Het heilige wit rondom de zwarting

Vanuit de gestrengheid van de voorpagina verlegde vormgever Jan van Keulen zijn zeer eigen inbreng nauwkeurig naar het tweede gedeelte van het weekblad, het zogenoemde ‘spiegelkatern’. De herkenning werd bepaald door de kop, waarvoor Van Keulen een opzichzelfstaand beeld ontwierp dat visueel overeenkwam met de inhoud van het katern. Het gekozen beeldmateriaal werd aan een systematisch onderzoek onderworpen, zodat iedere week een andere vormentaal ontstond, maar de herkenbaarheid bleef.

De collagetechniek die Van Keulen hanteerde, bracht hem zelden tot totale abstractie. Een aantal keren nam hij een traditioneel opgelegde vorm als uitgangspunt – een letter, de lijn, een vierkant – maar al gebruikte hij zelfs een primaire kleur, nooit verviel hij in voorspelbare oplossingen.

Zijn achtergrond als vrij kunstenaar is in dit werk altijd aanwezig gebleven. Niet voor niets zag je in de figuratieve koppen die hij maakte de wereld en de techniek terug van een van zijn lievelingsschilders: Nicolas de Staël. Maar je zag er ook de literaire waarnemingen uit de Franse literatuur in: Marguerite Duras is soms visueel voelbaar. Als ik mijn werk aan hem voorlegde, refereerde hij ook aan die Franse auteurs. Spelenderwijs maakte hij dan de vormgevingsproblematiek duidelijk. Ik herinner me dat hij eens meer inzicht verschafte in de zuiverheid van vorm en contravorm door een situatie uit La Nausée van Sartre erbij te halen. Als leerling ontleedde ik de ‘koppen’ in De Groene Amsterdammer. Nu, meer dan veertig jaar later, is mij de betekenis van die koppen nog duidelijker geworden en komen ze op mij nog intenser over.

Tijdloos bleek zijn figuratieve inbreng, die in die vorm nooit meer is verbeterd. In ‘afgebakende’, speelse opeenvolging, bepaalde hij de architectuur van het weekblad. In soepele typografie, eveneens wisselend van kolombreedte en marge, ontdeed hij zich niet van bauhausiaanse eenvoud, met gestrenge markeringen in een omgeving van functioneel wit. Terwijl hij de artikelen sierde met kleine vignetten/tekeningen, bracht hij ook voorzichtig de fotografie terug in De Groene. Dit mondde uit in opvallende pagina’s, waarop hij de samenspraak aanging tussen beeld en vorm, ondersteund door teksten van hemzelf. Dit resulteerde onder meer in ‘beeldduetten’, waarop hij foto’s en kunstwerken afbeeldde, die samen een ‘beeldrijm’ opleverden.

In de fotografie die hij zelf verzorgde, ontstond ook weer de balans tussen licht en donker. Met de plaatsing van foto’s kon hij de totaliteit van de pagina een geheel nieuw beeld geven, waarbij het heilige wit rondom de zwarting van de tekst en rond de grijswaarden van de fotografie van groot belang werd. De spanning tussen bedrukt en onbedrukt, beleefde hij als een ‘opperste genoegdoening’. Ik kom hier op omdat hij een keer als groot Leica-liefhebber tegen mij zei: ‘Voor een goede foto moet je eerst met je camera naar bed.’ Hij wist tegen wie hij dit kon zeggen en hoe ik dit moest omzetten in vorm.

Hij bepaalde het beeld van het weekblad met uitgesproken poëtische pagina’s, die niet minder waren dan visuele essays. Voor deze pagina’s werden alle mogelijkheden afgewogen door zorgvuldig een lettergrootte te kiezen. En door de foto’s in een onderlinge dialoog te brengen kon hij een toegankelijk communicatief aspect oproepen. Daarbij heeft hij de basis gelegd voor de hedendaagse kranten-bijlagen.

Vlak voor zijn dood kwam ik bij hem langs. Hij moest het al rustig aan doen, maar bij ons weerzien lachten we. Hij sloeg me zacht op mijn schouder en direct was duidelijk dat zijn verschijning nog altijd hetzelfde was: aangenaam. Ik gaf hem enkele boeken die ik had vormgegeven. Hij bekeek ze aandachtig. Op dat moment realiseerde ik me: hij is mijn leermeester, zonder hem… zijn gedachtegoed… Hij heeft mij gevormd.

Hij moet iets soortgelijks hebben gedacht, want nadat hij de boeken had weggelegd, zei hij: ‘Gelukkig, je hebt mijn werk verlegd.’

Jan van Keulen overleed op 24 augustus 1994.