LINDGREN en Bernlef

Het hek van de dam

‘Dat kan ik niet, zei ik. Ik heb geen herinneringen,’ was de eerste reactie van de Zweed Torgny Lindgren toen zijn uitgever hem vroeg zijn herinneringen op te schrijven. Net als zijn generatiegenoot Bernlef is Lindgren er in zijn boeken altijd vanuit gegaan dat de ‘waarheid’ toch niet te achterhalen was. De taal, daar gaat het om. In literatuur is de vorm de hoofdzaak, zelfs heilig, en niet de stof (‘een futiliteit’), zegt hij. Dus hoe schrijf je dan je memoires? Wat is ‘echt’ in een autobiografie, en wat is verzonnen? Is niet alle herinnering min of meer fictie?

Torgny Lindgren, Herinneringen

Desondanks verschenen onlangs Herinneringen van Lindgren en Onbewaakt ogenblik, de laatste en postuum verschenen roman van Bernlef, memoires die met frisse tegenzin geschreven lijken, en die juist daardoor een onvergetelijk beeld van een schrijversgeneratie vormen.

Bij Lindgren lees je zijn poëtische programma al op het omslag: titel Herinneringen, ondertitel ‘Roman’. Vol zelfspot schrijft hij gezwicht te zijn voor het verzoek van zijn uitgever, die ook nog eens een verkoopcurve in de lucht tekende. En dus zet Lindgren de ‘aftandse, verwaarloosde filmprojector’ in zijn binnenste aan. Hij doet alsof het realistisch gefilmde beelden zijn, die hij uit zijn geheugen opdiept, maar al snel blijkt niets minder waar. Bij alles wat hij zich herinnert lopen gebeurtenis en verbeelding door elkaar: ‘Iemand werd gek en raakte de weg kwijt. (…) Wellicht werd hij gek, wellicht ook niet.’ Lindgrens vrienden reageren: ‘Dat kun je je niet herinneren, je was nog niet eens geboren!’ Ach, kleinigheidje, waar de schrijver zich niet druk om kan maken…

Tussen neus en lippen door wordt Lindgrens plattelandsfamiliegeschiedenis toch heel smeuïg verteld. Hij laat zijn grootvader aan het woord, die een hoeve bouwde waarvan opa hoopt dat die in de wederopstanding ook opstaat uit de dood (‘anders is die hele wederopstanding zinloos’); zijn tante Hildur, die goud vindt in Alaska en door een klap van een boomstam een paar jaar haar bewustzijn kwijtraakt en zijn grootmoeder, die soms praatte zonder erbij na te denken. ‘Zoiets is erfelijk.’ Jaja.

Veel van Lindgrens boektitels duiken op. ‘Het zal nog eens noodzakelijk blijken een boek over mij te schrijven,’ laat hij bijvoorbeeld een vriend zeggen, de aanstichter van Lindgrens roman De Bijbel van Doré. Lindgren beschrijft hoe verzot hij was op de encyclopedie, en uit zijn bewondering voor écht beroemde schrijvers (de IJslander Laxness!). Hij onthult ook waar hij niet op uit is: ‘Als ik echt ga schrijven zal dat niet over de waarheid gaan,’ belooft hij als beginnend journalist bij het plaatselijke sufferdje. Om later toe te voegen: ‘Mijn eerste boek is net verschenen. En ik heb er nog tweeëndertig te schrijven.’

Bernlef begint Onbewaakt ogenblik ook bij zijn uitgever: ‘Je autobiografie. Je bent nu vier­enzeventig’, en ook die wijst op de verkoop­cijfers. Maar Bernlef schudt zijn hoofd: ‘Ik heb een geheugen als een zeef.’ En net als Lindgren laat hij zich leiden door zijn eigen interesses, en niet door de chronologie van zijn leven. Dus zet hij maar eens fors in met een essay over de schrijver Modiano. Modiano herinnert zich, net als Lindgren, ‘over zijn geboorte heen’, en wisselt abrupt van tegenwoordige naar verleden tijd; al het soort vrijheden dat ook Bernlef zich wil permitteren.

Herinneringen van een schrijver gaan immers net zo goed over lezen, bewonderen, schrijven, als over familie en levensloop. Een schrijver kan zich alles veroorloven, zegt Bernlef met dit boek: er is maar één voorwaarde, en die heet verbeelding. Als de verbeelding op pagina 38 toeslaat is het hek van de dam en vertelt Bernlef het ene na het andere verhaal, over zijn liefde voor voetballen op de halfhoge rijlaarzen van zijn vader, opgevuld met proppen krantenpapier, over de ‘harde, stugge stoofpeertjes, groenbruin van kleur’ van zijn grootmoeder, over zijn grootvader, die hem iets laat zien dat ‘mijn besloten wereld tot ontploffing bracht’: de sterrenhemel. En over zijn ontluikende liefde voor geïmproviseerde jazzmuziek: ‘Het was alsof ik plotseling een bloedtransfusie kreeg. Alles stortte ineen en werd binnen zes minuten weer, maar nu totaal anders, in elkaar gezet.’

Over zijn ouders schrijven valt hem moeilijker, net als Lindgren; zij lijken ‘onecht’ zodra hij aan ze denkt. Ook daarmee wordt weer heel mooi de ingewikkelde werking van het geheugen bewezen: hoe beter je iemand kent, hoe moeilijker om die persoon in een paar pennenstreken neer te zetten. En dan volgt het hoogtepunt van Onbewaakt ogenblik, het ontroerende verhaal over zijn autistische broer Peter, een schitterend portret van een man voor wie alleen nog maar de vorm telt. Als hij de krant leest markeert hij met een potlood alle dubbele klinkers. ‘Zo controleert hij de tekst zonder dat de inhoud tot hem doordringt.’ Onbegrijpelijk vindt Peter het, dat zijn broer schrijver is: ‘Jij zuigt van alles uit je duim en de mensen geloven je, zegt hij vol verbazing.’

Wie zijn memoires schrijft, liegt. Zo zegt Bernlef het, en zo zou zijn leeftijdgenoot Lindgren het kunnen zeggen. Beiden hebben hun herinneringen superieur verbeeld, vol geest en licht en beweging. Zoals ze ook in het leven lijken te hebben gestaan. In die zin is er aan beide romans niets gelogen.


TORGNY LINDGREN

Herinneringen

De Geus, 188 blz., € 19,95

Bernlef

Onbewaakt

ogenblik

Querido, 210 blz., € 18,95