Essay Liberalisme en islam

Het heilige verdient erkenning en bespotting

Is de islam, waarin burgers ongelijk behandeld worden, verenigbaar met de liberale democratie? Theoretisch niet, in de praktijk wel. Als er maar ruimte is voor kritiek.

Medium essay

HET DEBAT over de plaats van de islam in onze samenleving gaat ogenschijnlijk slechts over de verenigbaarheid van deze godsdienst met de nationale of Europese tradities en identiteit. Ondertussen wordt hier echter de toon gezet voor de omgang met politieke, culturele en religieuze minderheden in het algemeen. Ik begin toch met de vraag naar de islam en de Europese identiteit. Onder de identiteit van een groep kunnen we verstaan het gevoel dat deze groep van zichzelf heeft, de waarden en eigenschappen aan de hand waarvan zij zichzelf definieert. Hier doemt het dilemma op of het aan de meerderheid is om dit zelfbeeld in te vullen, of dat we de hele gemeenschap van burgers aan het woord laten.
In het eerste geval behoort de islam niet tot de Europese identiteit, aangezien de overgrote meerderheid van de bewoners van dit continent geen aanhanger van islamitische waarden is. In uiterste consequentie loopt een door de meerderheid bepaalde, exclusieve definitie uit op de vastlegging, grondwettelijk of anderszins, van een Leitkultur als de officiële kern van de nationale identiteit. De pogingen van de katholieke kerk om God in de Europese grondwet te verankeren liggen nog vers in het geheugen.
Het probleem van exclusieve nationale definities is dat zij mensen buitensluiten. Wie geen deel uitmaakt van de culturele traditie hoort er niet ten volle bij. Staten die zich definiëren aan de hand van de cultuur van hun meerderheid, zoals Israël en Saoedi-Arabië, genereren een tweederangs-burgerschap voor de afwijkende minderheid. Ook als de rechtsgelijkheid onaangetast is, blijft de minderheid op symbolisch niveau aan de rand staan. In een staat die zichzelf niet neutraal en tautologisch definieert - Nederland is een Nederlandse staat - maar een nadere invulling geeft op etnische, religieuze of andere wereldbeschouwelijke gronden, is het van ondergeschikt belang of iemand die van buiten komt inmiddels over een paspoort beschikt. Wie niet assimileert in de dominante cultuur blijft altijd te gast. Wie de Nederlandse staat als ‘christelijk-humanistisch’ wil definiëren, herdefinieert minderheden die zich in deze erfenis niet herkennen als marginaal.
Wie uitgaat van een exclusieve nationale definitie zal de islam afwijzen louter omdat hij niet van eigen bodem is en hier dus niet thuishoort. Paradoxaal genoeg hoeft een aanhanger van dit soort kritiek geen bezwaren tegen deze godsdienst te hebben. De xenofobe islamcriticus kan er zelfs een groot bewonderaar van zijn. Hij of zij meent alleen dat landen en continenten elk hun eigen tradities kennen, en dat die zich niet moeten vermengen.
Kiezen we voor een inclusieve definitie, een open constructie die eigenlijk geen definitie is, dan maakt de islam wel deel uit van de historische identiteit van Europa. Deze godsdienst kwam in 711 binnen in Spanje. De islam heeft later ook aanhangers gewonnen op de Balkan, vooral in Bulgarije, Albanië, Bosnië en Europees Turkije, in Tatarstan aan de Wolga en in het gebied van de Kaukasus, vooral op de noordelijke berghellingen en in Azerbeidzjan. Sinds enkele tientallen jaren leeft er ook in de meeste landen van de Europese Unie een aanzienlijk aantal moslims. Dat de islam van buiten-Europese oorsprong is doet niet ter zake, want dat is het christendom ook. Dat de moslimheerschappij op het Iberisch schiereiland en op de Balkan met het zwaard werd gevestigd en dat de bekering in sommige gevallen gedwongen was, doet om dezelfde reden evenmin ter zake. Uitgaande van een inclusieve definitie is de islam een Europese godsdienst, om de simpele reden dat miljoenen Europeanen hem aanhangen.

OOK WIE een inclusieve opvatting van nationale identiteit aanhangt moet de vraag beantwoorden of de islam verenigbaar is met het politieke systeem van de liberale democratie. Maar kunnen we wel spreken van 'de’ islam, of zijn er slechts interpretaties en stromingen?
