‘het hele leger draaide om de cocaine’

Marcel Nelom was tien jaar lang veiligheidsagent van Desi Bouterse. En getuige van diverse moorden, cocainetransporten en financiele malversaties. In 1990 besloot hij te vluchten naar Nederland. Nog immer wordt hij met uitzetting bedreigd. Het relaas van een ongewenste kroongetuige.

OP 30 JANUARI 1983, een maand nadat hij vijftien van de belangrijkste criticasters van zijn revolutie ritueel heeft laten folteren en vermoorden, verschuift de paranoide toorn van Desi Bouterse naar zijn eigen manschappen. Garnizoenscommandant Roy Horb, de linkse held van de revolutie, op handen gedragen door de belangrijkste vakcentrale De Moederbond en in die zin de belangrijkste concurrent voor de machtshongerige sergeant, moet het als eerste ontgelden. Beschuldigd van contacten met de CIA (er is opeens een brief gevonden waarin Horb de Amerikaanse inlichtingendienst om een invasie smeekt) wordt Horb gearresteerd en opgesloten in Fort Zeelandia in Paramaribo. Op 3 februari dat jaar wordt Horb dood aangetroffen in zijn cel. Officieel luidt de verklaring dat hij zichzelf heeft verhangen, zoals ook de vijftien slachtoffers van de decembermoorden op de vlucht neergeschoten heten te zijn.
In werkelijkheid kreeg Horb een dodelijke injectie toegediend. Marcel Nelom, sinds 1980 veiligheidsagent van het Surinaamse Nationale Leger, was er met eigen ogen getuige van. ‘Horb kreeg een spuitje van de legerarts, ik weet zijn naam niet meer maar het was een hindoestaan’, zegt Nelom. 'Het gebeurde vlak na middernacht. Ik stond er zelf bij, in Horbs cel. Wat er precies in dat spuitje zat, weet ik niet, maar het was geen zacht inslapertje. Horb stierf onmiddellijk. Hij viel en was op slag dood. Misschien dat ze later nog de moeite hebben genomen om hem aan een koordje te hangen, maar daar heb ik niets van gezien.’
DE EXECUTIE van Roy Horb is een van de herinneringen die Marcel Nelom heeft overgehouden aan zijn tienjarige loopbaan als veiligheidsagent van Desi Bouterse. Herinneringen die hem vaak ’s nachts overvallen, in de vorm van nachtmerries. De nu 33-jarige Nelom maakt een geslagen indruk, vertelt zijn verhaal in flarden, in een met Sranang-termen doorspekt Surinaams waarvan de zangerigheid in schril contrast staat met de vaak brute aard van het medegedeelde. Vaak lacht hij er bitter en ongelovig bij. Hij geeft te kennen dat hij een man zonder illusies is. Hij denkt niet dat het naar buiten brengen van zijn getuigenis zoden aan de dijk zal zetten. Dat deed het uiteindelijk ook niet toen hij in de zomer van 1990, vrijwel direct na zijn vlucht naar Nederland, zijn hele verhaal vertelde aan leden van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.
'IK GELOOF NIET meer in een happy end’, zegt hij, starend door de ramen van de Rotterdamse stationsrestauratie. 'Ik denk niet dat Suriname ooit nog van Bouterse zal afkomen. Over een paar jaar is dat land veranderd in een tweede Haiti, en Nederland laat dat gewoon gebeuren. Alleen al het feit dat Nederland Suriname erkent als een rechtsstaat, omdat er verkiezingen zijn geweest en Bouterse als legerleider is teruggetreden, is een lachertje. De Assemblee (het parlement van Suriname - rz) zit geheel in Bouterse’s zak. Zelfs voorzitter Lachmon, dat weet ik zeker, zit in het cocainenetwerk van Bouterse. Lachmon was altijd aanwezig op geheime vergaderingen van de commandant, net als Fred Derby van de Surinaamse Partij van de Arbeid en Rufus Nooitmeer, nu minister voor het Binnenland. Die bijeenkomsten gingen altijd over cocaine, of, zoals het officieel werd geformuleerd, over de wijze waarop er financiele injecties konden worden gegeven aan de noodlijdende Surinaamse economie. Ik ben zelf bij die vergaderingen geweest.’
