Misbruik in de rooms-katholieke kerk

Het grote gewijde zwijgen

Terecht heeft het seksuele misbruik in de rooms-katholieke kerk de institutie in een ernstige morele crisis gestort. Verknoopt met dit schandaal is een tweede soort misbruik dat de kerk al eeuwenlang tekent: de roomse obsessie met homoseksualiteit.

Rome, 1959 © Henri Cartier-Bresson / Magnum / HH

Ik moet proberen deze herinnering zo zorgvuldig mogelijk los te peuteren uit de tijd, want de verleiding is groot om ’m op maat te snijden, de maat die past bij de dag van vandaag.

Er was een korte periode, zo rond mijn dertiende, veertiende jaar, dat ik rondliep met de gedachte theologie te gaan studeren. Ik kende een oudere jongen, die net zijn middelbare school had afgemaakt en voor theologie koos – zo iemand is voor een tweedeklasser oneindig veel ouder en per definitie interessant. Ik had de mogelijkheid nooit eerder overwogen en de rest van de familie keek er nogal van op. Het moet ook rond die tijd zijn geweest dat ik het kerkbezoek voor gezien hield – gewoon, steeds minder vaak ging. Mijn vader was enorm stellig toen hij hoorde van mijn eventuele studiekeuze: ‘Dat is geen opleiding die ergens toe leidt. Als je dat echt wilt, moet je de kosten zelf betalen.’

Natuurlijk wilde ik het toen pas echt, die theologiestudie, maar ook die obsessie moet snel en geruisloos zijn gedoofd, net zo goed als mijn belangstelling voor alles wat met God en geloof te maken had.

In de volgende sequentie van de film die ik van mijn jeugd heb gemaakt gebeurt er het volgende: ik richt met een hartsvriendin het clubje Bi is beter op (Bib), er ontstaat een vage praatgroep met meerdere mensen die zeggen alle seksuele opties open te willen houden, want waarom niet, en al doende ruil ik theologie moeiteloos in voor politicologie, mijn latere eerste studie.

De beelden van ‘mijn’ film komen uit het midden van de jaren zeventig: er wordt gepraat over abortus, feminisme, homoseksualiteit; zeker door de ‘alternatieve scholieren’, waartoe ik mij rekende, zijn seksuele grenzen er om geslecht te worden en iedereen die schrikachtig doet over homoseksualiteit is gewoon niet oké. De kleuren zijn bont, geel, roze, paars. Roze en paars zijn heel erg oké.

Vanaf mijn studententijd zou ik mijn gay-zijn presenteren als een passende beloning die ik op mijn weg had gevonden. Ook dat zou ik nu niet meer zo stellig beweren. Maar ik vraag me ook af: had mijn belangstelling voor theologie destijds ook niet te maken met mijn seksuele desoriëntatie, het (voor)gevoel dat ik niet zonder meer in het vertrouwde, getrouwde m/v-schema paste? Was die theologie niet ook zoveel als een seksuele wachtruimte, tijd die ik kocht om me niet in sexualis te hoeven vastleggen?

Dat de bi- en homoseksualiteit zo snel op mijn pad kwamen, zegt veel over de ‘alles moet anders’-golf, die in de jaren zeventig zowat het hele land doorsijpelde. Ik kan me goed voorstellen dat ik in de vroege jaren vijftig een andere keuze zou hebben gemaakt; dat er een blijvende aantrekkingskracht was gebleven voor een loopbaan binnen de rooms-katholieke kerk, waarin mannen met mannen en vrouwen met vrouwen verkeren. Op de seminaries, in kloosters en abdijen. >

Het is bekend hoe zo’n kerkelijke rooms-katholieke opleiding voor veel jongens (meer nog dan voor meisjes) uit de lagere klassen een tijdlang zowat de enige weg was naar academisch onderwijs. Klein- en grootseminarie, theologie, daarna een promotie. De zoon van de melkboer wordt professor aan een Belgische universiteit. Later, na de Mammoetwet, kon die zoon van de melkboer ook sociologie of economie studeren en het ook ver schoppen. Maar zeker vóór de oorlog was de klassensprong een religieuze, zuil-gebonden sprong, waarin godsvrucht en maatschappelijke vooruitgang hand in hand gingen.