Een kleine anekdote is verhelderend. Een van de heilige geschriften van het hindoeïsme is de Bhagavad Gita. Hierin wordt verteld hoe in lang vervlogen tijden India werd verscheurd door een burgeroorlog. Voordat de beslissende slag begon, werd Ardzjoena, aanvoerder van een der strijdende partijen, bevangen door twijfel. Hij vertelde zijn wagenmenner, de god Krishna, dat hij niet bereid was het zwaard tegen zijn eigen broers te heffen. Krishna overtuigde hem ervan dat dit zijn plicht was, al mocht hij geen behagen stellen in het bloedvergieten. Curieus genoeg was deze Gita een bron van inspiratie voor twee zeer verschillende historische figuren van de twintigste eeuw: Mahatma Gandhi en Heinrich Himmler. Himmler las de Gita als bevestiging van zijn dure plicht om de joden uit te roeien, al mocht hij daar dan geen plezier aan beleven. Gandhi las de Gita als een metafoor voor de strijd van de liefde tegen het kwaad. Zo verschillend kunnen interpretaties van heilige boeken zijn.
Toch is de postmoderne these dat religies uitsluitend en alleen een kwestie van interpretatie zijn, en over geen enkele harde kern beschikken, niet overtuigend. De interpretaties van het communisme door Pol Pot en Michail Gorbatsjov verschilden als dag en nacht. Toch is er heel wat over 'het’ communisme te zeggen. Zo stelde het zich ten doel om een einde te maken aan het privé-eigendom van productiemiddelen, en nam het in de praktijk altijd de vorm aan van een eenpartijstaat. Wie ieder essentialisme verwerpt, ook een voorzichtige formulering daarvan, loopt vast.
Godsdiensten kennen bepaalde core beliefs, aan de hand waarvan zij hun eigen identiteit definiëren. We kunnen bijvoorbeeld stellen dat het een core belief van de islam is dat er één en slechts één god bestaat. Een ander voorbeeld: het woord 'islam’ betekent onderwerping. Het is een core belief van de islam dat de mens zich aan God moet onderwerpen. Hoe dit geïnterpreteerd moet worden, daarover verschillen moslims sterk van mening, maar deze uitgangspunten zelf zullen door weinigen onder hen in twijfel getrokken worden.
Het is de vraag of de core beliefs van de islam verenigbaar zijn met de liberale waarden. De koran ademt een uiterst intolerante geest als het aankomt op de behandeling van het veelgodendom. Jodendom en christendom dienen als 'godsdiensten van het boek’ te worden getolereerd, maar het veelgodendom is een verschrikking die vernietigd moet worden. Volgens de vrome vertellingen heeft Mohammed de beelden van de zogenaamde afgoden in Mekka eigenhandig kapotgeslagen. In de traditionele islamitische staatsconceptie zijn ook 'mensen van het boek’ niet meer dan getolereerde, onderworpen tweederangsburgers. Voor de meeste andere politieke en juridische beginselen die in de koran en de hadith, de vertellingen over Mohammed, uiteen worden gezet geldt een zelfde verhaal. Van rechtsgelijkheid tussen man en vrouw is geen sprake, laat staan tussen mensen van verschillende seksuele oriëntatie. Evenmin gaat de islamitische staatsconceptie uit van volkssoevereiniteit. De soevereiniteit berust bij God, zoals verwoord door zijn profeet. Al deze beginselen zijn onverenigbaar met de uitgangspunten van de liberale democratie.
Het ligt ook niet in de lijn der verwachtingen dat een op de zevende eeuw teruggaand geschrift de geest van moderne vrijheid en gelijkheid zou ademen. Voor andere godsdiensten zoals het jodendom, het christendom en het hindoeïsme geldt dat evenmin. De islam was vanaf zijn ontstaan een gepolitiseerde religie. De ordening van de gemeenschap der gelovigen en vragen van wetgeving krijgen in de koran een veel grotere aandacht dan in het nieuwe testament. Wie de koran en de hadith optelt en interpreteert krijgt de sharia. Toch staan ook de politiek getinte passages in de heilige boeken van de andere grote godsdiensten meestal mijlenver af van de huidige democratische beginselen. Het is naïef en ahistorisch om te denken dat het anders had kunnen zijn.
