Het harde zuiden

Een huis in het zuiden, waarin vrienden samenkomen die in grote saamhorigheid elkaar het leven zuur maken. Dat is het onderwerp van Doeschka Meijsings jongste roman. En het is haar droom van het goede leven. ‘Misschien is het wel heimwee naar de Grossfamilie.’
‘MET DE recensies van mijn nieuwe boek, De weg naar Caviano, is het gegaan als met het Nederlands elftal tegen Wales: 7-1. Zeven positieve recensies, en een kwaadaardige in de Volkskrant. Vrij Nederland negatief? Nee, wel zuinig, maar als je goed las, was het een behoorlijk positief verhaal. Dus ik voel me wel goed.’

Bij ‘De weg naar Caviano’ moest ik denken aan Pasolini’s 'Teorema’. Ook Kate, een van je hoofdpersonen, heeft Jezus-achtige proporties: iemand van wie de anderen wel móeten houden en op wie ze van alles projecteren, maar die dan plotseling verdwijnt en allen ontredderd achterlaat.
'Ik heb daar zelf niet aan gedacht, maar het is een mooie vergelijking. In de film Teorema houdt de hoofdpersoon zijn hoofd de hele tijd een beetje scheef, zoals dat scheve hoofd van J. van Nazareth aan het kruis - niet “Jezus” schrijven hoor, want dan heb je meteen een geloofsoorkonde. En die figuur verstoort met zijn messiaanse trekken ieders leven, terwijl hij niks slechts doet. Kate is ook zo'n figuur. Ze zegt van zichzelf: “Van alle rollen die ik heb aangenomen in de maatschappij, ben ik het meest een toneelspeler.” Misschien had J. van Nazareth dat ook tegen zichzelf moeten zeggen. Toneelspelers worden bekeken, en als ze wegvallen, wordt de toeschouwer zelf bekeken of kijkt hij naar zichzelf. En dat kan behoorlijk pijnlijk zijn. Ik heb een paar keer meegemaakt dat iemand uit mijn vriendenkring stierf, vroegtijdig dus. Dan kijk je naar jezelf: “Doeschka Meijsing, wat doe jij eigenlijk met de gave van het leven? Met wat je kunt, wat je hebt?”’
Kate heeft veel weg van jou, zei je. Maar ze heeft iets onaards. Dat kan van jou toch niet gezegd worden.
'Nee. Dus ik lijk niet op Kate.’
Bij Hanneke Groenteman zei je van wel.
'Nou ja, in die zin dat zij aan snelle stemmingswisselingen onderhevig is, net als ik. En dat ze toneel speelt. Hoe verliefd is de toeschouwer, zo heet een essaybundel van mij. Vanaf mijn vroege jeugd ben ik gebiologeerd geweest door het gegeven van een acteur die in andermans huid kruipt. Dat is niet zo heel ver van het schrijverschap verwijderd. Ik zet in De weg naar Caviano zeven personages neer, mannen en vrouwen, met verschillende beroepen en karakters, en ik ben in de huid van al die personages gekropen.
Toen ik vijf was en in de eerste klas van de nonnenschool zat, mocht ik Jozef spelen. Dat was omdat mijn stem laag was en de stemmen van de andere meisjes hoog. Ik was apetrots. Ik vertelde het thuis: “Nu mag ik eindelijk een lange broek aan.” Maar mijn vader vond dat ik het kemelharen kleed aan moest dat op zolder lag. Ik dacht: wéér een jurk?! Ik heb hemel en aarde bewogen om in een terlenka broekje mijn Jozef te mogen spelen. Ik wilde echt een jongen zijn.
Als meisje kreeg je in de jaren vijftig allerlei beperkingen opgelegd. Maar van dinkytoys en blokken ging een grote fascinatie op mij uit. Ik vond niks aan poppen. Ik heb twee broers en een zusje. Het is een heel leuk zusje, maar op de een of andere manier transformeer ik haar altijd in een jongetje. Als ik in mijn boeken een familie schets, dan zijn het altijd jongens om mij heen. Ik versus de anderen. Als zogenaamd hoogbegaafd kind werd ik vroegtijdig in de eerste klas gezet, en daarna ben ik weer teruggezet naar de kleuterschool. Want ik kon het wel aan wat hoofdrekenen en talen betreft, maar niet qua emotionaliteit, volgens juffrouw De Wit, kersepit, eierdop, kletskop… zo'n grijze muis.