Hoe hecht is dan niet de relatie geweest tussen seksuele verwarring, seksuele schaamte, en de rooms-katholieke opleidingen? Hoeveel jonge mannen en vrouwen zochten een schuilplaats voor onbestemde seksuele gevoelens, als een verlengde puberteit, die ‘de verkering’ en het trouwen op de lange baan schoof?

Wie een katholieke religieus wordt had zich – zeker vóór het Tweede Vaticaans Concilie, toen een uitzondering werd gecreëerd voor de getrouwde diaken (dienaar van de priester) – strikt te houden aan het celibaat. Caelebs of coelebs: ongehuwd. Omdat in de rooms-katholieke leer seksualiteit alleen gedacht kan worden binnen een huwelijk tussen een man en een vrouw betekent ongehuwd ook meteen volledige seksuele onthouding.

Die belofte van ‘onthouding’ moet voor een behoorlijk aantal aspirant-religieuzen een keuze zijn geweest tussen een voorbeeldige, misschien moeilijk haalbare deugd en een ‘zeker kwaad’; in de zeventiende eeuw sprak men, wanneer het ging over homoseksuele handelingen, wel van het crimen nefandum: een zonde die zo erg was dat hij niet genoemd mocht worden. De later katholiek gedoopte Oscar Wilde had het in de negentiende eeuw nog over ‘the love that dare not speak its name’.

Rome, 1959 © Henri Cartier-Bresson / Magnum / HH

Ook juridisch gezien was homoseksualiteit tot ver in de twintigste eeuw vaak strafbaar en in ieder geval laakbaar. In Nederland werd pas in 1971 artikel 248bis uit het Wetboek van Strafrecht afgeschaft. Daarin werd vastgesteld dat de minimumleeftijd voor heteroseksuele contacten zestien jaar was, terwijl die voor homoseksuele contacten (‘ontucht’) pas vanaf 21-jarige leeftijd gold. Hele homoclubs konden zo worden gesloten en de gasten gearresteerd, wanneer er zich toevallig een twintigjarige in de zaak bevond.

Het heeft allemaal net niet deel uitgemaakt van mijn geschiedenis, maar iedere keer als ik de jaartallen zie, besef ik dat ik de dans van verdachtmaking en strafbaarstelling op het nippertje ontsprongen ben. Net.

Waarna ik dus jaren en jaren later besloot weer de wending te maken naar de rooms-katholieke kerk. Als homoseksueel ga je dan op z’n best terug naar de jaren vijftig van de vorige eeuw. Dat geldt niet of nauwelijks voor ‘mijn kerk’ in Amsterdam, maar wel voor De Kerk. What was I thinking?

Ik weet het niet, ik kreeg het idee dat het tijd werd eens minder te denken wat ik toch al dacht en een poging tot geloof te wagen. Het gevolg was dat ik, na woeste flikkerjaren en na al weer zo’n dertien jaar getrouwd te zijn met mijn echtgenoot, plotseling terugkeerde naar het absolute beginnersklasje. Het klasje dat eindeloos problematiseert wat al heel lang niet meer mijn probleem is: homoseksualiteit.

Is er vooruitgang in het seksuele gedachtegoed, een hoger en lager? Nee. Er is een vooruitgang in normen en omgangsvormen, en ook in probleemstellingen. Het probleem van de platte aarde is een voorbeeld van een achterhaald probleem.

En bij dat ‘achterhaalde’ leergezag heb ik mijzelf aangemeld. Daar liggen homoseksualiteit, ontucht en zelfs kindermisbruik griezelig dicht bij elkaar. Mijn geloof moet heel sterk zijn – of volstrekt onbezonnen. Ik geloof tegen mijn seksuele klippen op.