De islam als idee bestaat in twee vormen, niet alleen als geschrift maar ook als gedachte in de hoofden der aanhangers. Of deze religie zich in de praktijk verdraagt met de liberale democratie hangt niet af van het papier, maar van de interpretatie van het geschrevene door de moslims zelf. Als dezen koran en hadith in democratische zin herinterpreteren, hoezeer ze de tekst daar ook geweld mee aandoen, dan is er geen probleem meer.
Maar is deze ideologie wel in democratische zin te herinterpreteren? De islamitische formule maakt het hervormers niet makkelijk. De hardheid van veel koranteksten is niet het enige probleem. Ondanks de verschillen in toon tussen de soera’s uit Mekka en Medina is het boek veel monolithischer dan de bijbel met zijn oude en nieuwe testament, waardoor de interpretatieve speelruimte geringer is. Theoretisch is de zaak dichtgetimmerd: de islamitische traditie aanvaardt interpretatie van de koran, maar kritiek erop niet. Het is verboden om een passage uit de heilige schrift, geschreven in Gods hand, met zoveel woorden te verwerpen. Ook de tijdgeest werkt niet mee. Orthodoxen hebben wereldwijd de wind meer mee dan vrijzinnigen.
Toch berust de conclusie dat de islam niet voor vrijzinnige herinterpretatie vatbaar is op een drogreden, alsof boeken en tradities een magische, onverbrekelijke greep op gelovigen hebben. Hun bewustzijnstoestand wordt ook door andere factoren bepaald. De processen van secularisering en modernisering gaan aan moslims niet voorbij. Al geeft een aanzienlijk deel van de Nederlandse moslims nog altijd de voorkeur aan de sharia, een ander deel heeft zich inmiddels vol overtuiging aan de democratie gecommitteerd. Wie eenmaal de wil heeft om de koran vrij te interpreteren staat de beproefde methode van het selectief lezen ter beschikking. Wie het boek maar links laat liggen zal zich ook door de schriftgeleerden niet meer van de wijs laten brengen. De vraag of de islam verenigbaar is met de liberale democratie kan mijns inziens dan ook zo worden beantwoord: theoretisch niet, in de praktijk wel.
De kernvraag is hoe staat en samenleving zich dienen te verhouden tot die moslims die niet bereid zijn om de koran en de hadith creatief te herlezen als traktaten over vrijheid en gelijkheid. Hoe om te gaan met hen die de democratie in Nederland willen vervangen door een islamitische staat op basis van de sharia? Ik zie geen principieel onderscheid met de martiaal uitgedoste dames en heren die de Amsterdamse Spuistraat opleuken met 'Fuck the state’ en 'Abolish authority’. Mochten we besluiten dat het in Nederland niet legitiem is om te pleiten voor een islamitische staat, dan is anarchistische propaganda in één moeite door ook buiten de wet gesteld. Als het antidemocratische minderheden, van welke richting dan ook, verboden wordt voor de opheffing van de democratie te pleiten, dan verliest de democratie haar legitimiteit.
Hier staat uiteraard tegenover dat ook cartoons van Mohammed met bommuts, en theaterstukken waarin deze getooid met muts ten tonele verschijnt, al even legitiem zijn. Het moet van twee kanten komen. Bespotting van Mohammed is in de islam traditioneel verboden. De profeet gaf zelf het voorbeeld door spotters om te laten brengen. Maar inmiddels is een deel van de Nederlandse moslims eraan gewend geraakt dat hun overtuiging net als alle andere voorwerp van spot is. Het gevoel van ontzetting begint af te kalven.
DE VRAAG NAAR de verenigbaarheid van islam en liberale democratie kan ook harder worden geformuleerd: is het niet zo dat de liberale waarden superieur zijn aan die van de islam? Allereerst is het de vraag of er waarden met een universele betekenis bestaan. Als alle waarden slechts een relatieve, cultuurgebonden gelding hebben, dan kunnen waardensystemen onderling niet worden gerangschikt en van een hogere of lagere status worden voorzien. Bestaat er daarentegen wel een universele maatstaf, dan is die mogelijkheid wel gegeven. Vandaag de dag is het waardenrelativisme populair, met dank vooral aan het postmodernisme. Toch gaat paradoxaal genoeg zowel het liberalisme als de islam ervan uit dat waarden met een universeel bereik wel degelijk bestaan. Men verschilt alleen van mening over de vraag welke dat zijn.