Voor de democratische gezindheid van het huidige Surinaamse leger, nu onder leiding van Arty Gorre, geeft Nelom evenmin een geen cent. 'Gorre was een van de deelnemers aan de Decembermoorden. Ook dat heb ik met eigen ogen gezien. Ga me dus niet vertellen dat hij te vertrouwen is.’ Nelom is een van de tien naar Nederland uitgeweken ex- manschappen van Desi Bouterse die hun verhaal verteld hebben aan de BVD en/of het CoPa-team, de speciale Amerikaans-Nederlandse recherchedienst die bezig is aan een gerechtelijk vooronderzoek tegen Bouterse en Etienne Boerenveen. Net als de anderen wordt Nelom nog altijd met uitzetting naar Suriname bedreigd. Zijn aanvraag voor politiek asiel werd reeds verworpen, en in afwachting van zijn hoger beroep bij de Raad van State heeft hij op het nippertje een 'schorsende werking’ van het uitzettingsbevel gekregen van het ministerie van Justitie.
Ondertussen heeft het CoPa-team op basis van alle getuigenverklaringen afgelopen mei en juni op diverse plekken op de wereld huisinvallen gedaan en bankrekeningen geconfisqueerd, ter blootlegging van het drugsnetwerk rond de voormalige legerleider, die met zijn politieke partij NDP hoge ogen gooit voor de Surinaamse parlementsverkiezingen van 1996.
'Eerst hebben ze me uitgehoord over Bouterse, en nu ze hem echt op de hielen zitten, willen ze me terugsturen naar Suriname’, zegt Nelom. 'En dat alles omdat Bouterse schijnt te hebben gezegd dat wij als vrienden uit elkaar zijn gegaan. Niets is minder waar. Pas geleden vertelde iemand me dat Bouterse in een telefoongesprek heeft gezegd dat hij de boot zal opblazen waarmee ik naar Suriname terugkeer. Zo zal dat niet helemaal in zijn werk gaan. Er zijn honderden methoden om iemand in alle rust te vermoorden in Suriname, zonder dat er ooit nog iemand naar kraait. Je kunt ook altijd nog gewoon verdwijnen.’
Als persoonlijke lijfwacht van Bouterse heeft Nelom met eigen ogen kunnen zien hoe diep de voormalige legerleider in de cocainehandel zit. Volgens hem was dat al gaande voordat Bouterse dictator werd. Nelom: 'Het hele leger draaide om cocaine, net zoals de politiek en het zakenleven. Bouterse ontving regelmatig adviseurs uit Colombia en Brazilie, in Blanche Marie-valle in 1986 en 1987, maar hij wist zelf ook heel goed hoe hij de zaken moest aanpakken. Hij werd daarbij gesteund door vele zakenlieden, van rijsthandelaar Mungra tot de architect Calor, die er later nog met een paar honderdduizend dollar vandoor gegaan is. Er werd gewerkt met talloze eendags-BV'tjes, die vaak stonden ingeschreven in Fort Zeelandia. De cocaine werd verpakt in vis, pompoenen, hout, noem maar op, en zo verscheept of gevlogen naar Miami of Nederland. Soms werden er van de opbrengsten levensmiddelen of gas gekocht, die dan weer in Suriname werden verkocht. Zo werd het geld witgewassen. Ook gebeurde het nogal eens dat ze iemand in ruil voor geld en een gratis vakantie uit Nederland haalden om bij terugkeer wat cocaine mee te nemen, zeg vijf kilo. Op hetzelfde vliegtuig ging dan iemand mee met vijftig kilo. Van tevoren werd de douana dan getipt over die Nederlander met vijf kilo op zak, en die werd dan aangehouden. De vijftig kilo kon zo ongemoeid het land uit.
