An Americain Psycho verfilmd

Het hellevuur der ijdelheden

Tien jaar geleden was New York in de ban van Patrick Bateman, de Wall Street-broker annex massamoordenaar uit Bret Easton Ellis’ American Psycho. De omstreden roman is nu verfilmd en binnenkort in Nederland te zien. Annemieke Hendriks trad in Manhattan in Batemans voetsporen, om bijna in dezelfde razernij te vervallen als die tragische romanheld.

New York — Meat-packing District, tien uur ’s morgens. De plas bloed op de stoep van Ninth Avenue is amper ingedroogd. Tussen verlaten loodsen en het homo-informatiecentrum licht de rivier de Hudson op in de zon. Het is een van de laatste plekjes ongecultiveerde binnenstad, deze West Side van de wolkenkrabberloze Village. Op Gansevoort Street speelt een multiraciaal clubje jongens basketbal achter hoge hekken. Enkele zwervers kijken toe, hangend op banken. Van een kale muur schreeuwt een mega-affiche van Les Misérables («14de jaar!») hun tegemoet. In de roman American Psycho, die vlak voor de beurskrach van 1987 speelt, duikt de musical voortdurend op.

Een zwarte man komt met bezem en emmer aangelopen. Met de blik op oneindig schrobt hij troebel rood water het trottoir af. Heeft Patrick Bateman vannacht weer toegeslagen? De anti-held uit Bret Easton Ellis’ American Psycho pikte bij voorkeur in deze uithoek van Manhattan zijn hoertjes op. Wie van hen het daglicht terugzag mocht van geluk spreken. Niemand in Batemans kringen van verfijnde Wall Street-yuppen nam hem serieus toen hij ten einde raad zijn moordzucht opbiechtte. Tot zijn eigen ongeloof bleken alle sporen van zijn paar dozijn waanzinsdaden uitgewist. Was zijn fantasie met hem op de loop geweest? Of was het toch echt gebeurd en persisteert hij nu, ruim tien jaar later, in zijn perfide levenswandel?

De straatschrobber verdwijnt in een pak huis. Op het witte metalen bord aan de gevel staat met grote rode blokletters het woord «MEAT». In het Meat-packing District wordt nog steeds vlees verhandeld. Er hangt een weeïge geur. Om de hoek, in Gansevoort Street, ligt Bistro Florent, het centrum van Batemans jachtterrein. Het Franse res tau rant oogt als een snackbar in roze neonlicht. Al in Batemans hoogtijdagen was Florent cool. Toen trok de buurt een wilde stoet drag queens en andere extravaganza uit de homo-scene. Die klagen nu dat ze worden verdrongen door hippe veelverdieners. Acteur Harrison Ford zou hier geregeld naar een nette striptease show komen kijken.

Het Belgische grand café/restaurant Markt, op de hoek van Ninth Avenue en Fourteenth Street, is het meest zichtbare symptoom van de veranderingen. Je zou zweren dat het authentiek oud was, het onlangs in België ingescheepte, fraai gedesignde interieur van deze voormalige vishal. «Markt is KISS», schrijft een trendwatcher op een New Yorkse uitgaanssite. «Keep It Simple Stu pid: als je je aan de mosselen met frieten en de chocolademousse vergrijpt en dat wegspoelt met bier, zul je je zeker niet bekocht voelen.»

Nauwelijks heb ik me geïnstalleerd op het zeldzaam grote terras van Markt of ik word teruggefloten. Koffiedrinken mag enkel binnen en zomaar gaan zitten is al helemaal taboe in Manhattan. Reken niet buiten de maitre d’, zoals Ellis hem noemt in American Psycho. In Europa is dat een gastheer, in New York een combinatie van god en uitsmijter.