Mensen zijn opgedeeld in culturele gemeenschappen, maar we behoren tot één soort. Onze gemeenschappelijkheid gaat dieper dan wat ons door onze culturele definities van elkaar scheidt. Dit maakt het aannemelijk dat er waarden bestaan die in alle culturen worden erkend, bij benadering door de hele mensheid. Maar welke zouden dat zijn? De zogenaamde gulden regel van wederkerigheid, volgens welke wij de ander moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden, wordt helaas niet universeel gedeeld. Historisch gezien waren bijna alle samenlevingen op rechtsongelijkheid gebaseerd.
Veel van de in religies vastgelegde en voor universeel doorgaande beginselen zijn dat bij nadere beschouwing geenszins. Waar kunnen we beter beginnen dan bij de 'tien geboden’? Het eerste verbod keert zich tegen verering van andere goden en gebiedt daarmee religieuze intolerantie. Het tweede verbiedt religieuze kunst. Het verbod op vloeken en de verplichte sabbatsrust zijn irrelevant. Het gebod je ouders te eren is archaïsch en autoritair. Of overspel moreel laakbaar is, is betwistbaar. Het verbod op jaloezie is om twee redenen problematisch. Het is de vraag of een gevoel, welk dan ook, dat nog niet tot handelen heeft geleid als immoreel kan gelden. Bovendien worden hier alleen de mannen aangesproken en hun vrouwen en slaven met het vee meegenomen. Eigenlijk zijn alleen de zesde, achtste en negende verboden, op moord, diefstal en leugenachtigheid, onomstreden.
Moord, diefstal en leugens brengen mensen schade toe. We zouden met de utilitaristen het kwaad gelijk kunnen stellen aan het toebrengen van pijn. De ervaring van pijn is immers universeel menselijk. Als gedeeld uitgangspunt zou kunnen gelden dat de ene mens de andere geen pijn mag doen. Bijna iedereen zal marteling afwijzen als een kwaad, in welke culturele context dan ook. Op basis van de gelijkstelling van kwaad en pijn voelen we intuïtief aan, los van alle theoretische overwegingen, dat systemen die veel mensen veel pijn doen moreel verwerpelijk zijn. Een goed voorbeeld is het nazisme.
Het probleem is echter dat we het er ook over eens zijn dat geweld bij uitzondering toch mag, of zelfs moet, als noodzakelijk kwaad. Iedereen is het erover eens dat het toebrengen van pijn onvermijdelijk kan zijn om pijn aan onszelf of anderen te voorkomen. We spreken dan van zelfverdediging of bestraffing. In een oorlog is het verbod op moord buiten werking gesteld. Het universele uitgangspunt dat door de voltallige mensheid gedeeld zou worden, kan dan worden geherformuleerd als het principe dat de ene mens de andere niet nodeloos pijn mag doen. Omgekeerd gesteld: er moet een voldoende reden bestaan om een ander pijn te mogen of moeten doen. Dit ethische uitgangspunt is zodanig abstract geformuleerd dat ik vermoed dat Gandhi en Himmler zich er beiden in zouden kunnen vinden. Nazi’s en pacifisten zullen het er echter nooit over eens worden waar de uitzondering begint, waarmee ons universeel gedeelde beginsel een bloedeloze formule is geworden.
Zijn er dan waardensystemen die weliswaar niet universeel aangehangen worden, maar dat wel zouden behoren te worden? Het feit dat dergelijke systemen altijd van plaatselijke oorsprong zijn, bijvoorbeeld afkomstig uit Noord-West-Europa of het Midden-Oosten, is niet van belang. Ook een van oorsprong plaatsgebonden stelsel kan van universele betekenis blijken. De gravitatiewet is ook niet beperkt geldig omdat deze in Engeland werd ontdekt.
Het probleem is dat iedereen een natuurlijke neiging heeft die waarden tot universeel geldig te bombarderen die aansluiten bij de eigen culturele voorkeuren. We hebben een eerlijke maatstaf nodig. Maar helaas kunnen we zonder de universele beginselen waarnaar we op zoek zijn ook geen eerlijke keuze voor een maatstaf maken - waarmee we in een onmogelijke cirkel zijn beland.
