Norman Stevens, Summer, 1976. Lithografie op papier, 44,5 x 50,7 cm © The estate of Norman Stevens / The Redfern Gallery, London / Tate Britain

‘Het was de slechtste der tijden, het was de slechtste der tijden. Alweer. Dat heb je met dingen. Ze vallen uit elkaar, is altijd zo geweest, zal altijd zo blijven, ligt in hun aard.’

Het is de herfst. De grote vraag is gesteld – blijven of verdwijnen – en een meerderheid koos de aftocht. Het Verenigd Koninkrijk bevindt zich midden in een existentiële crisis die zich niet laat vertalen in een simpele tweedeling van winnaars en verliezers. Op dit moment in de geschiedenis probeert Elisabeth Demand haar paspoort te verlengen, terwijl haar oude buurman Daniel Gluck aanspoelt op een strand, verandert in een boom, en andere transformaties doormaakt die in de regel alleen in dromen plaatsvinden. Dit is een verhaal over stilstand in het midden van verandering, een verhaal dat zich over vier jaar en vier boeken zal uitspreiden, en dat probeert te vertellen hoe je (niet alleen jij, niet jouw mensen, maar alle ja- en nee-stemmers bij elkaar) loskomt als je vastzit.

Het is een idee waar Ali Smith al twintig jaar mee rondloopt, getuige een ansichtkaart uit midden jaren negentig. De seizoenen zijn een geschenk aan ons, schrijft ze daarop, en daarom ziet ze het als haar plicht er nog eens een reeks novellen aan te wijden: ‘een fijne plicht’. Na Het een als het ander (2015) besluit ze dat dit het moment is. De Brexit valt als een plotselinge schokgolf over Europa, maar wel een golf die voortdendert binnen het thema waar ze al langer over schrijft: grenzen, tweedelingen, en de manier om die op te heffen: om twee tegengestelde zaken tegelijkertijd te kunnen zien. Daarbij is het inmiddels praktisch gezien mogelijk: haar laatste roman is in luttele weken van manuscript tot papieren boek verworden. De tijd is rijp.

Na het baantjeszwemmen in een veel te druk zwembad vertelt een pushbericht me dat ik een nieuwe badge heb gewonnen: I Am The Night. Om 01.21 uur ’s nachts heb ik een kilometer lang baantjes getrokken. Ik probeer de tijd aan te passen, de badge te verwijderen. Het gaat niet. De telefoon laat me weten wat gebeurd is en wat nog gaat komen, en duldt geen tegenspraak. PostNL laat me weten dat ik een pakketje van E.L. uit Rotterdam ga ontvangen, hoewel het pakket nog niet ‘fysiek aangeboden’ is. ‘Bezorgtijd nog niet bekend.’ De postkantoren zijn al verdwenen, het is wachten tot de bodes door drones worden vervangen: de D op de plaats van de B, een N in plaats van de D, voeg er een R aan toe.

In een soortgelijk vreemde limbo speelt het kwartet (voor elk seizoen een) van Smith zich af: op locaties die in de twintigste eeuw nog levendige bijenkorven waren (het postkantoor, de bank), maar die inmiddels zijn gereduceerd tot een verzameling lege cellen waar computers hun scripts doorlopen. Het heden en het verleden raken vervlochten (een interneringskamp in de Tweede Wereldoorlog versus een detentiecentrum voor asielzoekers versus lockdown) en spiegelen elkaar.

En dat is hoe het is, natuurlijk. Wij mensen zijn zo kortzichtig om de geschiedenis als chronologisch te ervaren: we worden geboren in een specifiek punt in het verleden, sterven in een specifiek punt in de toekomst, en de lijn tussen het ene en het andere zien we vervolgens, heel tweedimensionaal, als het verloop van de tijd. Terwijl voorbij dat mierengekrioel dat wij leven noemen de seizoenen zich simpelweg herhalen en herhalen. Tot in de eeuwigheid. Of in ieder geval tot de mens erin slaagt ze definitief de nek om te draaien.

Hoewel: ook mensen kunnen voorbij hun particuliere mierentijdlijn kijken, via de verhalen die je nog hoorde van je oma over haar oma, de verhalen die je vertelt aan je kinderen, die het weer aan hun kleinkinderen zullen doorvertellen. Door boeken te lezen, films te kijken, te dagdromen. Tijdreizen, zoals de op het strand aangespoelde Daniel Gluck zegt, ís echt. In gedachten, in coma’s, in de verhalen die ze elkaar vertellen, de mens reist continu door de tijd heen, en ziet zo de parallellen tussen het verre verleden en het nu van nu.

