Economie

Het grote gieren

Waarom heeft toiletpapier in de DDR twee laagjes? De Stasi wilde van alles een kopie.
Kapitalisme is de uitbuiting van de ene mens door de andere. Communisme is precies het omgekeerde.
Op een Roemeense technologiebeurs ontvangt een elektronicabedrijf uit de DDR een vakbeursprijs; het had de grootste microchip gemaakt.
Welke fase komt er tussen socialisme en communisme? Alcoholisme.
Deze grappen komen uit Hammer and Tickle, een documentaire die afgelopen maand bij de VPRO was te zien. Het Oostblok is een Fundgrube van politieke satire gebleken. De vraag is waar de grappen voor dienden. Tot voor kort werden ze gezien als klein verzet in een volledig gemilitariseerde samenleving. De grap als minirevolutie. Recent onderzoek leert echter dat niet alleen onderdanen satire bedreven maar ook machthebbers. Van Stalin is bekend dat hij smakelijk kon lachen om grappen waarin zijn achterdocht en de bloeddorstigheid van de KGB belachelijk werden gemaakt. Gorbatsjov idem. Tijdens een Amerikaanse tv-show in 1996 vertelde hij de grap van een Moskouse man, die, het wachten zat, zich omdraait naar zijn buurman en zegt: en nu vermoord ik die klootzak van een Gorbatsjov. Na drie uur keert hij terug. Op de vraag wat er was gebeurd, antwoordt hij: die rij was nog langer.
In de loop van de tijd is het oordeel over de functie van de grappen veranderd. Nu heet het dat ze eerder dienden om lucht te geven aan de kloof tussen de socialistische retoriek van het arbeidersparadijs en de grauwe werkelijkheid van alledag, de niet te missen absurditeit van een regime dat gouden bergen belooft maar Trabanten, lekkende appartementen en slecht zittende confectiekleding biedt, if at all. Dit was de voedingsbodem voor een niet-aflatende stroom grappen waaraan cynici elkaar herkenden. En die cynici bevonden zich ook onder de machthebbers. Minder minirevolutie dus en meer Soldaat Schwejk.
In de recente historiografie is de vraag hoe de Oost-Europese totalitaire regimes van na pakweg 1980 gekarakteriseerd moeten worden steeds centraler komen te staan. Met voorvoegsels als ‘late’-, ‘post’- of ‘late style’-totalitarisme wordt uitgedrukt dat de herfst van deze regimes wezenlijk verschilde van hun lente en zomer. Nadat de utopische geboorteweeën waren uitgewoed, restte teleurstelling, ook al mocht die in het openbaar niet zo heten. Zolang onderdanen maar deden alsof zij geloofden in de simulacra van vooruitgang – gouden medailles, militaire parades, raketlanceringen – was er niets aan de hand. Het Oostblok van de jaren tachtig was een groot Potemkin-dorp geworden, een spektakelstaat waarin niemand meer geloofde maar die ook niemand kwijt wilde, uit angst voor het grote niets.
Anno 2009 is Nederland net zo’n spektakelstaat geworden. Ook hier de suggestie van daadkracht en ook hier een bevolking die door haar bestuurders wordt opgeroepen om toch vooral mee te doen. Van school tot ministerie wordt gegrossierd in spektakelmanagement. Het gaat er niet om dat kinderen iets leren maar dat de Cito-scores hoog zijn; niet dat wetenschappers hun nieuwsgierigheid bevredigen maar dat ze veel publiceren; niet dat rechters rechtspreken maar dat ze veel vonnissen vellen; niet dat agenten het sociale verkeer in goede banen leiden maar dat ze bonnen schrijven; niet dat bedrijven innoveren maar dat ze voldoende subsidieaanvragen indienen. Potemkin-dorp na Potemkin-dorp trekt de Nederlandse staat op. Met glanzende brochures, nieuwe logo’s, hippe internetsites, dikke rapporten en veel marketingkul wordt een illusie van visie en bestuurlijke daadkracht verspreid. En als je echt iets nodig hebt, lacht daar de paarse krokodil je toe.
Als deze parallel klopt, waar is dan de politieke satire? We moeten het doen met de gemakzuchtige lifestyle-parodieën van Youp van ’t Hek, het pseudo-diepzinnige existentialisme van babyboomer Freek de Jonge, het drammerige, verbeten, zelfingenomen SP-moralisme van Dolf Jansen. En als het dan eens echt scherp wordt, zoals bij Theo Maassen of Hans Teeuwen, gaat het over de kwaliteit van de ochtenddrol of dat je ‘een peerd met een plenk voor zijn kop moet meppen als ie niet lopen wil’. In Nederland geen politiek gegier, maar boze, onbehouwen burgers die iedere wrijving in het sociale verkeer opvatten als een persoonlijk affront.
De Oost-Europese ervaring leert dat de overgang van minirevolutie naar Schwejk pas kon gebeuren toen ook de machthebbers ontwaakten uit hun ideologische sluimer. Pas toen ook zij zich neerlegden bij het falen van hun utopische wanen kon het grote gieren beginnen. Dit suggereert dat de apolitieke schuifdeursatire waar we het in Nederland mee moeten doen niet te wijten is aan ongetalenteerde cabaretiers of een grimmig en humorloos volk, maar aan een politieke elite die nog altijd niet in de gaten heeft dat ze in haar nakie staat.