Het heimwee van hanny michaelis

Al twintig jaar dicht ze niet meer. Maar op 9 december ontvangt ze de Anna Bijnsprijs. Hanny Michaelis (73) over rimpelbuiken, de Vijftigers en de biseksualiteit van Gerard Reve.
ELKE KEER ALS Hanny Michaelis (1922) wordt geinterviewd, wordt haar gevraagd waarom ze al ruim twintig jaar niet meer dicht. In 1949 debuteerde ze met Klein voorspel, gestaag verschenen er zes bundels, in 1972 publiceerde ze nog een aantal verzen in Tirade en daarna werd het stil. En elke keer lepelt Hanny Michaelis geduldig dezelfde antwoorden op: ze had geen tijd, ze heeft geen al te hoge dunk van haar werk, ze gaat gebukt onder een hinderlijk gebrek aan zelfvertrouwen, is te kritisch en te perfectionistisch, het lukt haar domweg niet meer. Als ze wat krabbels op papier zet, ontsteekt ze in razernij en gooit ze het papier woedend in de prullenbak.

‘Ik vind de bereidheid om je eigen werk de grond in te trappen geen verdienste’, zegt Michaelis. 'Het is een vorm van destructiviteit. Ik ben onzeker, met alles. Ik heb jarenlang gewerkt op het stadhuis, daar lachten ze zich kapot. Ik moest nota’s schrijven, want ik zat in het beleidswerk, en dat is moeilijk. Je moet heel goed argumenteren omdat het politiek is. Iedere keer als ik zo'n ding moest schrijven, zei ik: “Nee, dat kan ik niet, hoor.” Dan zeiden ze: “Maar vorige keer dan?” Ja, dat was heel wat anders. Omdat het af is.
Ik denk niet dat die onzekerheid typisch vrouwelijk is. Gerard (Reve - xs) twijfelt ook altijd. Dat vind ik onzin, maar hij doet het wel. En iemand als Ida Gerhard is helemaal niet onzeker over haar werk. Integendeel. Die jammerde dat ze nooit een prijs kreeg. Rob Schouten heeft dat uitgezocht en toen bleek dat ze zo ongeveer allle grote en kleine prijzen had gehad die te vergeven waren. Vasalis en Eybers zullen ook niet snel in een interview zeggen: Het is niets wat ik maak.’
Dit jaar werden Hanny Michaelis maar liefst twee literaire prijzen toegekend - 'Jaren lang besta je niet en dan opeens twee prijzen in een jaar.’ Deze zomer kreeg ze de Sjoerd Leiker-prijs, aanstaande zaterdag ontvangt ze de Anna Bijns-prijs. Is dat geen stimulans om toch weer te dichten, vraag ik voorzichtig.
'Jawel’, antwoordt Michaelis, 'maar praat daar maar niet over, want het zal er wel niet van komen. Op mijn leeftijd. Want dat is weer een nieuw argument. Dan denk ik niet alleen “Dat kan jij niet”, maar ook “Jij op jouw leeftijd, daar zit echt niemand meer op te wachten.” Als ik er even voor ga zitten, dan slaat heel snel het gevoel toe: Ach mens, dat kan je toch niet meer, dat heb je al twintig jaar niet meer gedaan. Ga stofzuigen, doe iets nuttigs.
Bovendien, waar moet ik over schrijven? Ik vind het heel moeilijk om over ouderdom te schrijven, net zo moeilijk als over de dood van m'n ouders, wat ik ook nauwelijks gedaan heb. Zulke onderwerpen worden snel pathetisch. Ik heb ooit een gedicht over ouderdom geschreven, maar toen was ik een jaar of veertig. Toen ik het laatst voorlas, schoot ik in de lach. Zelfspot heb ik genoeg. Ik heb dat gedicht geschreven toen ik dacht dat ik nooit oud zou worden, want dat denk je als je jong bent. Ik had het over de schoonheid van oude mensen, over hoe ontroerend mooi ze zijn. Dat kan ik nu niet meer vinden, dat ik zo ontroerend mooi ben. Ze vinden m'n werk al zo melancholiek en je staat natuurlijk niet te dansen dat je doodgaat. Ik vind het ook niet zo verschrikkelijk. Ik ben niet bang dat er daarna iets is, ik zou het ook groot onrecht vinden, ik vind een leven wel genoeg. Ik heb geen spijt van m'n leven, er zijn toch ook heel veel gelukgevoelens geweest. Maar om nu te zeggen, het moet nog een keer… Of op een wolk zitten en harp spelen.
