Het heimweehuwelijk

Terwijl homoseksuelen onderling ruzien over de vraag welke vorm van nostalgie de doorslag moet geven - die naar het aloude anders-zijn of die naar het burgerlijk huwelijk -, schaft de rest van de samenleving het traditionele huwelijk en het strenge onderscheid tussen ‘ho’ en ‘he’ af. Ofte wel: vrij baan voor het leefvormenrecht.
GERRIT KOMRIJ ZAG HEM geboren worden. En in zijn bundel Met het bloed dat drukinkt heet uit 1991 betreurde hij het omstandig dat hij zich als een konijnenplaag heeft vermenigvuldigd. Hij, dat is ‘de gemiddelde brave homoseksueel’. De rare homoseksuele snuiter van weleer, die hooguit werd geaccepteerd door de o zo ruimdenkenden, is volgens Komrij in de jaren tachtig the boy nextdoor geworden, ‘een gezellige, babbelende, breiende vaderlander, een stille verrichter van goede werken, met altijd een vriendelijk woord voor de man die door regen en wind de post brengt en het zonnetje bij ieder ziekenbezoek’.

Een ‘ongevaarlijk gezelligheidsdier’. Iemand die verdacht veel lijkt op de gemiddelde brave heteroseksueel. Een gewoon mens, kortom.
De televisie en de damesbladen hebben niets van het kneuterige leven van de gemiddelde brave homoseksueel onverlet gelaten - hoe hij zijn hond homoseksueel uitlaat, hoe hij homoseksueel de aardappelen schilt en hoe hij voor het slapen gaan homoseksueel zijn tanden poetst. Hoe hij alles gewoon hetzelfde doet maar net een tikkeltje anders. Dixit nog steeds Komrij. De vraag is natuurlijk waarom hij zo'n hekel heeft aan de door en door geemancipeerde, vrijblijvende homoseksualiteit die tegenwoordig alom wordt uitgedragen. Het antwoord is simpel: homoseksualtiteit is in Komrij’s ogen niet gewoon en ongevaarlijk, de homoseksueel niet gemiddeld en braaf.
Komrij geeft het ongetwijfeld niet graag toe, maar zijn uitlatingen passen keurig in het debat over 'normaliteit’ dat de homobeweging al vanaf de Tweede Wereldoorlog beheerst. Nadat homoseksuelen zich tijden hadden schuilgehouden en hun geaardheid hadden gemaskeerd, begonnen zij zich in de jaren vijftig te verzetten tegen de ongelijke behandeling van hetero- en homoseksualiteit. Alleen in hun seksuele voorkeur verschilden zij van de heteroseksuele medemens - verder waren ze precies hetzelfde. Gewoon zijn werd de officiele COC-strategie; het verfijnde vrouwelijke mietje en de robuuste mannelijke 'butch’ werden persona non grata. Het COC-blad Dialoog verzocht vrouwen zich voor een avondje uit 'gezellig’, dat wil zeggen vrouwelijk te kleden en plaatste aandoenlijke tekeningetjes om duidelijk te maken dat het 'niet zo maar zo’ moest. 'Niet zo’ goldt voor het vierkant gesneden mantelpak en de stevige schoenen met blokhak. 'Zo’ ging op voor jurk, pump en damestasje.
In de jaren zestig deed de homobeweging nog een bescheiden stapje verder: homoseksuelen moesten zich niet zozeer aanpassen, maar met behoud van hun 'eigenheid’ integreren in de samenleving. Om dat te bereiken werd de eigen besloten societeit opengesteld voor gemengde dansavonden en werden 'dansacties’ georganiseerd: mannen en vrouwen die in reguliere discotheken brutaal met elkaar gingen schuifelen.