‘Ik denk dat de helft van de mensen in het Vaticaan homo is. Ik baseer dat niet op wetenschappelijk onderzoek, maar op mijn gevoel’

Tot 2015 was Krzysztof Charamsa, in 1972 geboren in Polen, een uiterst succesvol katholiek theoloog en filosoof. Hij werd tot priester gewijd, promoveerde later in Zwitserland aan de katholieke theologische faculteit van Lugano; vanaf 2003 maakte hij deel uit van de Congregatie van de Geloofsleer in het Vaticaan, die toezicht houdt op de zuiverheid van het geloof; hij was lid van de Romeinse Curie en hij doceerde aan verscheidene universiteiten. Een katholieke geestelijke, en ook: een katholieke carrièremaker.

Die carrière stokte abrupt toen Charamsa op 3 oktober 2015 een interview gaf aan de Italiaanse krant Corriere della Sera, waarin hij zei: ‘Ik wil dat de kerk weet wie ik ben: een homofiele priester (…) die verliefd is en gelukkig.’ Verliefd op zijn Catalaanse vriend en partner Eduard die, voor alle duidelijkheid, ook op de foto stond.

Charamsa werd acuut uit al zijn functies ontheven, officieel niet vanwege zijn ‘homofilie’, maar vanwege ‘het schenden van zijn celibaatsgelofte’. Na zijn coming-out verklaarde Charamsa: ‘Ik denk dat de helft van de mensen in het Vaticaan homo is. Ik baseer dat niet op wetenschappelijk onderzoek, maar op mijn gevoel. Op een leven lang werkervaring binnen de Rooms-Katholieke Kerk.’

Dat zijn forse cijfers, zelfs als Charamsa’s inschatting overdreven is en niet zou gelden voor de lagere geestelijken. In Nederland wordt als richtsnoer aangehouden dat twee tot zeven procent van de mensen homoseksuele gevoelens kent – inclusief bi-seksuelen. Ook wordt wel de handige maat gehanteerd dat één op de tien mensen wereldwijd ervaring heeft met homoseksuele gevoelens of gedragingen. Maar dan nog: ‘de helft van het Vaticaan’, daar is duidelijk sprake van een oververtegenwoordiging. De rooms-katholieke kerkelijke hiërarchie, het priester- en zusterschap als een Fundgrube voor seksueel ontheemden. Jonge mensen die zeker vroeger al in hun puberteit kozen voor een kerkelijke loopbaan, zonder daar enige seksuele ervaring aan te kunnen koppelen. Of oefening, of ‘datinggedrag’, zoals we het nu sociologisch omschrijven. Wie gevormd wordt door de kerkelijke leerscholen, met zijn strikte seksesegregatie, zal op z’n minst onwerelds in het leven komen te staan.

Dat is ook de bedoeling: het celibaat is een pauselijke regel, ingesteld door paus Gregorius de zevende (1021-1085) op de synode van Mainz in 1075. De roomse geestelijkheid diende zich niet op het aardse en lichamelijke te richten (seks), maar op het hoogste, geestelijke niveau. Op God en de hemel.

Anders dan vaak wordt gedacht maakt de celibaatsregel geen deel uit van het vroege Christendom. Ook toen al waren er monniken die zich terugtrokken in de woestijn en zich onthielden van alle wereldse verleidingen, waaronder ook de seksuele. Maar de ascese die zo in de praktijk werd gebracht was een persoonlijk staaltje van virtuositeit, van excellente deugdzaamheid, die weinigen gegeven was. En hoewel de apostel Paulus in zijn brief aan de Korintiërs de vroeg-christelijke gelovigen aanmoedigde een celibataire levenshouding te betrachten, stelde hij ook: ‘Het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.’ Met de celibaatsregel, die onderdeel werd van het sacrament van de priesterwijding, is die uitzonderlijke discipline een plicht geworden voor alle roomse geestelijken.

