Marja Pruis Leest…

Het haperende lichaam

Marja Pruis leest… altijd meer dan ze kan of wil bespreken. Hier doet ze verslag van haar bevindingen en overwegingen bij de boeken die ze leest. Deze week: Hersenvlekken van Sara van der Kooi.

Iemand speelde me dit boek toe, ik las het met toenemend… ja met toenemend wat? Laat ik eerst zeggen dat ik al een tijdje last heb van een belachelijk slecht humeur, een humeur dat ik nergens aan vast kan klinken en ook op niemand kan verhalen, ik ben bang dat ik het gewoon zelf ben. Zomeroverprikkeldheid, ik wist niet dat het bestond maar ik heb er last van. De schrijfster van dit boek heeft ergens anders last van, van een lichaam dat zich tegen haar keert, bloedlichaampjes die aanvallers worden in plaats van beschermers, zoiets. Hoe het precies medisch zit, ik weet het niet, ik kan het me permitteren om heel veel van dat soort dingen gewoon niet te weten, voor zover ik het kan navoelen doen de bloedlichaampjes en de andere strijdende partijen in dat grotere lichaam waarvoor ze zijn uitgevonden, een wonderbaarlijk gegeven op zich. Hoe wonderbaarlijk besef je eens en te meer bij het lezen van Hersenvlekken, en dus las ik dit met toenemende deemoed – en schaamte voor mijn zogenaamde zomeroverprikkeldheid - , en ook met bewondering, en verdriet, de hele shebang.

Sara van der Kooi is 17 als ze voor het eerst last krijgt van een mysterieus verschijnsel als aangezichtspijn, iets dat komt en ook weer gaat, en 24 als ze wordt gediagnosticeerd met MS. En daar weer een progressieve vorm van. Ze krijgt een dwarslaesie en belandt in een rolstoel, ze moet haar geliefde huisje verlaten, ze komt in een revalidatiekliniek terecht – waar ze vriendschap sluit met een brandweerman die naast haar ligt – en wordt verhuisd naar een wat groter, rolstoelvriendelijker, huis, ze rolt zichzelf de tram in en weer uit, ze valt op straat en laat zich vallen op de bank, ze hoopt en verlangt tegen de klippen op.

Hersenvlekken is een ongelooflijk mooi en sterk boek, het relaas van een sterke geest in een haperend lichaam, opgedeeld in kleine hartenkreten, betogen, cursiefjes, overpeinzingen, tezamen een indrukwekkend portret vormend dat het ziekteverslag overstijgt. Wie ben ik, wat heb ik fout gedaan, zal ik ooit weer worden aangeraakt, zijn wonderen echt de wereld nog niet uit… Het zoeken naar verklaringen (‘Misschien word ik ergens voor gestraft. Gestraft voor iets wat ik in een vorig leven heb uitgespookt.’), de acute nood (‘Het gaat allemaal zo ongemerkt, zo razendsnel.’) en het berusten (‘Mijn lichaam en ik, getrouwd tot de dood ons scheidt.’), zijn hartbrekend om te lezen. Zelfmedelijden is niet aan de orde, alleen maar verbazing en ontzetting over wat er gebeurt, en het leven naar de goede raad van oma: ‘Je zult ongewoon door moeten gaan.’

Wat het boek buiten waarover het gaat óók een sterke vertelling maakt, is dat naarmate het verhaal vordert er meer ruimte komt voor vroeger, voor zoete herinneringen, klein geluk, de verlegen tekenleraar, het vroegere baantje achter de bar, de studie en de toekomstplannen, en de kussen van de mysterieuze ‘hij’ die uit beeld is geraakt maar in hoofd en lichaam aanwezig blijft.