Er was iedere week wel iets aan de hand met cocaine. Het hele leger werd er bij ingeschakeld. Het spul stond opgeslagen in de loodsen van de kazerne. Het gebeurde nogal eens dat er onderlinge concurrentie ontstond tussen de diverse hoge officieren. Zo heb ik een keer een ruzie meegemaakt tussen Bouterse en Marcel Zeeuw, omdat Zeeuw in een loods was geweest waar een partij van Bouerse stond. Een van de soldaten die Zeeuw had doorgelaten, werd later doodgeschoten teruggevonden op de weg tussen Paramaribo en Domburg.
Zelf heb ik de nodige BV’s mogen oprichten om die handel toe te dekken. Prachtige namen hadden die bedrijfjes. Allemaal vernoemd naar bloemen en zo. Ook was er iemand namens Bouterse in Nederland die de distributie van de cocaine verzorgde. Die kwam later in de problemen in Nederland, zijn Mercedes was opgeblazen, veilig was hij in ieder geval niet meer. Die heeft later een functie gekregen in het Surinaamse leger.’
NELOM KENT DE namen van degenen die betrokken zijn bij Bouterse’s drugshandel. Tegen de BVD heeft hij die allemaal genoemd, zegt hij. Tegenover De Groene wil hij niet zo ver gaan. Wel noemt hij als een van de belangrijkste zakenpartners van Bouterse de naam de de groenteimporteur Dassasingh. 'Die kende ik nog uit de tijd dat-ie op blote voeten liep. Later droeg hij slangeleren laarzen en zo. Schatrijk is-ie geworden. Hetzelfde geldt voor de rijsthandelaar Mungra, hoewel die pas is vrijgesproken van een aanklacht wegens drugshandel. Die man werd met honderdduizend dollar in zijn koffer aangehouden op het vliegveld. En dan nog wordt er gezegd dat er niets tegen hem bewezen kan worden. Hij heeft nu zelfs een donatie gedaan aan de Surinaamse persvereniging, uit dankbaarheid dat ze zo discreet met zijn zaak zijn omgesprongen. Als ik dat hoor, moet ik van harte lachen. Mungra was degene die van de drugsgelden levensmiddelen insloeg, en die weer in Surinamse verkocht. Die man heeft zo miljoenen binnengehaald.
Toen in de Nederlandse pers de eerste verhalen verschenen over de drugshandel in Suriname, werden bladen als de Nieuwe Revu en Panorama gelijk verboden. Toch hebben we Bouterse wel eens gevraagd wat hij nu van die verhalen vond. Dan lachte hij en zei hij: “Als Nederland afwil van het cocaineprobleem dan kan dat. Dan moeten ze daar gewoon stoppen met het produceren en exporteren van de benodigde chemicalien.” Maar later maakte hij dan weer de opmerking dat Suriname het volste recht had om geld te verdienen aan de cocaine, omdat de rijkdom van Amerika en Italie er tenslotte ook op was gebaseerd.
In werkelijkheid werd Suriname er natuurlijk helemaal niet rijker van. Alleen die kleine groep van politici, militairen en zakenlieden. Bouterse zelf stopte veel kapitaal in zijn eigen partij, de NDP. En hij kocht twee van de mooiste villa’s in Paramaribo en eentje in Brazilie, de mooiste auto’s, speedboten, jet-ski’s, noem maar op. Die man leeft als een God. De politiek beschermt hem geheel. Niet voor niets weigert president Venetiaan momenteel het rechtshulpverdrag tussen Suriname en Nederland te ondertekenen. Op die manier kan er niemand aan de Nederlandse justitie worden uitgeleverd. Dat willen ze graag zo houden. Ik heb Bouterse trouwens ook een keer horen zeggen dat Nederland niet zo hoog van de toren moet blazen over drugs. “Het hoofdkwartier van de maffia zit in Nederland”, zei hij dan. “Ze moeten daar niet gaan klagen.” ’
OOK VAN DE aanvoer van de cocainepasta heeft Nelom het nodige gezien. Begin 1990 was Nelom aanwezig bij de landing van een Chesna-vliegtuig uit Colombia in de buurt van Apoera, in het uiterste westen van het land. Het vliegtuig voerde een zeer grote partij cocainepasta aan. Nelom: 'De bevelhebber was er zelf bij toen de partij werd getransporteerd door Tucajana-indianen, die hij tegen die tijd steeds meer ging gebruiken als speciale cocaine-eenheid. De Indianen brachten de partij daarna naar het Bakhuysgebergte, waar in allerlei hutten provisorische laboratoria klaarstonden om de pasta te verwerken met chemicalien als ether, zodat er cocaine van kon worden gemaakt. Bouterse is zelf een halve Tucajana, hij spreekt hun taal en hij vertrouwt hen. Binnen het Surinaamse leger is zelfs een speciale Tucajana-eenheid, de Delta Force. Bouterse kwam altijd heftig voor de autonome rechten van de Tucajana’s op. Zeker omdat ze zo in alle rust konden werken aan de cocainetransporten.