De rooms-katholieke kerk geeft, in navolging van Christus, altijd te kennen ‘in de wereld te zijn, maar niet van deze wereld’. Ik begrijp die uitspraak als een poging bewust een tegenkracht te vormen, gericht tegen alle wereldlijke machten, die het koningschap van Christus alleen maar als een aardse, hiërarchische bedreiging konden zien. ‘Die vent koning? Maar ik ben hier de koning.’ De kerk, althans de vroeg-christelijke kerk, wilde niet samenvallen met de heersende machten, maar stelde daar een Goddelijk Koninkrijk tegenover. Contrapunt. Contrast.

Toch leert de geschiedenis dat die ‘aardse wereld’ diepe sporen na heeft gelaten in de opvattingen van de kerk.

Seminaristen bij zee. Napels, 1959 © Herbert List / Magnum / HH

Tot nu toe heb ik enkel één olifant genoemd die pontificaal in de kamer van de rooms-katholieke kerk staat: de homoseksualiteit. Die olifant is uitgegroeid tot een roomse obsessie – geheel in lijn met de wereldse geschiedenis, waarin vanaf de zeventiende eeuw de sodomietenvervolgingen werden ingezet en in de negentiende eeuw de ‘homoseksualiteit’ werd uitgedokterd. Michel Foucault heeft uitvoerig beschreven hoe de ‘homoseksuele constructie’ werd opgetuigd en in 1870 haar benaming kreeg: niet het homoseksuele gedrag, maar de psyche en het karakter van de homoseksueel kwamen nu centraal te staan. Een aanwijsbaar – te veroordelen of te verzorgen – menstype.

En net zoals dat in de alledaagse wereld het geval was, is vanaf die tijd ook de roomse kerkelijke geschiedenis doortrokken van (angst voor) homoseksualiteit. Dat klinkt behoorlijk als ‘van deze wereld’. De kerk die voorgeeft ‘niet met haar tijd mee te willen gaan’ omdat zij een eeuwigheidsbelofte te vergeven heeft, is juist in dit opzicht getekend door de tijd en de geschiedenis. Ze weerspiegelt exact de seksuele modes en fixaties van de negentiende en twintigste eeuw.

Zeker nu in allerlei landen overal ter wereld het zogenoemde ‘homohuwelijk’ kan worden gesloten dreigt de rooms-katholieke kerk met haar fijnzinnige onderscheid tussen ‘homoseksuele neigingen’ en ‘homoseksuele handelingen’ in de westerse wereld het alleenrecht in handen te krijgen van de homofobie. Met een negentiende-eeuwse bezetenheid wordt de homo afgezonderd van de volwassen, gezonde heteroseksualiteit.

Het gebeurt wel dat niet-gelovigen met me beginnen over mijn katholieke keuze en dan gaat het negen van de tien keer over de positie van homoseksuelen. Aan het geloof komen ze amper toe. Soms krijg je de indruk dat voor de rooms-katholieke kerk hetzelfde geldt, druk als ze is haar zwaarwegende bezwaren tegen de praktijk van homoseksualiteit te formuleren.

Maar de enige, werkelijk levensgrote olifant, die midden in de rooms-katholieke kerk staat, is het seksuele misbruik van rooms-katholieke geestelijken die gedurende decennia minderjarigen hebben betast, bepoteld, vernederd, aangerand, verkracht en anderszins gebruikt voor hun seksuele lust. Of voor hun machtswellust, ook hier is het onderscheid fijnzinnig. Al deze schendingen werden lange tijd door hoge rooms-katholieke geestelijken toegedekt, ontkend, verzwegen en weggemoffeld. Dat betekent een ondraaglijke last voor de slachtoffers, maar ook een stigma voor alle bonafide geestelijken die zich uitsluitend aan hun pastorale en dus niet-seksuele plichten wijden. De rooms-katholieke kerk als institutie is door die voortrazende onthullingen in een van haar ernstigste morele crises beland.