Daniel is de 104 jaar oude man die alle personages via bloed- of andere banden met elkaar verbindt. In elk van de vier delen speelt hij een rol: dromer, kunstenaar, mentor. (Pas in het laatste boek blijkt hij ook ooit een kind te zijn geweest, iemand die het ook niet weet, die z’n best doet maar het aflegt tegen zijn zusje.) Hij is de hoofdpersoon.

Of de hoofdpersoon – misschien is de hoofdpersoon de anonieme verteller die elk van de boeken opent en onderbreekt, een verteller die ik als de tijdgeest lees. Hij vertolkt (en soms schreeuwt hij in kapitalen) de rondzoemende gedachten en gevoelens:

‘Iedereen zei: en? Als in nou en? Als in schouderophalen, of wat wil je dat ik eraan doe? Of het kan me echt geen reet schelen, of eigenlijk ben ik het er wel mee eens, ik vind het best. Oké, niet iedereen zei het. Ik spreek in algemeenheden, zoals in de dooddoener iedereen doet het. Wat ik bedoel is, het was een duidelijk baken, toen, van die bepaalde tijd; een soort lakmoesproef, die wegwuivende toon. Het kwam rond die tijd in de mode om te doen alsof het je niks kon schelen. Het kwam toen ook in de mode om te beweren dat de mensen die het iets kon schelen, of die zeiden dat het ze iets kon schelen, hopeloze losers waren of gewoon opscheppers. Het lijkt een leven geleden. Maar dat is het niet – het is letterlijk pas sinds een paar maanden dat mensen die hun hele leven of het grootste deel van hun leven in dit land hebben gewoond worden gearresteerd en met deportatie bedreigd of gedeporteerd: en?’

Ik herlees Herfst, Winter, Lente en Zomer in de midweek waarin niemand meer weet welke dag het eigenlijk is. Mijn slimme horloge dat alles registreert is ergens in het drankgelag van kerstavond uitgevallen, opnieuw opgestart, en geeft sindsdien de verkeerde tijd aan. Ik zeg dat ik er iets aan ga doen, Tweede Kerstdag, in de trein op weg naar een familie-etentje in het noorden van het land, maar ik laat ’m nog dagenlang liegen. Het is 10.48 en tegelijkertijd 00.53 uur. Elk seizoen gaat evenzeer over andere seizoenen, zegt Ali Smith.

Het is winter en tegelijkertijd Zomer, de koningin van het Verenigd Koninkrijk overlijdt. Ze is bijna een eeuw oud geworden.

Het is Lente.

De menselijke verbeelding is geen scheppende kracht, maar een vorm van herschrijven. Smith: ‘Boeken scheppen boeken’

‘Weet je waar ongeveer één op de vijf van alle miljoenen mensen die in 1922 op de wereld leefden toe behoorde?’ vraagt scenarist Paddy aan haar beste vriend.

Richard, een regisseur die gevraagd is een film te maken over Katherine Mansfield en Rainer Maria Rilke, weet niets van die schrijvers, laat staan dat hij zich de maatschappelijke tendens van honderd jaar geleden voor de geest kan halen, maar Paddy (of nou ja, Ali) spelt het voor hem (ons) uit: één op de vijf wereldburgers is nog een onderdaan van het Britse Rijk, er heersen nieuwe oude opstanden in Ierland, Mussolini begint z’n kop te roeren, Engeland en Duitsland draaien als molenstenen om elkaar heen, ‘alle miljoenen mensen die al dood zijn, en ze staan op het punt om die miljoenen weer helemaal opnieuw te vermalen in de volgende oorlog’.

Op de rand van 2022 komen deze zinnen nog harder binnen dan bij publicatie, drie jaar eerder.

‘Ga me niet vertellen dat dit niet opnieuw relevant is op zijn gloednieuwe steeds dezelfde oude manier.’

Dat is de clou, de troost en het venijn van deze vier boeken: ze blijven relevant, actueel, huidig. Ze zitten het heden op de huid zonder gedateerd te worden. Het gaat niet om de precieze dagen, maar om de bewegingen van dag tot dag: current betekent hedendaags, ja, maar als zelfstandig naamwoord wordt het vertaald als stroom, als de loop van water of elektriciteit. En pas op, want ook hier kun je weer verkeerd kijken: die stroom loopt niet lineair van A naar B, want energie gaat niet verloren, ze wordt alleen maar doorgegeven; het water druipt niet alleen van de bergen naar de zee, het stijgt op en cirkelt terug naar het begin.