Ik heb later zelf les gegeven, vanaf mijn eenentwintigste. Zeven jaar op het Ignatius College en drie jaar op de universiteit. Les geven gaat me makkelijk af, want het is acteren. Je moet die kinderen veroveren voor iets wat je zelf mooi vindt. Ik begon op 7 augustus 1971, met 4-havo. In die klas zaten mensen die even oud waren als ik. Op de achterste rij zat een jongen van negentien met een roze overhemd aan, met veel borsthaar dat eruit krulde, en lang blond engelenhaar. Die zat met zijn armen gevouwen broedend naar mij te kijken. Ik moest vertellen over Karel ende Elegast. En ik dacht: dit is gevaar. Ik was bij Berthe met de dikke voeten, de vrouw van Karel de Grote, en ik strekte mijn arm uit, wees naar die jongen en zei: “Jij, broertje, gaat nu naar je moeder toe.” Hij was heel verbaasd, want hij had niks gedaan. Hij werd een beetje rood en verliet de klas. Sindsdien heb ik perfecte orde gehad. Wat dat wil zeggen is dat je in elke situatie onmiddellijk het gevaar moet zien en in de aanval moet gaan. Hoewel, duiken kan ook erg goed zijn. Ik houd ook heel vaak mijn mond.’
OOK IN JE BOEKEN komt zwijgzaamheid als positieve, veelbetekenende eigenschap van mensen naar voren. Maar volgens mij ben je zelf helemaal niet zo.
'Waartoe zijn wij op aarde? Zum lernen. En wat ik moet leren, is schweigen, en niet die grote mond van me opentrekken. Vroeger riep het toneelpubliek: “Vermoord haar!” of “Leugens!” Dat mogen we nu niet meer, maar ik heb die neiging nog steeds. Ik ben een beetje een enfant terrible. Dan denk ik: we zitten hier allemaal braaf op klapstoeltjes te luisteren naar nonsens, hoogdraverij, oneerlijkheid. En dan roep ik om te provoceren “Bravo!”’
Heeft die grote bek je wel eens schade berokkend?
'Sure. Laat ik het zo zeggen: niet iedereen is mijn vriend. Ik heb een beetje de naam lastig te zijn, hè?’
Ja.
'Hoezo “ja”?! Nou, ik vind het niet de slechtste eigenschap, lastig zijn. Ik bedoel, je kunt toch niet alles met groot handgeklap begeleiden? Je moet altijd tegen iedereen die je liefhebt, kunnen zeggen: als het je niet bevalt, ga je maar weg. Je kunt de situatie op de spits drijven, in de hoop dat de ander dan zegt: “Nee, ik ga niet weg.” Of ik met mijn geliefde nou ruzie aan het maken ben over een tomatensalade of over wat dan ook, bij mij is het altijd op de spits. Dat is mijn temperament. Dat ik zeg: “Tomatensalade, dat past niet bij lever met appel en uien!” En dan sta te tieren en te stampvoeten in de keuken.’
En hoe kan de ander je dan nog kwader krijgen?
'Door ertegenin te gaan: “Ik wil die tomatensalade maken!” Dan wordt het echt hommeles. Als jij een tomatensalade wilt bij lever met appel en uien, mag jij dat doen, maar dan ga ik weg. De beste reactie is om tegen me te zeggen: “Doe niet zo gek, het gaat over een tomatensalade, zeg.” En dan zie ik er de humor ook wel weer van in.
Ik kies mensen die mij ook op mijn nummer kunnen zetten. Ik heb een theorie: noorderlingen zijn zacht. Met hun helblauwe ogen en helblond haar lijken ze op de Noormannnen van vroeger, de echte helden, maar in wezen zijn de noorderlingen zwak. De Zuideuropeanen zijn sterk, hard tegenover het leven. En ik ben voor hardheid. Niet ten opzichte van zwakken - nooit naar beneden trappen. Hardheid betekent: helderheid, geen hypocrisie. Ik ben tenslotte katholiek opgevoed, dus ik weet wat hypocrisie is. We staan allemaal samen in de arena die “leven” heet. Bij hardheid gaat het om het kunnen waarnemen van de ander, dat is vriendschap.’
In je romans gaan vriendschappen doorgaans mis.
