelijke verbindingen tussen objecten. Hij twijfelt, hij gaat naar een psychiater, hij splitst zichzelf al schrijvend in een 'ik’ en een 'hij’.
Is zijn fixatie op de tussenruimte een hallucinatie, een hersenschim, een waanzinnige drang tot het scheppen van metaforen? Wil hij uiteindelijk in zijn beeldspraken verdwijnen? Ik stel deze, nogal theoretische, vragen, omdat het verhaal van de twee geliefden niet meer dan een raamwerk is en de omslag in hun relatie niet overtuigt. Alles blijft te veel hangen in een idee. Was Belen Gopegui maar veel nuchterder geweest in haar stijl en had ze haar geograaf maar minder metaforen laten gebruiken. Ik begrijp wel dat zij op elk niveau, tot en met de taal (Sergio Prim 'gevangen in een reusachtige O’), haar thema wil uitbuiten. Het resultaat blijft echter steriel, doods, bedacht. De roman is een uitgewerkte theorie, in een opgelegde literaire presentatie. De 'deuk in de ziel’ die Sergio Prim oploopt na zijn zoektocht naar het gat en, later, naar Brezo kon mij als lezer niet overtuigen. Aan het slot, na de laatste punt, blijft er niets over. Misschien was dat ook wel de bedoeling van Gopegui: een punt is een 'gat’, na een 'ontknoping’ blijft er niets over.
Irritant is Gopegui’s poging even virtuoos te zijn als de Nabokov van Ada, waarin over 'de Tere Tussenpoos’ wordt gefilosofeerd. Ze citeert uitgebreid uit Ada en beschrijft Brezo zoals Nabokov Lolita introduceert: 'Brezo, brandende takken, vuur van mijn fantasie.’ Ongetwijfeld een hommage aan de meester van een ijverige leerlinge. Misschien moet Beweegredenen van Schippers maar eens in het Spaans vertaald worden.