Het kon niet anders of er ontstond in de radicale jaren zeventig verzet tegen de zogenaamde integratiepolitiek. Rooie flikkers en fel-feministische lesbiennes stelden dat zij juist 'anders’ waren; met de vermaledijde 'heteronorm’ wilden zij niets te maken hebben. Het verlangen gelijk te zijn was voor hen een verkeerd streven naar gelijkschakeling. Want homoseksualiteit was niet zomaar een kwestie van seksualiteit, maar iets wat je met je hele hebben en houden gestalte gaf, een identiteit. De homoseksueel was per definitie tegendraads en subversief; homoseksualiteit zonder meer een keuze tegen burgerlijkheid en gewoonheid. Het verguisde mietje werd boegbeeld, rooie flikkers trokken glimmende jurkjes aan en stiftten hun lippen, en de 'radicalesba’s’ probeerden in hun tuinbroeken en brede leren jacks alleen al de gedachte aan vrouwelijkheid uit te bannen. Een en ander om de burgerlijke samenleving te provoceren.
IK HEB HET ALTIJD een wat merkwaardige fase gevonden in de geschiedenis van de homo-emancipatie. Op het moment dat homoseksualiteit eindelijk een beetje normaal begon te worden, ging men claimen dat men heel anders, heel bijzonder was. En klopte men zich trots op de borst om zijn vermeende exclusiviteit. Scheldwoorden ('flikker’, 'pot’) werden geuzennamen, zwakte werd kracht. Homoseksualiteit heeft er sindsdien in ieder geval een vreemd vertrokken gezicht door gekregen: op overeenkomst en verschil met heteroseksuelen wordt tegelijk gewezen; er wordt in een adem gestreefd naar integratie en naar eigenheid; naast het verlangen naar tegendraadsheid bestaat de behoefte aan gewoonheid.
Onder sommige homoseksuelen leeft sinds hun 'epidemische acceptatie’ (Komrij) een curieuze nostalgie. Vol weemoed verlangen ze terug naar die goede oude tijd van onderdrukking (die ze zelf vaak niet eens hebben meegemaakt), naar de tijd dat de marginaliteit nog noodgedwongen was, de tijd dat homoseksuelen een schaduwbestaan in de riolen van de grote stad leefden, te midden van kleine criminelen, hoeren en pooiers. Toen was het homoseksuele plezier nog vanzelfsprekend verbonden met het geheim, het verbod en het gevaar. Park en pisbak waren, althans voor de mannelijke homoseksuelen, de uitgelezen plekken voor het gesodemieter; schandknapen de groezelige maar geile geliefden voor een (deel van de) nacht. Hoe stiekemer de lust, hoe lekkerder.
HET TEKENT HET paradoxale gezicht van de huidige homoseksualiteit dat er naast het nostalgisch koesteren van de onaangepaste homoseksuele identiteit een heel ander soort nostalgie leeft. Terwijl de magie van het huwelijk langzaam maar zeker afbrokkelt nu maar liefst een derde van de echtverbintenissen in een scheiding eindigt, zijn homoseksuelen zich gaan inzetten om toegang tot de folklore ervan te krijgen. Het huwelijk is toch het wandmeubel onder de relatievormen. Een diligence in een tijd dat je met de hogesnelheidstrein kunt reizen.
Al vanaf het einde van de jaren tachtig is het homohuwelijk - en daaraan gepaard de homoseksuele kinderwens - het heetste hangijzer in de Amerikaanse en Westeuropese homobeweging. Werkelijk duizenden artikelen zijn inmiddels geschreven over de voors en tegens van het gelijkgeslachtelijke trouwen. Elke trouwlustige homoseksueel en lesbienne is inmiddels geinterviewd. Natuurlijk loopt de discussie binnen de homobeweging wederom langs de lijnen van de normaliteit. Er is sprake van een botsing der nostalgici: tussen hen die heimwee hebben naar het ronduit anders zijn, en hen die een folkloristisch, door en door normaal relatiemodel omarmen.
Voorstanders van het homohuwelijk bepleiten andermaal dat homoseksuelen gewoon hetzelfde zijn en dat veel monogame homostellen in de praktijk al als gehuwden leven. Nu de maatschappelijke integratie van homoseksuelen een feit is, is het hoog tijd dat zij wat betreft erfrecht, pensioenrecht, wettelijke zorgplicht en adoptierecht worden gelijkgesteld aan heteroseksuelen. De invoering van de Wet Gelijke Behandeling in Nederland is een ferm wapen om de civielrechtelijke discriminatie te bestrijden.