'Ja, in mijn boeken gaan veel relaties mis. Eigenlijk alle relaties. Dat is mijn onmacht om over geluk te schrijven. En dat is waarschijnlijk nog nooit iemand gelukt, behalve Harry Mulisch in De ontdekking van de hemel. Zelfs Elsschot niet, zelfs Nescio niet. Ook buitenlandse schrijvers niet. Schrijft Natalia Ginzburg over geluk? Nee. Schrijft Italo Calvino over geluk? Nee. Salman Rushdies laatste boek gaat over puur ongeluk. Maar wel over leven. Geluk is zo'n abstracte categorie. Zodra je het beseft, is het er al niet meer. “Het eeuwige te laat”, zoals Vestdijk het noemt. Je kunt als schrijver hooguit de weemoed beschrijven over het geluk dat verdwenen is. De pendelzwaai tussen geluk en ongeluk.’
Het verlangen naar geluk is in jouw werk gekoppeld aan Zuid-Europa. Vaak aan een mediterraan eiland. Maar één keer, in 'Beer en jager’, aan Schiermonnikoog.
'Het gaat om het gevoel aan zee te zijn, het liefst op een eiland, waar een enorme storm uitbreekt zodat je nooit meer wegkomt. Maar de zee betekent tegelijkertijd dat je kunt vluchten. Dat gevoel hebben de bergen voor mij absoluut niet. Over bergen worden in De weg naar Caviano harde noten gekraakt. Dat verschrikkelijke, benepen Zwitserland. Vanaf mijn vijfde tot aan mijn negentiende ben ik aan het Lago Maggiore geweest. Dat was een openbaring voor me, daar is dat gevoel ontstaan.’
Maar je woont in het noorden, in Amsterdam.
'Omdat dat de enige stad in het noorden is waar je diezelfde harde mentaliteit kunt botvieren. Gemoedelijkheid totdat het te ver gaat, dan krijg je lik op stuk. En dan moet je lik op stuk terug kunnen geven. Als je tegen de bloemenman zegt: “Die bloemen zien er een beetje verlept uit, ik wil ze niet voor zes gulden hebben maar voor vier”, dan zegt hij: “Vier vijftig.” Hard op hard.’
Alsof je dat in Groningen niet kunt tegenkomen.
'Dat weet ik niet zo. Ik heb van Groningen een hoge dunk, ik heb er gastcolleges gegeven, en als ik uit Amsterdam verbannen zou worden wegens wangedrag, dan zou ik naar Groningen gaan. Niet naar Haarlem, waar ik mijn jeugd heb doorgebracht. Dat is zo bourgeois: men houdt elkaar in de gaten, maar zegt niks tegen elkaar. Ik ben er bedreven in om met dat soort mensen om te gaan, hoor. Dat is mijn opvoeding. Plaats mij op een receptie bij Haarlemse regenten en ik kan met iedereen heel hoffelijk praten. Het zijn mooie mensen, ze zien er gezonder uit dan Amsterdammers, maar ik vind Haarlem een vreselijke stad.’
IN EEN OUD interview noemde je ze erotisch, die koele elegante bourgeois-dames.
'Vrouwen die zich in spijkerpakken kleedden en hun haren maar lieten waaien, vond ik minder aantrekkelijk dan een koele, onbevredigde vrouw. Je snuift altijd de geur op die het best bij je past en dat heeft helaas te maken met de omgeving waarin je bent opgegroeid. Ik had ook best van een arbeidersjongen willen houden hoor, of van een hoogleraar van gereformeerden huize.’
Heb je wel eens van een arbeidersjongen gehouden?
'Jawel, en ook van een hoogleraar van gereformeerden huize. Maar dat doet er allemaal niet toe. Ik zal mij ook nooit afficheren als schrijfster van lesbische literatuur. In mijn boeken speel ik juist een spel met de identiteit van personages. In Tijger, tijger! word je bijvoorbeeld op het verkeerde been gezet omtrent de sekse van de hoofdpersoon.’
Je hebt je ook nooit als feministisch schrijfster willen afficheren.
'Nee. Ik sta achter de standpunten, maar ik ben zelf zo weinig feministisch, zo egocentrisch, dat ik er niet eens aan denk tot de beweging te behoren.’
Maar heeft de vrouwenbeweging nooit geprobeerd om jou voor haar karretje te spannen?
'Jawel, ik was eens uitgenodigd voor een vrouwenforum waar zo'n vrouw opstond, die zei: “De hele uitgeverswereld is een mannenbolwerk, want ik heb een manuscript ingestuurd en ik kreeg het terug.” Ik antwoordde toen: “Maar mevrouw, ik heb zes jaar lang gedichten en verhalen ingestuurd, en ik kreeg ze ook allemaal terug.” Die Ausdauer, dat is natuurlijk waar het om gaat. Het lijkt me onjuist alles op het mannenbolwerk te gooien. Doeschka Meijsing is een individu. Ik kan niet denken in termen als “vrouwen voor vrouwen” of “allochtonen voor allochtonen” of “autochtonen voor autochtonen”. Ik ben wars van zulke categorieën.