Norman Stevens, Winter, 1976. Lithografie op papier, 44,5 × 51cm © The estate of Norman Stevens / The Redfern Gallery, London / Tate Britain

Meer werk van Norman Stevens (1937-1988) is te zien in The Redfern Gallery in Londen. De galerie brengt in het voorjaar ook een boek uit met zijn verzameld werk. Stevens stond bekend als ‘een van de meest bijzondere en onderscheidende grafici van zijn generatie’

Smith bouwt dan ook voort op het verleden, op misschien wel de grootste Brit uit de literatuur, Shakespeare, zonder in gebaande baden te vervallen. Ze kiest zijn obscuurste werken: een Pericles, een Cymbelline. Je hoeft niet te weten dat ze die referentie maakt om het boek te waarderen, zoals ze in een lezing van tien jaar terug benadrukt dat je de verwijzing van Jane Austen naar Walter Scott ook niet hoeft te vatten om haar statement ‘I do not write for such dull elves/ As have not a great deal of ingenuity themselves’ te waarderen. Maar, benadrukt ze, het is wel leuk om het te zien. De verwijzing benadrukt de menselijke verbeelding niet als een scheppende kracht, maar als een vorm van herschrijven. Dat is, concludeert Ali Smith, wat schrijvers doen: ‘Boeken scheppen boeken.’

Elk van de seizoenen begint met een verhaspelde eerste regel van Charles Dickens. Dat leerde ik overigens pas toen ik ‘Het alfabet van Charles Dickens’ eerste regels’ gegoogeld had, wat totaal niet de bedoeling is. Winter en Lente benadrukken de stommiteit van kant-en-klare kennis, het verschil tussen weten en opzoeken. Zoals mijn geschiedenisleraar vroeger elk proefwerk opbouwde uit kennis (vijf vragen waarvan je het antwoord uit je hoofd kon stampen), begrip (de tien waarom-vragen die een diepere kennis van de stof vereisen) en toepassing (de tien opdrachten die aantonen wie werkelijk geschiedenis bedrijft), zo raast het in Lente:

‘Google, zegt zijn moeder. Het nieuwe pas ontdekte land. Niet zo lang geleden geloofden alleen de geestelijk gestoorden, de onwereldse boekenwurmen, de imperialisten en de naïefste schoolkinderen dat encyclopedieën een soort equivalent boden voor de echte wereld, of ieder echt begrip ervan. En ze werden verkocht door huis-aan-huisverkopers, en waren niet te vertrouwen. En zelfs de geautoriseerde encyclopedieën, zelfs die beschouwden of accepteerden we nooit als echte kennis van de wereld. Maar nu vertrouwt de wereld zoekmachines zonder bijgedachten.‘

Het is lente en Ali Smith draagt voor uit Winter. Ze snelt door de woorden alsof niet de hele Amstelkerk zijn maartverkoudheid inhoudt om elke lettergreep te horen. Ik heb heel wat schroom opzijgezet en flink gedraald (een bezoek aan de wc, nog een drankje bij de bar) tot de meeste bezoekers de hal hebben verlaten en ik achteraan de korte rij aansluit. Naarmate ik vorder, word ik nerveuzer. Als er nog maar twee mensen voor mij wachten, vraag ik mijn vriend om alsjeblieft ergens anders naartoe te gaan. Een schrijver om een handtekening vragen is al gênant genoeg, laat staan dat er iemand getuige is van hoe ik ineenschrompel tot een bakvisje. Hoewel ik dat niet doe: ik word een schaap dat duf voor zich uit staart tot ik er een gehaast ‘Bedankt voor je boeken, ze betekenen heel veel voor me’ uit wring, waarop, en dit verbaast me nog altijd, omdat de verwachting is dat schrijvers als Smith zulke zaken om de haverklap horen, Smith een hand op haar borst legt, me even recht aankijkt, en antwoordt: ‘Dank je wel. Dat is bijzonder om te horen.’

Ik bedoel maar te zeggen: niet alleen haar boeken zijn hartelijk.

En ik knik een beetje en schuifel de zaal uit. Pas in de trein naar huis sla ik het boek open om te zien wat ze heeft geschreven. For Nikki. Mostly (?) you/yr all good (?) … an to … Onleesbaar.

Voorbij dat mierengekrioel dat wij leven noemen herhalen en herhalen de seizoenen zich simpelweg. Tot in de eeuwigheid

‘Wat we dus niet willen zijn Feiten.’ De openingsregel van Lente verwijst naar Dickens’ Hard Times, waarin een leraar Now what I want is Facts verkondigt: ‘Leer deze jongens en meisjes niets anders dan Feiten’, en vervolgens vertelt het een sprookje over een twaalfjarig meisje dat vluchtelingen uit detentiecentra bevrijdt en op zoek naar de locatie van een oude ansichtkaart onderweg een suïcidale man van het spoor af trekt. Vivunt spe staat er op haar schooluniform: ze leven van hoop.

