Four more years

Het heetste hangijzer, Irak

Na zijn overwinning zal George Bush zijn buitenlandbeleid op dezelfde voet voortzetten. Voor de belangrijkste kwestie, Irak – die volgens Democraten zijn ondergang zal worden – heeft Bush enkele opties. Met serieuze risico’s.

Bij het ter perse gaan van deze krant is de verkiezingszege van president George W. Bush vrijwel zeker, terwijl zijn partij ook de meerderheid in beide huizen van het Congres lijkt te zullen behouden. Wat betekent die overwinning voor het Amerikaanse beleid inzake het heetste internationale hangijzer van dit moment, namelijk «Irak»?

Bij alle teleurstelling over de gemiste kans voor uitdager John Kerry om gestalte te geven aan een nieuwe, multilaterale aanpak van het probleem is er één schrale troost: zijn beleid zou zelfs met de beste wil van de wereld niet veel verschillen van dat van de zittende president, te meer daar een Republikeins Congres zijn initiatieven (of de financiering ervan) naar believen zou kunnen blokkeren. Wat dat betreft was de presidentsverkiezing al maanden geleden een gelopen race, op zijn laatst toen de progressieve kandidaat John Dean het op de Democratische Conventie definitief moest afleggen tegen Kerry.

Deans programma legde grote nadruk op de binnenlandse politiek – het bevatte onder meer een plan voor een nationale ziektekostenverzekering – en was alleen al daarom een welkom alternatief voor het oorlogszuchtige, dure en fiscaal roekeloze buitenland beleid van de huidige regering. Een Dean-campagne, ondersteund door een massale inspanning om Democratische kiezers naar de stembus te krijgen, had een veel bredere discussie onder Amerikanen over dat beleid op gang kunnen brengen dan de halfhartige campagne van de East Coast liberal Kerry die maar niet kon uitleggen in welk opzicht zijn verondersteld geniale «plan» voor Irak verschilde van het gevoerde beleid. Dankzij dat beleid is de marge voor nieuwe, dure buitenlandse initiatieven in de trant van Kerry toch al zeer smal geworden, ook al suggereert de regering-Bush een voortdurende bereidheid en paraatheid om op talloze fronten in de wereld tegelijk te interveniëren. In tegenstelling tot bij de eerste Golfoorlog dragen de Amerikanen nu vrijwel alleen de kosten van hun interventie in Irak. Gevoegd bij de Republikeinse obsessie voor belastingverlagingen heeft dit ertoe geleid dat het Amerikaanse begrotingstekort, dat onder Bill Clinton was omgebogen tot een bescheiden overschot, dit jaar bijna vijfhonderd miljard dollar bedraagt. En dat bij een nationale schuld van meer dan duizend miljard die grotendeels door het buitenland wordt gefinancierd. Gehinderd door een Republikeins Congres, net als zijn voorganger Clinton, had een eventuele president Kerry de wereld meer dan eens met lege handen tegemoet moeten treden.

Nu alles erop wijst dat Bush «four more years» tegemoet gaat, hangt de kwestie als een morele, politieke en fiscale molensteen om zijn nek. In Democratische kringen wordt gezegd dat «Irak» zijn ondergang wordt. Ze verheugen zich al op een Democratische overwinning in 2008, wanneer de Republikeinen zichzelf zodanig zullen hebben gediscrediteerd dat Hillary Clinton onweerstaanbaar wordt, maar dat is dan ook de enige positieve draai die ze aan deze uitslag kunnen geven. Het is bovendien niet ondenkbaar dat de kwestie zich voortsleept tot na de verkiezingen van 2008, als een «Arabisch Vietnam» dat niet alleen het Midden-Oosten en de rest van de wereld, maar ook de Verenigde Staten zelf nog dieper zal verdelen dan nu het geval is.

Welke opties staan Bush nu ter beschikking? Naar verwachting zal hij de eerste maanden geen grote veranderingen in het beleid aanbrengen, maar zich toeleggen op personele wijzigingen. Met het oog daarop werken zijn pr-adviseur Karl Rove en stafchef van het Witte Huis Andrew Card reeds een namenlijst af. In de wandelgangen wordt gespeculeerd over «verrassingen», zoals de benoeming van een zwarte minister van Justitie en een vrouwelijke minister van Defensie. Voor het Irak-beleid voorspellen de genoemde namen echter enkel meer van hetzelfde. Volgens anonieme Republikeinse bronnen, aangehaald in The Washington Post, zou minister van Defensie Rumsfeld worden vervangen door de huidige nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Zij zou op haar beurt worden opgevolgd door plaatsvervangend minister van Defensie en architect van het huidige Irak-beleid Paul Wolfowitz. Ook de namen van Dick Cheneys stafchef Lewis Libby en de plaatsvervanger van Rice, Steven Hadley, worden voor die post genoemd.