Tegenstanders sputteren dat de voorvechters een stereotiep heteroseksueel ideaal naijveren, dat ze zich als een sardientje voegen in het blik van de burgerlijke moraal. Waarom zouden homoseksuelen een onvolkomen instituut in stand helpen houden? Homoseksuelen hebben toch juist het patent op wat meer ongebruikelijke en speelse relatievormen, waarom moeten zij nu ook het gezin, de spreekwoordelijke hoeksteen van de samenleving ondersteunen? De maatschappelijke instemming met het homohuwelijk (zeventig procent van de Nederlandse bevolking schijnt er geen moeite mee te hebben) heeft, aldus de tegenstanders, alles te maken met de voorkeur voor onafscheidelijke paarvorming. Denk aan wat Frank Sinatra zong in zijn ballade Love and Marriage, die twee die als een 'horse and carriage’ samen gaan: 'Try, try, try to separate them, it’s an illusion.’ Solitaire en promiscue homoseksuelen, die zijn pas echt eng.
Ach, er is nog meer verzet. Als homoseksuelen toegang krijgen tot het huwelijk, is dat omdat het is uitgehold. Je hoeft niet meer te trouwen om te vrijen, een stel te zijn of een gezin te stichten. Voorhuwelijkse seks, hokken, ongehuwde zwangerschap, er rust al lang geen taboe meer op. Het is volgens cynici bovendien niet toevallig dat het homohuwelijk zo populair is in het aidstijdperk. Trouwen staat traditioneel gelijk aan trouw en dat is voor sommigen de beste remedie tegen de grote ziekte met de kleine naam.
Voor de duidelijkheid: de tegenstanders van het homohuwelijk keren zich niet tegen gelijke rechten voor homo- en heteroseksuelen. Wie is er niet ongevoelig voor de onrechtvaardige verhalen die steeds weer in de Amerikaanse en Europese homopers worden opgedist? Verhalen over homoseksuelen die bij de dood van hun geliefde het gezamenlijke huis moeten verlaten omdat familieleden van de overledene hun erfenis opeisen, die als hun partner na een verkeersongeluk in coma ligt geen zeggenschap hebben over de medische behandeling en niet eens op ziekenbezoek mogen, die als niet-biologische ouder na de dood van hun geliefde ook nog eens hun kind verliezen. Dat alles omdat ze officieel geen familie zijn. Maar er zijn, stellen deze tegenstanders, ook andere sociale contracten denkbaar dan het wandmeubel. Het belangrijkste is een faire en flexibele relatiewetgeving waarin ook eventueel ouderschap wordt geregeld, niet het boterbriefje.
Terug naar de kwestie van de normaliteit. Ik geloof niet dat homoseksuelen nog zo anders zijn, laat staan dat ze een bijzondere, revolutionaire, gevaarlijke identiteit hebben. Homoseksualiteit biedt geen enkele garantie tegen burgerlijkheid en gewoonheid. Ooit waren homoseksuelen grensverleggend en apart omdat de maatschappij hen grensverleggend en apart vond - alleen verdwaalde religieuze fundamentalisten vinden dat nog steeds. Het merendeel van de Nederlandse bevolking is, zoals gezegd, voor het homohuwelijk, een ruime meerderheid van de Tweede Kamer stemde in maart voor de homoseksuele echtverbintenis en adoptierecht voor homoseksuelen. Nederland ontpopt zich zo langzamerhand als een grote nichtenmoeder.