De kunstenaar die in dit boek wordt uitgelicht is Tacita Dean, die in het voorjaar van 2018 daadwerkelijk exposities op drie verschillende locaties in Londen had – dat heb ik gegoogeld, ja, maar een Brit met mazzel zou maar zo een van die drie tentoonstellingen bezocht kunnen hebben om die een jaar na dato terug te lezen in de verbeelding van Smith. Dat is de magie van een reeks die je als Bastian Balthazar Bux in Neverending Story de boeken in zuigt. Omdat je er deel van bent, dat kan niet anders, van deze huidige cyclische geschiedenis.

Het is Winter en het is herfst in de jaren zeventig, en Iris wandelt met een groepje vrouwen een militair terrein op om zich aan het hek vast te ketenen in protest tegen nucleaire wapens. Ik zit in die limbo van omgekeerde tijdstippen en onbenoembare dagen en noteer driftig in de marges van de paragrafen: ‘Extinction Rebellion – opgericht in VK!’ Maar als ik google (doe het niet, zegt Smith) kom ik erachter dat die groep pas een half jaar na de publicatie van Winter werd opgericht.

Deze boeken zijn vernietigend over het heden, vernietigend over het verleden, maar altijd hoopvol over de toekomst. Sommige mensen, heb ik begrepen, lezen om een andere wereld te leren kennen, om iets nieuws te leren. Ik lees juist op zoek naar herkenning, naar troost. Naar verwante geesten die me aan de hand kunnen nemen, uitleggen waar ik nu weer in ’s hemelsnaam in beland ben. Al het werk van Smith gaat over de vraag wat kunst kan doen, welke zin het heeft, en in deze vier boeken gaat het expliciet over de vraag wat kunst kan betekenen in een rap verslechterende politieke werkelijkheid.

Het is Zomer en Grace ziet hoe een voorbijganger een zak hondenpoep in het prikkeldraad rondom een detentiecentrum werpt. De vraag of ze boos is op immigranten, op de organisatie, op de regering of het hek zelf, wordt niet beantwoord. Dit is geen ongerichte woede, maar waar ze op gericht is blijft in het midden. Waar het hek staat. Dat hek, benadrukt elk van Smith’s seizoenen, is een zinloos verzinsel, zoals ieder hokje, iedere grens.

‘Ik ben maar een zomer-Duitser’, verklaart de 104-jarige Daniel Gluck in 1944. Hij is dan nog een tiener en zit, als Duitse Engelsman, vast in een interneringskamp. Hij is opgegroeid in Engeland, ging daar naar school. Alleen de zomers bracht hij in Duitsland door.

‘Het is nu zomer’, antwoordt de jongen die hij net heeft ontmoet, ‘dus je bent nu een Duitser, vriend.’

Het gros van de gevangenen op het kamp, een oud-vakantieresort op het Isle of Man, is Duitse vluchteling, kunstenaar of intellectueel – allemaal vijanden van de nazi’s, die vanwege hun verdachte nationaliteit ook in Engeland niet vrij zijn. In de dubbelzinnigheden van die gevangenis wordt Daniel de kunstenaar die hij zijn leven lang voor anderen zal zijn.

‘Ziet u dingen graag zoals ze zijn én zoals ze niet zijn? zegt meneer Uhlman. Ik kan niet anders dan allebei zien, zegt Daniel. Soms wilde ik dat het anders was. Maar ik kan het niet. Gefeliciteerd dan. U bent één stap verwijderd van kunstenaar, zegt meneer Uhlman.’

Het is winter en het is vijftien graden, en het is beangstigend hoe weinig angst dat gegeven nog opwekt in het monoseizoen waarin we nu leven. De eerste paar dagen ben ik erin geslaagd het goede voornemen vol te houden, maar de eerste cheat zit ook al in de zak – dat is oké, ik begin opnieuw, het is niet of-of maar en-en. Mijn horloge geeft dezelfde tijd aan als die van de klokken om me heen, en op de dagelijkse wandeling overweeg ik eventjes, wanneer ik de sluis oversteek en langs het kanaal loop, om ’m af te doen en in de sloot te gooien. Zoals Daniel Gluck dat doet, wanneer hij de jonge Elisabeth een ruimtetijdexperiment laat zien.

‘Het is mogelijk, zei hij, om niet op iemand verliefd te zijn maar op zijn of haar ogen. Ik bedoel, op hoe ogen die niet je eigen ogen zijn je laten zien waar je bent, wie je bent.’

Ik sla het boek nog eens open. Ineens staat er iets anders, niet die onduidelijke krabbel, maar een gemakkelijk leesbare zin: ‘For Nikki. Wishing you all good things, all the seasons. Ali.’ Ik knipper, en het zijn weer die vage lijnen. Ik sla het boek open, en weer dicht, en de zin staat er opnieuw. Het blijft en het verdwijnt.

Nikki Dekker debuteerde vorig jaar met Diepdiepdiepblauw (De Bezige Bij)