Wel heeft hij in 1990 drie Tucajana’s laten executeren. Dat kwam omdat ze niet hadden geschoten op politieagenten onder leiding van inspecteur Hendrik Gooding, toen deze een partij cocaine in beslag wilden nemen. De Tucajana’s zaten opgesloten in Fort Zeelandia. Van daaruit werden ze meegenomen door luitenant-kolonel Marcel Zeeuw. Later hoorde ik dat ze op de vlucht waren neergeschoten.’
(Een lotgenoot van Nelom, Jacobus Frans man, was er volgens zijn advocaat mr. Adang te Utrecht in april 1992 getuige van hoe zes 'krijgsgevangenen’, vermoedelijk ook Tucajana’s, in Fort Zeelandia werden doodgemarteld met kettingzagen. Dit gebeurde onder leiding van majoor Marto. Fransman gaf zijn ontsteldheid door aan zijn commandant Ruben Rozendaal, die hem vervolgens een reprimande gaf vanwege insubordinatie.)
Nelom: 'Het grote voordeel van het werken met de Tucajana’s is voor Bouterse dat veel Indianen inmiddels zelf ook verslaafd zijn geraakt aan de coke. Die heeft hij dus geheel in zijn macht. Bij mijn weten gebruikt Bouterse zelf geen coke, zoals Henk Knol (de overleden PvdA-parlementarier - rz) heeft beweerd. Wel marihuana af en toe, om te relaxen. De Indianen zijn ook economisch zo afhankelijk geraakt van de cocaine, dat ze vrijwel alles van Bouterse accepteren. Dus ook dat er af en toe eentje wordt geexecuteerd, om de wind er goed onder te houden. Die actie van inspecteur Gooding had trouwens niet zo veel zin. Ik was er zelf bij toen Bouterse hoogstpersoonlijk de door Gooding in beslag genomen partij cocaine ging ophalen in het politiebureau. Daarbij werden we geholpen door een inspecteur van de narcoticabrigade, een zekere Jansen. We hebben gewoon het kantoor opengebroken en zijn er met de pakketten vandoor gegaan. De hele handel ging linea recta terug. Twee dagen later hoorde ik Bouterse een donderspeech houden op televisie, waarin hij opriep tot de teruggave van de gestolen cocaine.
Met inspecteur Gooding liep het niet goed af. Die werd op 4 augustus 1990 doodgeschoten in Paramaribo. Het was een van die mannen die dachten dat de wet weer een kans had gekregen, omdat er weer een parlement en verkiezingen kwamen. Gooding geloofde dat eerlijk het langst duurde. Zo werkt het dus niet. Ik heb gehoord dat Gooding nog heeft geprobeerd asiel aan te vragen in Nederland. Maar dat kwam dus te laat.’
(Gooding is niet de enige Surinaamse politieagent die het onderspit moest delven in de strijd tegen de cocainemaffia. Eerder deze maand kwam de commandant van de Surinaamse militaire politie, majoor Bhagwedpersad Ausan, onder mysterieuze omstandigheden te overlijden. Ausan was betrokken bij het politieonderzoek tegen Dino Bouterse, de onder verdenking van drugshandel staande zoon van de NDP-leider.)