Lang was heteroseksualiteit, ook voor homoseksuelen, de norm. Het zogeheten butch-femme-patroon waarnaar veel lesbische relaties in de jaren vijftig waren uitgetekend, weerspiegelde bijvoorbeeld de klassieke heteroseksuele dominantie: de mannelijke lesbienne (butch) had een antagonistische relatie met de vrouwelijke femme. Dat patroon bleek uit alles: de butch droeg het (mantel)pak, de femme de jurk; de butch beheerde het geld, de femme ontfermde zich over de damestas; de butch hield de deuren galant open, bestelde de drankjes, leidde bij het dansen. Alleen tussen de lakens waren de rollen soms omgekeerd, maar dat was en is in heteroseksuele relaties niet anders. Zo mannelijk als de butch was om zich met haar seksuele inborst te verzoenen, zo vrouwelijk was het mietje.
Maar naast de aloude heteroseksualisering van homoseksuelen is er inmiddels ook sprake van de homoseksualisering van de heteroseksueel. Ik meen dat Frans Kellendonk ooit heeft gezegd dat na de uitvinding van de pil het principiele verschil tussen homoseksualiteit en heteroseksualiteit is uitgewist. Seks staat hoe dan ook niet meer in het teken van de voortplanting; zowel homo’s als hetero’s hebben zich buiten 'de geschiedenis van het vlees’ geplaatst.
Dat is ook wat Anthony Giddens in zijn boek Transformation of Intimacy uit 1992 stelt: de samenleving is gehomoseksualiseerd. Omdat kinderen niet meer direct het oogmerk van een relatie zijn, is seksualiteit volgens hem flexibel geworden. 'Puur’ noemt Giddens de huidige relatievormen, omdat ze zo lang de verhouding duurt een doel in zich hebben: het gaat om intimiteit en liefde, niet om een boterbriefje en kinderen. En seks is het middel om intimiteit en liefde te uiten, is een onlosmakelijk onderdeel geworden van de persoonlijkheid, een manier om jezelf uit te drukken en te ontplooien. Homoseksuelen waren bij dit alles - noodgedwongen - de trendsetters.
De homoseksualisering gaat nog verder. Promiscuiteit en seksuele experimenteerdrift - niemand exploreerde de lust zo ongeremd als mannelijke homoseksuelen. Sadomasochisme en leerfetisjisme, je vond het eerst en vooral in homokringen. Wie de zoektocht van Catherine Keyl naar seks in Nederland heeft gevolgd, weet dat de seksuele aberraties overal broeien en borrelen. SM bloeit vooral, als je de talloze tv-documentaires mag geloven, in rijtjeshuizen in Koog aan de Zaan of Ossenzijl. Steeds zie je daarin de camera langs een doorzonwoning glijden waar de gordijnen voor een raam permanent gesloten zijn: daarachter bevindt zich de sm-kamer. Aan het nieuwste panseksuele fenomeen, de zogeheten kinky parties, kan iedereen ongeacht seksuele voorkeur deelnemen. Als men maar voor seks is en de kledingcode - schaars rubber, leer of latex - respecteert. Komrij’s gemiddelde brave homoseksueel heeft gevaarlijke en stoute heteroseksuele broertjes en zusjes gekregen. 'Gewone’ en 'andere’ mensen vind je zowel in homoseksuele als heteroseksuele gelederen. En de grens tussen de gelederen is steeds moeilijker te trekken. Mannelijke verfraaiing van het uiterlijk is al lang niet meer nichterig: heteroseksuele vrachtwagenchauffeurs en voetballers dragen evengoed oorringetjes en paardestaartjes. Ook 'echte’ mannen hebben de badkamer veroverd om met geurtjes en kleurtjes hun viriliteit te onderstrepen. Lesbiennes dragen net zo lief als heteroseksuele vrouwen korte rokjes, hooggehakte schoenen en gedecolleteerde T-shirts. Ik kan op straat 'he’ en 'ho’ niet meer van elkaar onderscheiden.