Kortom, de verwachte wijzigingen zijn een stoelendans van gelijkgezinden, die bovendien allemaal nauw betrokken zijn bij het falende beleid van de afgelopen vier jaar. De grootste teleurstelling is dat ook Karl Rove – de Darth Vader van het Republikeinse universum en bedenker van de smerigste campagnestreken van de laatste tien jaar – naar eigen zeggen nog eens vier jaar aanblijft als presidentieel adviseur. Mits de president hem dat vraagt, zo voegt hij er altijd quasi-bescheiden aan toe. Rove en Bush junior zijn gezworen vrienden sinds hun nauwe samenwerking tijdens de campagne voor Bush senior in 1988. Uit de recente «bekentenisliteratuur» van afgehaakte Bush-medewerkers als minister van Financiën Paul O’Neill en diplomaat Joseph Wilson komt Rove naar voren als een gewetenloze manipulator wiens macht in het Witte Huis beduidend verder reikt dan zijn functieomschrijving.

Als mager tegenwicht is daar minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell, die afgelopen zomer iedereen verraste door te verklaren dat hij wellicht zou aanblijven. Zijn internationale aanzien is danig geslonken sinds hij zich in de aanloop naar de Irak-oorlog blameerde door de Veiligheidsraad «bewijzen» tegen Saddam Hoessein voor te leggen die al gauw door deskundigen werden ontkracht als haastwerk of pure propaganda. Daar komt bij dat Powell al jaren wordt buitengesloten van de besluitvorming in het Witte Huis. Hij dient eigenlijk alleen om het beleid te legitimeren tegenover de buitenwereld, als een soort Madame Tussaud-beeld dat moet herinneren aan de diplomatieke respectabiliteit van de Verenigde Staten tijdens het presidentschap van George Bush senior en het einde van de Koude Oorlog.

Wat het eigenlijke beleid inzake Irak aangaat staan de nieuwe regering-Bush bedroevend weinig wegen open. Voor een echte oplossing in de vorm van een duur, omvattend en zorgvuldig uitonderhandeld veiligheids arrangement voor het hele Midden-Oosten inclusief Israël en zijn buren is het gewoon te laat. Daarvoor hebben de Verenigde Staten in de drie jaar sinds 11 september 2001 te veel goodwill, geld en diplomatiek prestige verspeeld. Een dergelijk arrangement, ondersteund door een internationale vredesmacht waarin de Amerikanen een onmisbare deel nemer zouden zijn, is eenvoudig te duur. Het wantrouwen onder Arabische regeringen en de publieke opinie in de regio is te groot, de onder deze regering opgebouwde expertise inzake het Midden-Oosten is te klein, en de bereidheid van andere westerse landen en Japan om een forse bijdrage te leveren is praktisch nul.

Een voortzetting van het huidige beleid, waarvan al lang duidelijk is dat het niet zal leiden tot een welvarend, democratisch Irak als «baken voor het Midden-Oosten», is eveneens ondenkbaar. Ook als de voor genomen Iraakse verkiezingen in januari zonder grote incidenten verlopen, zullen de problemen allerminst zijn opgelost, net zo min als ze dat zijn in Afghanistan nu de zittende president Hamid Karzai zich tot verkiezingsoverwinnaar laat uitroepen terwijl zijn macht niet verder reikt dan de buitenwijken van de hoofdstad. Daarbij is Karzai nog een brave waterdrager van de Amerikaanse gezant ter plaatse, terwijl een toekomstige Iraakse regering zich heel wat minder gewillig zou kunnen opstellen dan Washington lief is.

Een mogelijke uitweg uit het dilemma die al enige tijd in het Amerikaanse buitenland-establishment wordt besproken is een zogenaamde Grand Bargain met de Europese lidstaten van de Navo. De ruil komt erop neer dat de Navo nauwer en formeler wordt betrokken bij het beleid in Irak en als tegenprestatie een aanzienlijke troepenmacht levert die helpt de situatie in Irak te stabiliseren. De eerste die hier openlijk over sprak was de Democratische senator Joe Biden, die in de aanloop naar de presidentsverkiezing werd getipt als buitenlandminister in een eventuele regering-Kerry, maar het idee is sindsdien ook overgenomen door vooraanstaande Republikeinen als senator McCain.

Biden stak niet onder stoelen of banken dat John Kerry zich even hard zou opstellen jegens Europa als George Bush – «be careful what you wish for», hield hij zijn Kerry-gezinde Europese gesprekspartners het afgelopen jaar voor – en dat hij in het uiterste geval een radicaal besluit zou kunnen nemen: «Als de Europeanen weigeren ons te steunen, kunnen we ons altijd nog eenzijdig terugtrekken uit Irak. Dan zullen we eens zien hoe leuk onze bondgenoten dat vinden.» De achterliggende gedachte is dat de olievoorziening van Europa door een Iraakse chaos zwaarder onder druk zou komen te staan dan de Amerikaanse, zodat de Euro peanen wel gedwongen zouden zijn alsnog troepen te leveren. Het spreekt vanzelf dat de breuk tussen Amerika en Europa dan compleet is.