De lijst van misbruikzaken die aan het licht zijn gekomen is deprimerend lang, vanaf de eerste gevallen in Canada tot aan latere zaken die speelden in Ierland, de Verenigde Staten, België, Chili, Nederland, Australië, Mexico enzoverder enzovoort. De Wikipedia-pagina ‘misbruik rooms-katholieke kerk’ is een klein boekwerk dat een middagje studeren vergt.

Er zijn kerkelijke leiders, zoals kardinaal Raymond Burke, een verklaard tegenstander van paus Franciscus, die moeiteloos de kerkelijke verantwoordelijkheid wegwuiven: ‘Het misbruik is geen fout van de kerk, maar het zijn daden die komen door de homoseksuele cultuur. Die heeft de kerk beïnvloed en moet worden uitgeroeid.’

‘Het misbruik is geen fout van de kerk, maar het zijn daden die komen door de homoseksuele cultuur. Die heeft de kerk beïnvloed’

Paus Franciscus zelf leek aanvankelijk een zekere ‘barmhartigheid’ jegens homoseksuelen voorop te willen stellen. ‘Mensen met diepgewortelde homoseksuele neigingen dienen met respect te worden behandeld en gevrijwaard van onrechtvaardige discriminatie.’ Er bestaat ook rechtvaardige discriminatie, bijvoorbeeld wanneer het om het huwelijk gaat, dat uitsluitend kan worden gesloten tussen man en vrouw. Nog in mei dit jaar moet Franciscus een jonge Chileense homo hebben toegevoegd: ‘God heeft je zo gemaakt en houdt zo van je.’

Misschien nog belangrijker: deze paus lijkt ook in de misbruikzaken schoon schip te willen maken – al is niet altijd duidelijk hoezeer zijn handen gebonden zijn door tegenkrachten. Het Vaticaan is bij uitstek geen transparante ‘organisatie’ – zodat er nog steeds Vaticaan-watchers bestaan, zoals je vroeger Kremlin-watchers had.

Italië, 1956 © Rene Burri / Magnum / HH

Het tegengaan van misbruik, het opsporen van de misstanden, genoegdoening aan de slachtoffers en het berechten van de daders: dat lijkt voor een leek de meeste logische benadering.

Maar binnen het Vaticaan vindt een ingenieus ‘stuivertje wisselen’ plaats tussen enerzijds het misbruik en anderzijds de homoseksualiteit. Er wordt op z’n minst een verband gesuggereerd tussen beide. Soms weet ik op het eerste gehoor niet of ik Poetins Rusland hoor of het Vaticaan. Luister naar de jongste uitspraken van de paus over het priesterschap, gedaan tijdens een vier uur lang durend interview met de Spaanse priester Fernando Prado, begin deze maand. Daarin sluit hij het idee van ‘homoseksuele genegenheid’ onder rooms-katholieke priesters uit: ‘In het gewijde priesterlijke leven is er voor dit soort genegenheid geen plaats.’

In de voorpublicatie die Prado maakte en publiceerde in de eerder genoemde Corriere della Sera noemt de paus ‘homoseksualiteit een modeverschijnsel in onze samenleving’. ‘Die mentaliteit heeft ook zijn invloed op het kerkelijk leven.’ Dit klinkt als een zwakke echo van de briesende kardinaal Burke. Ook meent de paus dat ‘homoseksuele priesters beter kunnen vertrekken dan dat ze een dubbelleven leiden binnen de kerk’. Een dubbelzinnige uitspraak: bedoelt de paus dat ook homo-priesters, dat wil zeggen ‘mannen met een zwaarwegende homoseksuele neiging’ gehouden zijn aan het celibaat, zoals alle priesters, of wil hij liever helemaal geen ‘homoseksueel genegen’ priesters in zijn kerk, ook niet als ze zich ‘seksueel onthouden’?