Ik zou ook niet meer over de liefde schrijven. Bejaardenseks is mij een gruwel. Ik ben ook helemaal niet voor de pure seksualiteit, er moest voor mij altijd een verbinding zijn met psychische gevoelens. Maar ik vind wel dat de esthetiek ook een rol speelt. Bij jezelf, maar ook bij de man. En met rimpelbuiken en rimpelnekken - ik moet er niet aan denken. Maar bejaardenseks is erg in de mode. Als je lang getrouwd bent, kan ik me voorstellen dat je ermee doorgaat. Maar als je al die contactadvertenties in de kranten ziet, dan denk ik: Jezus nogantoe, die vrouwen zijn vijftig, zestig jaar, waar begin je dan nog aan? Mij niet gezien.’
IN EEN VOORWOORD bij Het onkruid van de twijfel, een keuze uit eigen werk, beschrijft Michaelis hoe ze zich als driejarige voor het eerst als 'dichteres’ presenteerde met de regels: 'En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.’ Toen ze zeven was, dichtte ze in een ballade over een prinses de legendarische regels: 'Zij tuurde in de verte/ en zag slechts zeven herten.’ Daar werd ze flink mee gepest: 'Als ik wartaal uitsloeg, dan mocht mijn vader nog wel eens opmerken: “Achter de deur stond een hele grote chauffeur”.’
Haar eerste bundel bestond voor een groot deel uit jeugdwerk, gedichten die letterlijk in de schoolbanken tot stand zijn gekomen. 'Als het over me kwam, schreef ik onder de lessenaar. Ik was toch al niet gewend om op te letten. Ik sufte veel, dacht vaak over dichtregels. Er staan in die bundel ook gedichten die in 1945 zijn geschreven, toen de oorlog al was afgelopen. Maar ik was toen nog zo groen als gras, omdat ik drie jaar ondergedoken had gezeten. Ik stond gelijk met een kind van veertien. Een domme, naieve, wereldvreemde snotneus, die dacht dat ze alles wist.
Die onderduik heeft me trouwens helemaal geen kwaad gedaan. De dood van m'n ouders was verschrikkelijk, al zal ik niet zeggen dat je er nooit overheen komt. Maar wat ze m'n ouders hebben aangedaan, dat kom ik niet te boven. Het waren beste brave mensen, en zo zijn er zes miljoen gegaan. Dat is iets wat je nooit kan vergeten en wat echt een trauma is. Ik mag van geluk spreken dat ik nooit een kamp van binnen heb gezien. Ik moest, met m'n gymnasiumdiploma op zak, drie jaar flink aanpakken als dienstmeisje. M'n moeder zou als ze nog geleefd had, gezegd hebben: “Dat is heel gezond voor je geweest. Je moest je leren aanpassen.”/’
Na de oorlog kwam haar dichterschap in een stroomversnelling. 'Aan het begin van de oorlog kon ik geen werk krijgen. Ik kwam van het gymnasium en had geen enkele kantoorervaring. Het enige wat voor mij openstond was dienstmeisje worden bij een joods gezin. Zo heb ik een half jaar bij Jeanne van Schaik-Willink gewerkt, die was joods, met een niet-jood getrouwd en die moest haar niet-joodse dienstmeisje ontslaan. Van daaruit ben ik ondergedoken. Zij wist waarschijnlijk van Binnendijk, mijn leraar Nederlands die daar veel over de vloer kwam, dat ik gedichten schreef. Na de oorlog ben ik haar meteen gaan opzoeken en toen vroeg ze of ze m'n gedichten eens mocht lezen. Ze heeft ze aan Roland Holst gegeven, die er een paar uitkoos om in een nieuw tijdschrift te publiceren. Maar dat tijdschrift is er nooit gekomen.
In 1946 vroeg Adriaan Morrien of ik niet wat gedichten had voor Criterium. Dat was toen echt een toonaangevend blad, dus ik was apetrots. Ze hebben maar twee of drie genomen hoor, maar ik vond het geweldig. Na de oorlog ging ik bij Meulenhoff werken en toen was er de Reina Prinsen Geerligsprijs, een van de eerste debutantenprijzen. De eerste keer was hij voor Gerard Reve, want De avonden, daar kon echt niemand tegen op. Maar ik kreeg een eervolle vermelding. Als Gerard niet had meegedaan, had ik misschien de prijs gekregen. Meulenhoff heeft later de hele bundel uitgegeven.’
Daarna stagneerde het een tijd. Haar tweede bundel, Water uit de rots, zag pas in 1957 het licht. De gedichten erin zijn opmerkelijk somber, gaan over verlies, vergankelijkheid en treurigheid over de verleden tijd. 'Er was ook wel wat te verwerken’, vertelt Michaelis. 'Het huwelijk met Gerard (Reve - xs) was intussen mis gegaan. Dat was toch voor mij een veilige haven. Ik was zeer op Gerard gesteld, hij trouwens ook op mij. Ik had mijn ouders al verloren, een huis verloren en was nu weer alleen. Hij kon het ook niet helpen dat hij homoseksueel was, maar ik ook niet. Ik heb hem nooit een strobreed in de weg gelegd. Ik ben zelfs wel het huis uitgegaan als hij z'n vriendje wilde ontvangen. Maar het ontlaadde zich natuurlijk toch in gescheld en getier als me dat zo uitkwam. Daar heb ik me ook erg schuldig over gevoeld.