Het probleem zou opgelost kunnen worden als we uit de feiten konden afleiden welke normatieve voorkeuren de beste zijn. Maar ook daar komen we in de problemen. Als we meegaan met de socioloog Max Weber gaapt er een diepe kloof tussen feiten en waarden. In laatste instantie kan een waardeoordeel nooit uit objectieve feiten worden afgeleid, maar blijft het een kwestie van voorkeur.
Toch meen ik dat het relativisme verworpen moet worden. Mijn bewijs is paradoxaal. Als we meegaan in de gedachte dat alle waarden relatief en cultuurgebonden zijn, en uiteindelijk slechts een kwestie van subjectieve voorkeur; als de ene waarde nooit als superieur aan de andere beschouwd kan worden, dan bestaat er ook geen legitieme grond om bepaalde waarden op te leggen of te verbieden. Binnen een relativistisch universum laat zich geen maatstaf aanwijzen die zulk ingrijpen zou rechtvaardigen. De aanhanger van het relativisme kan dan moeilijk om de conclusie heen dat ieder individu precies evenveel recht heeft als ieder ander om in volle vrijheid zijn of haar keuze te maken tussen de beschikbare waarden.
In het werk van Isaiah Berlin treffen we de gedachte aan dat de mens zijn keuzevrijheid verdient, juist omdat fundamentele waarden vaak onverenigbaar zijn en niet volgens een universele maatstaf te rangschikken. Maar daarmee wordt die keuzevrijheid zelf de maatstaf. Juist het waardenrelativisme dwingt ertoe de liberale waarde van de gelijke keuzevrijheid, verder uitgewerkt in het idee van de onaantastbaarheid van het individu en de universele rechten van de mens, een hogere status toe te kennen dan alle andere waardensystemen, inclusief die van de islam.
In de praktijk betekent een en ander dat het iedereen vrij staat om welke waarde dan ook te belijden, maar dat in die waarden nooit een legitieme grond gevonden kan worden om de individuele vrijheid en rechtsgelijkheid aan te tasten. De liberale waarden gaan boven alle andere uit.

LEIDT DIT NIET TOT de gedachte dat het liberalisme ook een Leitkultur is waarin minderheden zich te schikken hebben? Dat is toch niet zo. De Nederlandse staat committeert zich aan de handhaving van een wettelijke orde gebaseerd op burgerlijke vrijheid, maar positioneert zich verder neutraal, zonder zich te binden aan een staatsethos of ideologie, ook niet aan de liberale.
Het is voor het functioneren van een vrije samenleving gewenst dat een zo groot mogelijk aantal burgers zich blijft herkennen in de uitgangspunten daarvan. Wordt het getal van hen die zich ervan afkeren te groot, dan komt het functioneren van de democratie in gevaar. Maar een rechtsstaat kan het streven naar consensus nooit vol omarmen zonder zichzelf ontrouw te worden. De rechtsstaat vormt een geünificeerd systeem, doordat alle burgers over gelijke rechten en vrijheden beschikken, maar dit systeem werkt verenigend zonder tot homogeniteit te dwingen. Individuele vrijheid leidt juist tot politieke en culturele veelvormigheid. Omgekeerd handelt een rechtsstaat die van zijn burgers instemming met de rechtsstatelijke uitgangspunten eist in strijd met diezelfde uitgangspunten: vrijheid impliceert ook de vrijheid om de vrijheid te verwerpen. De gewetensvrijheid, geïnterpreteerd als de vrijheid van burgers om te denken wat zij wensen, is zelfs absoluut.
In het huidige islamdebat kristalliseren zich twee posities uit die de individuele vrijheid, en in het verlengde daarvan de politieke en culturele pluriformiteit, in gevaar kunnen brengen. De aanhangers daarvan zijn elkaars tegenpolen, maar hun idealen zijn variaties op eenzelfde grondgedachte, die van de gesteriliseerde, gehomogeniseerde publieke ruimte.
Ondersteund door traditioneel links hopen vrienden van islam en christendom de publieke ruimte te zuiveren van heftige religiekritiek, die als kwetsend, krenkend, beledigend, haatdragend of discriminerend wordt neergezet. Voor degenen die Wilders graag veroordeeld willen zien lijken alleen respectvolle aantekeningen bij de grote godsdiensten aanvaardbaar. Twee soorten uitspraken worden als bijzonder strafwaardig beschouwd. In de eerste categorie vallen de vijandige. Wie de islam als fascistisch bestempelt, of de profeet Mohammed als barbaar, heeft zijn recht van spreken verspeeld. Spotternij is het tweede taboe.