De kern van de zaak is: wat heeft de homoseksuele gerichtheid te maken met misbruik van minderjarigen, met pedoseksuele verkrachtingen, met een lust die vooral op het leeftijdsverschil lijkt gericht en niet zozeer op dezelfde sekse? Ik heb veel homo’s in mijn vriendenkring, maar hoor nooit dat ze het aanleggen met tien- of elfjarigen.

Ultraconservatieve katholieken hebben er belang bij het misbruik direct te verbinden met ‘de homofiele geneigdheid’, omdat zo de zedelijkheidsleer van de kerk gespaard blijft en de reputatieschade beperkt. Homoseksualiteit was vanaf de negentiende eeuw toch altijd al de favoriete bête noire van de rooms-katholieke theologie. Maar hoe zoveel homovijandigheid te verklaren in een omgeving die, zoals het Vaticaan, niet onbekend is met de gelijkgeslachtelijke gerichtheid?

Charamsa, de eerder genoemde Poolse ex-priester zegt er dit over: ‘In de nadagen van Benedictus de zestiende dook de term “gay lobby” op. Maar de enige “gay lobby” in het Vaticaan is die van homo’s die zich met alle macht tegen homoseksualiteit keren.’ De meest invloedrijke ‘homo’s’ zijn de mannen die zich ten stelligste homofoob uitlaten. Psychoanalytici spreken in dit verband van ‘overdekking door het tegendeel’.

Ik zet ‘homo’s’ tussen aanhalingstekens, omdat in deze klerikale omgeving een verwarde en verwrongen seksualiteitsbeleving heeft kunnen gedijen waarbij het geheim en de geheimhouding een allesbepalende rol spelen. Het verzwijgen. Het van elkaar vermoeden, maar niet echt willen weten. In de jaren van Bill Clinton was het officieel beleid in het Amerikaanse leger: ‘Don’t ask, don’t tell.’ Ik kan me voorstellen dat in een eeuwenoude institutie als de rooms-katholieke kerk dit ‘gebod’ om alles geheim te houden nog krachtiger heeft gewerkt. Ook toen de eerste onthullingen kwamen in die talloze reeks misbruikzaken. Geheim, zowel voor de daders als voor hen die ervan wisten: de mensen die het deden en de mensen die, door te zwijgen, hun morele gezag verspeelden en daarmee medeschuldig werden. Geheim: omdat ook de priester die naar een vrouw verlangt dat heimelijk moet doen.

Leven als celibatair lijkt me een bijna onmenselijk groot offer. Het zal eenvoudiger zijn voor degenen die zichzelf beschouwen als min of meer aseksueel. Maar voor alle anderen (homo, hetero en iedereen daar tussenin) is het bijna ondenkbaar dat er niet op enig moment wrok ontstaat, over een levenslange ontzegging, zonder daar altijd onmiddellijk de vruchten van te plukken.

Ik had een jaar geleden een onderhoud met een Belgische priester die als ‘homofiel’ al jaren en jaren celibatair leefde. Ik sprak met hem over mijn nieuw hervonden geloof en ontmoette eigenlijk alleen maar weerzin en tegenstand. Pas later begreep ik wat ik had meegemaakt: daar kwam ik aanzeilen, man die getrouwd is met een man, na een leven vol seksualiteit en ik bekende me even tot zijn club. Hij vroeg het niet met zoveel woorden, maar het drong wel tot mij door: had ik eigenlijk enig idee wat híj als priester had moeten doorstaan?

In het klein is het een voorbeeld van de ‘antihomo/homoseksuele sfeer’ die Charamsa beschrijft in het Vaticaan: het verklaart de hartstocht waarmee vanuit die kringen juist delhbti-beweging wordt bestreden.