Sommige mensen zien mij nog steeds als het keurige Haarlemse meisje. Nou, ik ben allesbehalve keurig. Maar omdat ik nog steeds over gegoede mensen schrijf, halve of hele intellectuelen, en niet over de vishandelaar en de hoefsmid zoals in de boeken van Asterix en Obelix, blijft dat etiket aan me kleven.
In Haarlem heb ik een sterke overlevingsdrift meegekregen. Vanaf mijn literaire debuut in 1974 heb ik altijd gewerkt naast mijn schrijverschap. Ik ben namelijk bekender in naam dan in verkoop, en diep in mijn hart vind ik dat je de kost moet kunnen verdienen. Na het docentschap ben ik journalist, dat wil zeggen literair criticus geworden. Jarenlang bij Vrij Nederland en nu bij Elsevier. Mijn vertrek bij Vrij Nederland is een van de droefste zaken in mijn leven geweest. Maar achteraf is het een blessing in disguise. Ik moest opeens het hoofd boven water gaan houden en zag daardoor hoe vergankelijk alles is: een vaste baan, het leven zelf.
De thema’s van dood en verlies zijn toen aanmerkelijk sterker in mijn werk gekomen, te beginnen met De beproeving. Dat gaat over het verlies van een geliefde. Het is misschien iets te zwaar aangezet om Vrij Nederland een geliefde van me te noemen, maar het waren wel tien jaren waarin ik me als een vis in het water had gevoeld.
Levende mensen die je in de steek laten, die je verraden, die wegvallen - dat is het ergste. Veel erger dan mijn eigen dood; die interesseert me weinig. In een doodshemd zitten geen zakken, dus je kunt niks meenemen. De meeste mensen hebben een beetje verstand van verlaten worden, geloof ik, maar sommigen lijden er meer onder dan anderen. Misschien lijd ik er meer onder dan anderen.’
IN 'TIJGER, TIJGER!’ uit 1980, je derde roman van de twaalf, schreef je over de ziekte die je het meeste vreesde: de ouderdom.
'Thom Hoffman heeft onlangs een foto van me gemaakt, die stond heel groot afgedrukt in de NRC. Het is een heel bijzondere foto, want daarop komt dat schavuitachtige, zigeunerachtige van mij naar voren. Ik zie wel: verdomme Doeschka, je bent oud geworden. Ik heb hier in mijn huis hele grote spiegels hangen, maar ik kijk er bijna nooit in. Ik voel me niet ouder geworden, wel een beetje wijzer. Maar ik kan niet verwachten dat ik met mijn negenenveertig jaar nog een beauty ben.’
In jouw kringen wordt niet bepaald meegedaan aan de gezondheidsrage.
'Kijk, als je vijf tot zeven glazen wijn per dag drinkt, en niet méér, leef je langer dan als je helemaal niet drinkt. Als je meer drinkt, leef je korter. Als je rookt, heb je minder kans op Alzheimer. En als je rookt, moet je drinken. En als je van het leven wilt genieten, moet je beide doen. Daarmee ben je het toch wel eens? We gaan toch niet Amerika nadoen, met zijn fundamentalisme?’
Heb je dromen of intenties om dingen radicaal anders te gaan doen in de tweede helft van je leven?
'Ik heb een droom, al heel lang. Dat er een huis bestaat, een groot en ruim huis aan de Middellandse Zee of aan een andere zee, waar alle vrienden altijd bij elkaar komen. En dat kunnen wisselende vrienden zijn, en we mogen over elkaar roddelen, we mogen elkaar naar het leven staan, het is een beweeglijk patroon.’
Is dat niet het levensgevoel van jouw generatie?
'Mijn generatie kende een saamhorigheidsgevoel tegen de kleinburgerlijkheid van het naoorlogse Nederland, die - om met Helga Ruebsamen te spreken - als een natte dweil in je gezicht terecht kwam. Die saamhorigheid bestaat niet meer, maar misschien is er wel heimwee naar de grootouderstijd, toen de Grossfamilie er nog was. Heimwee naar een vervangend familieverband. Die droom blijft bestaan: met mensen samen te leven en elkaar wederzijds de geest te scherpen.’