Nelom was op het moment van Goodings executie al vertrokken. 'Ik had er schoon ge noeg van. Ik kon er niet meer tegen. Suriname was zogenaamd weer bezig een rechtsstaat te worden, maar van binnenuit zag ik dat er werkelijk niets van klopte. Bouterse deed gewoon precies wat hij wilde. Omdat ik veel zaakjes voor Bouterse opknapte, ook in het buitenland, had ik een tamelijk grote bewegingsvrijheid. Ik vroeg een visum aan in de Nederlandse ambassade, en wilde zo vluchten. Tot mijn stomme verbazing werd dat visum geweigerd, en even later moest ik bij Bouterse op het matje geroepen. “Zo, Marcel, dus jij wil ons gaan verlaten?” vroeg hij me direct. Ik schrok me dood. Ik wist me er met een smoesje uit te praten, dat ik in het kader van een agrarisch project dat hij wilde starten op onderzoek uit moest in Nederland. Gelukkig accepteerde hij dat. Ondertussen was me wel duidelijk dat de Nederlandse ambassade helemaal niet te vertrouwen was. Later wist ik via bevriende connecties toch weg te komen.’
REEEL GEVAAR VOOR de handel van Bouterse ziet Nelom niet. 'Tot aan 1990 heeft Bouterse af en toe fors in de rats gezeten. Het verzet van Ronnie Brunswijk in de binnenlanden in het oosten maakte hem het leven zuur. De grootste fout van Nederland is dat ze de steun aan Brunswijk in 1990 hebben gestaakt. Daar zat ondanks alle bezwaren die aan Brunswijk kleven toch echt gevaar voor Bouterse. In dat jaar hebben de Amerikanen ook nog geprobeerd om het vredesonderhandelingen tussen Bouterse en Brunswijk te ondermijnen. Toen landde er in maart opeens een vliegtuig met duizend kilo cocaine in de binnenlanden van oost. Ik weet nog dat Bouterse vreselijk nerveus was over die toestand. Het vliegtuig en de cocaine waren in handen van Brunswijk geraakt, maar Bouterse wist er al dezelfde dag van, dank zij zijn informanten bij het junglecommando. Er is die dag druk getelefoneerd door Bouterse en Herrenberg met het junglecommando. Niemand wist precies wat er aan de hand was, maar duidelijk was dat Bouterse verschrikkelijk met het probleem in de maag zat.’
In zijn boek Dossier Moengo beschrijft junglecommando-adviseur Frits Hirschland deze kwestie uitgebreid. Hij maakt zeer aannemelijk dat de actie het initiatief was van de CIA. De piloot van het gewraakte vliegtuig was Frank Castro, een CIA-agent die al regelmatig bij Brunswijk op bezoek was geweest. Aanvankelijk had Castro wapenleveranties aan het junglecommando toegezegd, maar het werd cocaine. Het mag gezien worden als de laatste poging om een wig te drijven tussen Bouterse en zijn belangrijkste opponent. Wellicht wilde de CIA, nadat senator Barry Goldwater een stokje had gestoken voor de Amerikaanse invasieplannen voor Suriname, Brunswijk zijn eigen cokehandel laten opzetten, om hem zo verder gemotiveerd te maken voor hervatting van de strijd tegen Bouterse. Getuige de crisis bij het hoofdkwartier van Bouterse zat er enige levensvatbaarheid in dit diabolische scenario. Overigens heeft ook kolonel b.d. Bas van Tussenbroek, gewezen militair attache van Nederland in Paramaribo, tegenover De Groene verklaard dat de cocainemissie een opzetje van de Amerikaanse inlichtingendienst moet zijn geweest. Het laatste woord over die actie is nog niet gesproken.
MARCEL NELOM WACHT ondertussen nog steeds op zijn politiek asiel. 'Ik begrijp niet wat ik de heer Kosto heb misdaan’, zegt hij droevig. 'Een tijdje geleden zag ik Poncke Princen op televisie, die Nederlandse deserteur die naar de Indonesiers is overgelopen. Vijftig jaar na dato mag die man nog steeds Nederland niet in, omdat zijn gewezen makkers in het leger hem nog steeds niet hebben vergeven en zijn veiligheid in Nederland niet kan worden gegarandeerd. Denkt Kosto dan echt dat ik in Suriname wel veilig ben?’