Ik dacht dat ik nooit meer een andere man zou hebben. Dat was helemaal niet waar. Ik had wel snel iemand van wie ik heel veel hield, maar die kreeg een dodelijk ongeluk. Dat is ook niet om bepaald vrolijk van te worden. Dat was de tweede schok binnen een paar jaar. De oorlog had ik totaal verdrongen. Daarbij heb ik sowieso een melancholische aanleg. Als jong meisje had ik altijd al heimwee naar vroeger en mat ik alles af aan emoties en gevoelens van toen ik klein was. Carry van Bruggen heeft dat ook. In veel van haar boeken speelt die heimwee een rol. Zij was natuurlijk veel intelligenter en veel creatiever dan ik, maar die hang naar het verleden en de kindertijd hadden we gemeen.’
Hanny Michaelis praat graag en veel over haar kindertijd en haar ouders. 'Mijn moeder is naar de jongens-HBS geweest, wat heel bijzonder was voor haar tijd. Ze was al veertien toen ze naar de middelbare school ging. Er was namelijk geen geld in het gezin. Ze was de jongste van acht kinderen en een meisje, alleen de broers mochten een opleiding volgen. Mijn moeder werd na de lagere school als hulpje in een bijouteriewinkel ingezet, daar mocht ze vitrines afstoffen enzo. Een klant vond haar zo'n pienter meisje dat ze op zijn kosten naar de HBS mocht. Ze had daardoor veel meer plichtsgevoel dan ik.
Mijn moeder ging de deur uit om te werken, m'n vader zat thuis piano te spelen en te lezen. Hij was totaal ongeschikt om te werken. Hij was heel erudiet, ik heb veel van hem opgestoken door gesprekken over literatuur en dingen die hij mij liet lezen. Ik was een vreselijk lastig en eigenzinnig kind. Mijn moeder had er vooral moeite mee dat ik niet wilde leren. Ik kwam met vreselijk slechte rapporten thuis omdat ik geen snars uitvoerde. Het is aan haar gedram, haar straffen en haar strenge toezicht te danken dat ik m'n school heb afgemaakt.
Ze wilde ook eigenlijk niet dat ik naar het gymnasium ging, maar naar de mulo. Dan hoefde ik maar vier jaar te leren en dan kon ik hup naar kantoor. Het waren de crisisjaren, dertig procent van de beroepsbevolking was werkloos. Als je van de steun leefde, kon je kiezen: verhongeren of bevriezen. Want je kon of kleren kopen en brandstof of eten. Er waren wel voorzieningen: blikken tomaten, soep en goulash - daar hebben wij heel wat van gegeten. Je kreeg apart vet tegen zwaar gereduceerde prijs. Ik haalde die blikken. Mijn moeder heeft me nooit wat verteld en ik vroeg niets. Ik liep met die stomme vetbonnen en ik had er nooit bij stilgestaan dat we van de steun leefden.
Een katholiek buurmeisje zat op de mulo. Die mensen hadden het ook niet breed. Toen zij de school had afgemaakt, kon ze een baan krijgen bij C&A als winkelmeisje. Ik zei tegen m'n moeder: “Ik wou dat ik Coba was, dat ik ook naar C&A kon.” Ik dacht dat m'n moeder tegen het plafond vloog. Zij hebben zich veel opofferingen getroosd voor mij. Maar ik mag niet mopperen, ik heb een mooie jeugd gehad.
Toen we nog niet zo arm waren gingen we ook nog wel eens naar buiten. Er was nooit genoeg geld om dat een of twee weken te doen, maar wel met Pinksteren. Dan gingen we op de fiets, ik werd als heel klein kind achterop genomen in het mandje. Ik vond het prachtig, over de hei. Ik hield veel van de natuur, als kind kon ik over niets anders dichten. Vandaar dat ik ook de poezie van Jacques Perk las. Mijn ouders zaten te gillen van het lachen waar ik nu weer in zat te lezen. Mijn vader informeerde naar mijn produktie met de vraag: “Wat zegt De Bilt?”/’
NA DE OORLOG kwam Hanny Michaelis door haar huwelijk met Gerard Reve met de Vijftigers in aanraking: Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Lucebert. Ze bezocht met Reve ook de salon van Koos Frielink. 'Zij was een verpleegster die Gerrit van der Veen nog heeft verpleegd toen hij was aangeschoten. Ze zat ook in de illegaliteit. Zelf was ze niet joods maar ze heeft ook veel joodse mensen verpleegd. In de oorlog ontving ze al kunstenaars. Ze gaf ze te eten en zij lazen voor. Dat is doorgegaan na de oorlog. De Kouwenaars hebben ons er in 1949 mee naar toegenomen, want die kwamen er al. Het was heel bijzonder, want het was de enige literaire salon die er was.