Zelfs onder hen die het recht op ridiculiserende cartoons en cabaret verdedigen, wordt de positieve betekenis daarvan niet altijd onderkend. De gevleugelde woorden van vader Van Gogh, 'je mag het wel zeggen, maar het hoeft toch niet?’, worden te makkelijk als het weldenkende compromis gezien. Heiligheid representeert een autoritair beginsel van onaantastbaar, boven alle kritiek verheven, gegeven gezag. Hoe meer en geestiger dergelijke bespottelijke pretenties aan de kaak worden gesteld, des te beter het uit democratisch en vrijheidslievend oogpunt is. Het heilige roept niet alleen bespotting op, het verdient haar ook.
Hiertegenover staan zij die vatbaar zijn voor de 'Jacobijnse verleiding’. De bewonderaars van de laïcité huizen ergens tussen links en rechts in. Het autoritaire liberalisme hoopt de publieke ruimte te koloniseren en te zuiveren van religieuze en andere antiliberale uitingen. De scheiding van kerk en staat krijgt hier een rigide interpretatie, alsof godsdienst enkel een privé-zaak is en niet in de publieke ruimte thuishoort. Het grondwetsartikel dat de vrijheid van godsdienst regelt kan dan worden geschrapt. Juist als we van een neutrale staat uitgaan, lijkt mij dit echter onhoudbaar: seculiere wereldbeschouwingen zouden dan immers ook uit de publieke ruimte weggehouden moeten worden. De onderbouwing met het neutraliteitsbeginsel van het vurige verlangen om eindelijk de overheidssteun aan religieus geïnspireerd onderwijs te staken lijkt mij al even vals. De neutraliteit blijft gewaarborgd zolang de overheid geen enkele wereldbeschouwing bevoordeelt.
Het dreigende boerkaverbod, en pogingen om hoofddoekdraagsters het leven moeilijk te maken, duiden erop dat de openbare ruimte gezuiverd moet worden van religieuze symbolen die strijdig zijn met de liberale beginselen. En het is waar: niet alleen de boerka, ook de bescheiden hoofddoek symboliseert de gedachte dat de vrouw in de openbare ruimte onzichtbaar moet blijven, of dat haar daar op z'n minst terughoudendheid past. Maar hoe haaks deze gedachte ook staat op de seksuele emancipatie, in een rechtsstaat staat het iedere vrouw vrij om haar uit te dragen.
Iedere moslim heeft het recht om van zijn geloof af te vallen. Het staat ieder moslimmeisje vrij het bed te delen met wie en wanneer ze dat wenst. Daarover beslist alleen zij. Het standpunt van de islamitische gemeenschap of de geestelijkheid telt niet. Maar zolang de individuele autonomie gewaarborgd is, staat het iedere moslim ook vrij om een antiliberale culturele positie in de openbare ruimte af te bakenen, desnoods ten koste van zijn of haar eigen vrijheid en gelijkheid.
Het autoritair getoonzette liberalisme verlangt terecht strikte handhaving van de wettelijke rechtsgelijkheid van alle burgers. Invoering van elementen van shariawetgeving voor moslims, bijvoorbeeld op het gebied van familie- en erfrecht, is mijns inziens uit den boze. Maar het gaat een stap te ver om burgers de vrijheid te ontzeggen om van hun gelijke rechten geen gebruik te maken. Het besluit dat de SGP haar vrouwelijke leden gelijk moet behandelen ontneemt deze vrouwen, die vrijwillig lid worden van een open vereniging, hun autonomie en is daarom een vorm van Jacobijns staatspaternalisme. De geest van Rousseau, die de burger meende te kunnen dwingen om vrij te zijn, blijkt springlevend.
Een pluriforme openbare ruimte veronderstelt zowel een robuuste en vrije religiekritiek als culturele en religieuze pluriformiteit op basis van maximale tolerantie. Deze twee principes bijten elkaar niet maar vullen elkaar aan. De openbare ruimte is een vrijplaats voor godsdienst en godslastering.