Elke priester, elke zuster heeft een levensgroot offer moeten brengen: het offer van het celibaat, dat tegenwoordig door buitenstaanders nauwelijks nog op waarde wordt geschat of begrepen. Het is merkwaardig dat er één groep van leken is, van wie eenzelfde offer wordt verwacht: van homo’s – gewone, katholieke gelovigen, voor wie ineens de priesterlijke onthoudingsregels gelden. Dat maakt ze ongewild lid van een priesterkaste, van ‘sjamanen’. Maar om zoveel eer hebben katholieke homoseksuelen nooit gevraagd.

Hoe groot is de verleiding voor priesters om van anderen een even grote offerbereidheid te verwachten? Van minderjarigen, onschuldige kinderen, die net als de priesters amper of niet zijn aangeraakt door de seksualiteit. Het beeld van het Lam Gods, met Jezus Christus in zijn rol van de perfecte sacramentele opoffering?

Is het eigenlijk niet een voorrecht als zo’n onbeduidende gewone jongen deze belangrijke rol mag vervullen? Het Lam Gods, uitverkoren door een Man Gods? Zondebok, net als Christus, maar nog te jong en onwetend en niet heilig genoeg om dit privilege te doorgronden? De eigen zelfopoffering wordt gewroken in het kind Gods.

Het zijn overwegingen, die ik hardop kan benoemen, maar die waarschijnlijk in een gewijde stilte worden gemaakt. En de daarop volgende praktijken worden nog meer omsloten door het geheim. Ik heb altijd het idee: het mystieke, dat moeizaam bespreekbaar is, wordt hier verward met het verzwijgen.

Los van deze psychologische speculaties bestaat er een sociologische werkelijkheid, die het kerkelijke leven bindt aan de gelijkgeslachtelijke omgang.

In het midden van de jaren tachtig gaf ik les in homostudies aan de Universiteit van Amsterdam en daar was toen een begrippenpaar in zwang dat enige opheldering biedt. Er werd gesproken over ‘homosociale arrangementen’: daarmee werden groepen bedoeld die typisch zijn samengesteld uit mannen of juist uit vrouwen. Vroeger behoorde het leger daartoe. Maar nog steeds voldoet de rooms-katholieke kerk met haar opleidingen, kloosters en het Vaticaan zelf aan die beschrijving.

Waar mannen gedwongen met mannen verkeren, en vrouwen met vrouwen, hoeft niet per se homoseksualiteit op te duiken – maar de ‘nood’ kan aan de ‘man komen’, zoals dat ouderwets heet. Men sprak vroeger ook wel over ‘noodhomoseksualiteit’ (zoals in kazernes).

In ieder geval heeft de rooms-katholieke kerk in haar opleidingsgeschiedenis een strikte scheiding tussen de seksen doorgevoerd: zij heeft geparasiteerd op het homosociale, om tegelijkertijd het homoseksuele ten strengste te veroordelen. Dat heet in de psychologie a double bind, een dubbele binding, waarbij een groep twee tegenstrijdige boodschappen ontvangt. In die zin weerspiegelt de afwijzende omgang met homoseksualiteit het nog steeds verborgen deel van de roomse, kerkelijke geschiedenis, en camoufleert ze de rekruteringsbron, het geheime kapitaal, waarvan de kerk altijd routineus gebruik heeft gemaakt.

Het misbruik in de rooms-katholieke kerk is terecht een ultiem, wereldwijd schandaal geworden. Maar de scandaleuze omgang van de kerk met homoseksuele mannen en vrouwen is daarbij een goede tweede. Ook daar moet je spreken van ‘misbruik’, al was het maar in overdrachtelijke zin. En de verknoping van die twee schandalen openbaart zich nu in volle omvang.

Je zou bijna vergeten dat er ook nog het rooms-katholieke geloof bestaat – ik houd het mezelf dagelijks voor, als de makelaar die het bouwvallige huis aanprijst en de aspirant-kopers voorhoudt dat ze er vooral ‘doorheen moeten kijken’.