Het grote vergeten

Ik weet nog dat een roman zó mooi eindigde, zó ongelooflijk goed, kippenvel, tranen, ik weet nog dat ik de slotzinnen aan iemand voorlas. Een week later weet ik alleen nog dát de roman zo ongelooflijk goed eindigde, maar ik ben vergeten hoe.

In haar laatste memoir-achtige bundeling I Remember Nothing beschrijft Nora Ephron het fenomeen dat je iets vergeten bent en al een keer eerder alles in het werk hebt gesteld om het je weer te herinneren, en dat je het de volgende keer dan toch weer even glad vergeten bent.

Het is geen alzheimer, maar het draagt er wel aan bij dat je eeuwig als een verwonderd kippetje in het leven blijft staan.

Ik heb een gedicht van Mustafa Stitou op mijn bureau staan - het is afgedrukt op een ansichtkaart - dat ik zeker drie keer daags lees, in een soort automatisme, en minstens één van die drie keer probeer ik erachter te komen wat er ook weer staat.

Geeft ze het toe ineens begeeft

tussen neus en lippen mijn hart

het zowat moet ik vlug iets

onbeduidends zeggen ons redden

van de ondergang hoe het vlees

smaakt vragen doen of ik niets

heb gehoord

Juist de dagelijksheid van de fraseringen doet ’t ’m, je denkt dat je het wel weet, ongeveer zoals ‘zie ginds komt de stoomboot’, maar dan haakt er opeens weer iets. Voor de zoveelste keer probeer ik de regels van het gedicht te doorgronden door de goede leespauzes in te lassen en de juiste accenten te leggen, o ja, denk ik dan. En de volgende dag kan ik weer helemaal opnieuw beginnen met me af te vragen wat er ook al weer stond.

O ja.

Alles wat ik niet opschrijf, vergeet ik.

Van alles wat ik wél opschrijf, onthoud ik alleen de opgeschreven versie. Het verhaal erachter, met alle ruis eromheen, ben ik voorgoed kwijt.

Ik kan rustig met een collega een gesprek hebben en ongeveer buiten zinnen raken als hij me vertelt dat zijn opa vroeger de Zaanlandse Schoenhandel had op de Westzijde in Zaandam. Wát! roep ik, dat is ongelooflijk, dat is de winkel waar… En dan maakt hij mijn zin af, want het gesprek hebben we een week eerder precies zó gevoerd en toen had ik me al even uitzinnig betoond.

Eternal sunshine of the spotless mind.

Laatst moest ik thuis een kabeltje zoeken om een nieuwe tv aan te kunnen sluiten, maar dat kabeltje lag in een bak met allerlei kabeltjes op de plank waar ook de reisboeken en de atlassen staan, en de wegenkaarten en de stadsplattegronden opgestapeld liggen, ik wist dat ik van bovenaf in die bak moest kijken om niet de hele zooi om te laten donderen. Ik moest een stoeltje hebben, maar voor ik dat stoeltje kon pakken moest ik eerst een paar schoenendozen weghalen, een oude sporttas, een paar spijkerbroeken en wat schoenen, en toen vond ik in een van die dozen oude brieven. Voor ik het wist las ik de brief die mijn vroegere vriendje me schreef vanuit Moskou. Ik verbaasde me over zijn koele toon, maar toen zag ik nog een brief in diezelfde envelop en die had een heel andere aanhef. Die begon met de constatering dat ik die andere brief veilig aan iedereen kon laten lezen en vervolgens begon in deze brief helemaal alleen voor mijn ogen bestemd het grote intieme koeterwalen. En ik dacht: o ja, verrek. En ik wist meteen dat ik al minstens tien keer eerder die tweede brief in de envelop had ontdekt en telkens weer, nooit minder oprecht, o ja, verrek had gedacht.

On some level, schrijft Nora Ephron, my life has been wasted on me.

Nou ja, denk ik, mijn leven is een vorm van recycling.

Andere dingen krijg ik overigens maar niet uit m'n hoofd.

In de Zuid-Koreaanse film Poetry gaat een bejaarde vrouw die aan alzheimer lijdt een poëzieklasje volgen bij een dichter. De wereld ontglipt haar, aan de andere kant leert ze ’m door de opdracht een gedicht te schrijven met nieuwe ogen te bekijken. Allemaal prachtig, maar dit is niet de reden dat dit een van de mooiste films is die ik in jaren heb gezien.

'Films about rich people crying’, hoorde ik van de week een BBC-filmcriticus de gemiddelde Oscar-genomineerde film kernachtig wegzetten. In Poetry geen rijke huilende mensen, maar hoog oplopende emoties rond de keukentafel in een nauw bemeten bovenwoning. De vrouw die aan alzheimer lijdt woont hier met haar kleinzoon die zich schuldig heeft gemaakt aan een groepsverkrachting. Heel langzaam geeft de oma zich er rekenschap van dat haar kleinzoon, zijn leven lang door haar trouwhartig gevoederd en gepamperd, een asociale nare hond is die gestraft zal moeten worden.

De scène waarin de oma zichzelf voorbereidt op het afscheid - ze geeft hem te eten, zorgt dat hij in bad gaat, knipt zijn teennagels - zal ik nooit vergeten.