Capitalism: A Love Story

Het grote geweten

‘I’m so sorry’, zegt Michael Moore tegen een vrouw die na de dood van haar man erachter is gekomen dat het bedrijf waarvoor hij werkte een levensverzekering op zijn naam had uitgenomen, zodat er in het geval van zijn dood miljoenen werden uitgekeerd, niet aan zijn gezin, maar aan het bedrijf zelf.

Dat verschijnsel blijkt wijd verbreid te zijn in het huidige Amerika, het land dat, als Moore mag worden geloofd, niet door president Obama wordt geregeerd, maar door de machtige investeringsbank Goldman Sachs. En eenzaam klinkt de verontschuldiging van de dikke man met het grote geweten

Het is een majestueus moment in een magistrale film. Beide dingen zijn onverwacht. Eerder werk van Michael Moore kenmerkte zich vooral door oppervlakkigheid, het niet altijd even secuur omgaan met feiten en het onevenwichtig presenteren van de verschillende kanten van een argument. In de documentaire Manufacturing Dissent (2007) over Moore kwam zijn dubieuze stijl het sterkst over het voetlicht. Hierin tonen de makers aan dat Moore in films als Roger and Me (1989), Bowling for Columbine (2002) en Fahrenheit 9/11 (2004) structureel de waarheid manipuleert. Bewijsmateriaal wordt aangeleverd in de vorm van twee ontmoetingen tussen Moore en Roger Smith, topman van General Motors en grote ‘boeman’ in Roger and Me - waarin de gimmick juist was dat het machtige GM zo'n gesprek doorgaans onmogelijk maakt.
In Capitalism: A Love Story weet Moore evenwel van geen wijken. Opnieuw trekt hij met zijn megafoon in de hand en tot schrik van legers veiligheidswachten, die hem inmiddels meteen herkennen, naar het centrum van het kwaad, ditmaal gelegen in Wall Street, het hart van het kapitalistische systeem. En wederom schalt en bralt hij, als een sheriff met witte hoed die tegen de slechteriken zegt: kom eruit met je handen in de lucht.
Maar het ‘vermaak’ blijft beperkt in Capitalism. En dat is winst. Want hier is iets serieuzers aan de hand, iets diepers en daardoor waardevollers. Moore’s film lijkt nog het meest op een elegie, zoet en melancholiek, waarin de maker speurt naar de kern van het Amerikaanse bewustzijn, iets essentieels dat in de loop van de tijd ter ziele is gegaan. Dat doet hij met medelijden, zoals met de weduwe van de man, die net als duizenden andere Amerikaanse arbeiders dood meer waard is dan levend. En hij doet het met humor, door gebruik te maken van hilarisch beeldmateriaal uit de jaren vijftig dat fungeert als commentaar op de huidige situatie, bijvoorbeeld fragmenten waarin de ‘gevaren’ van het socialisme in extremis worden benadrukt.
Zo blijkt het ‘love story’ uit de titel niet eens ironisch bedoeld. Moore is allerminst een anti-Amerikaan. Dat komt duidelijk naar voren in het hoogtepunt van de film: prachtig, uniek beeldmateriaal van Franklin D. Roosevelt die op 11 januari 1944 in een radiovoordracht een Second Bill of Rights voorstelde met daarin een waarborg dat alle Amerikanen een baan, medische zorg, een huis, onderwijs en recreatie krijgen. Wie de afgematte, boze blik in de ogen van de zieke FDR ziet - hij stierf een jaar later - heeft geen keus: meegaan met de boodschap van Moore en Capitalism, namelijk dat dit systeem, in zijn huidige, Amerikaanse vorm, corrupt tot op het bot is.
Moore bewijst zo eigenlijk voor het eerst dat hij tot meer in staat is dan een pamflettistisch statement over dit of dat. Integer - dat is een goed woord voor Capitalism: A Love Story. Soms vraag ik me toch af of je alles kunt faken in een film. Soms voelt iets echt aan, echt en zonder ironie. Zoals: ‘I’m so sorry.’

Nu te zien