Homoseksualiteit wordt meer en meer een optie in plaats van een geaardheid. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk toen 1993 opeens het jaar van de 'lesbo nieuwe stijl’ was. Vrijwel elk glossy tijdschrift kwam met een vertederende fotoreportage van verleidelijke 'baby-dykes’ of een coverstory over de nieuwe levensstijl van lesbiennes: ze zijn manager, modeontwerpster of journalist, soms zelfs fotomodel, en houden van elegante kleren, Chablis en een etentje buiten de deur. Een van de tijdschriften deed de lezeressen de suggestie eens als 'designer-dyke’ naar het volgende personeelsfeest te gaan: ga met een mooie vriendin, blijf de hele avond nadrukkelijk in elkaars gezelschap en ga samen naar huis. Ik vind het wel mooi: alle vrouwen worden alsnog lesbisch.
De homoseksueel werd aan het eind van de vorige eeuw geboren en zal aan het begin van de volgende eeuw sterven. Zoals blijkt uit The Invention of Heterosexuality, het provocatieve boek dat Jonathan Ned Katz vorig jaar publiceerde, geldt dat evenzeer voor de heteroseksueel. Omstreeks de laatste eeuwwisseling werd seksualiteit door seksuologen, psychologen en moralisten tot kern van de persoonlijkheid gemaakt, en het is niet meer dan logisch dat in de toekomst seksualiteit niet meer de identiteit uitmaakt.
WAT BETEKENT DAT voor het homohuwelijk? De botsing der nostalgici is in ieder geval niet adequaat, want homoseksuelen zijn niet meer anders en het huwelijk is niet meer toereikend. Toen de Tweede Kamer over het homohuwelijk debatteerde, bracht de Emancipatieraad het advies Scenario’s voor leefvormen uit, waarin de afschaffing van het huwelijk werd bepleit. Of beter: het huwelijk zou hoogstens een van de wettelijke keuzemogelijkheden zijn. Leefvormenrecht is het nieuwe toverwoord dat een antwoord moet geven op de individualisering van de samenleving. De kritiek op het advies was voorspelbaar: de raad was vergeten dat het huwelijk meer is dan een contract, het heeft ook een symbolische en rituele betekenis.
Van verschillende kanten is daar een oplossing voor aangedragen: het huwelijk zou aan de staatszorg onttrokken moeten worden, de staat zou zich niet met de details van wat prive is moeten bemoeien. Het is kortom tijd dat een liberale scheiding der sferen wordt doorgevoerd, want kerk (het symbolische, sacrale aspect) en staat (het juridische aspect) zijn in het huwelijk nog steeds degelijk met elkaar getrouwd. Wat ligt er meer voor de hand dan dat de staat alleen voor het contract zorgt en paren zelf voor de romantische invulling van hun verbinding kiezen? Ze kunnen hun huwelijk voor het altaar laten inzegenen of een eigen ceremonie bedenken, een groot feest geven voor familie en vrienden of helemaal niets doen.
Het leefvormenrecht staat ondertussen open voor iedereen die ervoor kiest het leven te delen: homo en hetero, woongroep of broer & zus, twee-relaties of drie- en vier-relaties (de Anton Heyboer- of Mitterrand-variant), enzovoort. Of de verbintenissen ook seksueel geconsumeerd worden, is niet aan de staat. De ceremoniele verlangens staan hoe dan ook los van seksuele voorkeur. Zo kocht ik bij homoboekhandel Vrolijk The Essential Guide to Lesbian and Gay Weddings, een glanzend lila boek vol tips en plaatjes dat volgens de boekverkoper als een warm broodje over de toonbank gaat. Je kan eruit leren wat gasten voor versnapering op een huwelijksbrunch, -cocktailparty en -diner verwachten, hoe de bruidstaart eruit hoort te zien en wat voor vorm huwelijkscadeaus (bruidslijst, geld, gift voor een goed doel) kunnen aannemen. Het moge duidelijk zijn: het ceremoniele verlangen is hier het recht vooruitgesneld.
Ik heb niet de behoefte om met Komrij mee te schamperen op de gemiddelde brave homoseksueel. Van de 'epidemische acceptatie’ van homoseksualiteit heb ik geen last. Het is toch aardig dat twee mannen als man en vrouw in het huwelijk kunnen treden en heteroseksuelen even monter als homoseksuelen met Marlene Dietrich mee kunnen zingen: 'I am not of the marrying kind’.