De dichters die daar kwamen, waren heel anders dan de vooroorlogse dichters. Die hadden het een beetje hoog in het hoofd. Ze waren wel van zichzelf overtuigd - dat moet je ook zijn, anders zet je geen pen op papier. Maar ze waren niet zo arrogant als de dichters van de generatie daarvoor. De vooroorlogse dichters, voorzover ik ze heb meegemaakt, vormden een snobistische elite. Ik heb dat bij Jeanne van Schaik meegemaakt, die iedere maand een avond gaf waarop mensen kwamen. Daar mocht ik kopjes thee schenken. Ik vond dat geweldig. Daar heb ik Nijhoff meegemaakt en Donkersloot en Vic van Vriesland en Roland Holst en Carel Willink en z'n vrouw. Zo'n Roland Holst kwam er binnen als de god van het gezelschap.
De Vijftigers hebben maar in een, heel belangrijk, opzicht invloed op mij gehad. Ik kon het rijm loslaten. Dat voelde ik als een keurslijf, waarin ik niet kon zeggen wat ik wou. In m'n eerste bundel schreef ik sonnetten, die technisch en metrisch wel klopten, maar er zaten stoplappen in en dat mag niet. Een sonnet moet af zijn, het moet een ei zijn en dat is verschrikkelijk moeilijk. Later heb ik het ook nooit meer geprobeerd, want het vereist veel meer dan wat ik toen als snotneus van achttien dacht.
Na de Vijftigers kreeg je die generatie van leraren Nederlands die ook wel gedichtjes schrijven en niets verrukkelijkers weten dan ingewikkelde poezie. Dan kunnen ze het allemaal uitleggen. Ik hou daar niet zo van, maar er zijn ook uitzonderingen op. Hans Faverey is bepaald hermetisch, maar daar ben ik heel dol op. Altijd geweest. Gerrit Kouwenaar trouwens ook en Lucebert ook. Maar voor mij is poezie toch niet het loszingen van het woord van z'n betekenissen, zoals Nijhoff dat noemde. Ik denk dat de taal daar niet voor is. De taal is ontoereikend, maar als je de taal gebruikt, moet je er wel enig vertrouwen in hebben. Anders moet je gaan schilderen of componeren. Wie taal loszingt van z'n betekenis, produceert hooggestemde wartaal die niet communiceert. Als ik schreef dacht ik ook niet aan het publiek, maar ik wilde wel zo precies mogelijk zijn.’
HET IS OPMERKELIJK dat de dichteressen in de jaren vijftig het heftige experiment van hun mannelijke collega’s mijden. Maar, zo benadrukt Maaike Meijer in haar proefschrift De lust tot lezen, ook bij de vrouwen speelt zich een revolutie af. Het 'karakteristiek complex’ van dichteressen als Michaelis, Vasalis, Ellen Warmond, Lizzy Sara May en Mischa de Vreede bestaat volgens haar uit 'de Grote Melancholie’.
'Bij mij is dat wel zo’, stemt Michaelis in. 'Ze zullen het allemaal wel van hun voorouders gekregen hebben, naar mijn gevoel had het niet zoveel te maken met de oorlog. Ik denk dat de melancholie bij die dichteressen verschillende redenen had. Ik denk dat het bij Ellen Warmond te maken had met het feit dat ze lesbisch was. Ik heb pas later gehoord dat ze wat met Anna Blaman had. Ik weet van Gerard hoe moeilijk het was, ik weet ook nog hoe bang hij ervoor was. Daarom wilde hij ook niet bij me weg, hij wilde zich sociaal aanpassen.
Ik denk dat homoseksualiteit vaak een keuze is. Ja, dat willen homoseksuelen en lesbische vrouwen nooit horen, maar er is een kwestie van biseksualiteit en dan moet je toch kiezen. De mens komt biseksueel op de wereld. Dat geldt ook voor Gerard. Als iemand dat kan weten, ben ik het. En nog een paar vrouwen hoor, dat kan ik je verzekeren. Hij is natuurlijk, als je het in percentages uitdrukt, 25 procent heteroseksueel en 75 procent homoseksueel. Maar ik denk niet dat al die dichteressen lesbisch waren. Iedereen was op zijn eigen manier melancholiek.’