«Je levert te weinig geld op met je koffie», zegt William Grimes, culinair criticus van The New York Times. Ik had hem benaderd met de vraag hoe de horeca zich na American Psycho heeft ontwikkeld. Een blik in de nieuwste Zagat, de gezaghebbende restaurantgids, maakte duidelijk dat een groot deel van de lunch- en dinerplekken die Bateman fre quenteerde al opgeheven is. Grimes heeft Pastis uitgekozen voor de lunch, volgens Zagat een van de 274 «Noteworthy Newcomers» dit jaar. «De New Yorker houdt van permanente verandering», legt Grimes uit. «En de restaurantchef helaas ook. Loopt zijn zaak goed, opent hij de volgende. Hij doet niet aan kwaliteitsbewaking; het is take the money and run. Een restaurant dat tien jaar bestaat wordt als middeleeuws beschouwd. Men geeft weinig om het voedsel. Een restaurantbezoek is een statussymbool.»

Grimes is net aan zijn voorgerecht begonnen als onze hoofdgerechten al worden gebracht. Hij kijkt niet verbaasd. In New York is elk voedsel fast food. Elk piepklein tafeltje moet in deze stad drie keer op een avond worden benut. Geen punt; de meeste gasten nippen slechts aan hun eten en lijken na tien minuten uitgepraat. Een New Yorker wordt rusteloos wanneer er pauzes zijn tussen de gangen. Voor Europeanen die menen dat ze een avondje uit zijn, wil de bediening het tempo desgevraagd wel eens vertragen.

Pastis ligt vlak bij Markt en Florent, tegenover restaurant Le Gans. De buurt is in, de Belgisch-Franse keuken is in en bovenal zijn Vlaamse frieten in. In Pastis wordt de rosé in theeglazen geserveerd. De karaf water bevat dat rijke New Yorkse chlooraroma dat elke bacterie in de maaltijd om zeep helpt. Bacterie? «Employees must wash hands», vermeldt een bordje in de restroom van het restaurant. Dit gebod hangt op elk publiek toilet in de stad. Zo dekt de eigenaar zich in tegen schadeclaims.

William Grimes werpt zijn dunne lijf in een vloeiende vlinderslagbeweging over ons gammele tafeltje heen, waarbij zijn handen sierlijk langszij kronkelen. Hij beeldt een platvisachtige uit. Ik weet namelijk niet wat de moot skate op mijn bord is. Identificatie van de vis wordt bemoeilijkt door de steriele bereidingswijze en een zeer slordige hand kappers. Had ik toch voor de red snapper moeten kiezen, die in American Psycho herhaaldelijk op Batemans bord ligt?

In trendy New York eet je geheel rook-, geur-, en smaakvrij. Dat mag dan ook best wat kosten. Onlangs is stilzwijgend de magische «30$-grens» verlaten, zo meldt de New York Times bezorgd. En ook de 40$-grens gaat eraan, voor een bord met enkel een steak in boter met peterselie bijvoorbeeld. De chefs gooien het op de huurprijzen en de uitzonderlijk exclusieve ingrediënten. De steak is gebraden in boter van oerrundermelk en de peterselie wordt uit Australië ingevlogen. En je proeft het niet eens, dat is de kunst! De onlangs voltooide film die Mary Harron naar American Psycho maakte, begint met een meesterlijke metafoor. Rode druppels spatten op het doek uiteen. De score van John Cale heeft verontrustende ondertonen. Dan zoomt Harron met pornografische traagheid uit: we zien de rode saus op een exquis gerecht.

Upper West Side, 14.00 uur. Op de reclamestroken in de metro bevindt zich, naast de advertentie van Les Misérables, een opmerkelijke boodschap. We zien een foto van een oudere zwarte man en een jonge zwarte vrouw. Zij heeft een tekstwolkje: «Sommigen zien een briljant musicus. Anderen zien een rijp acteur. Ik zie mijn vader, een man die prostaatkanker overleefde. www.cancer.org». New York City is in de ban van de prostaatkanker. Burgemeester Rudolph Giuliani ontdekte dit voorjaar tijdens zijn driewekelijkse check-up dat hij het heeft. Een week later kwam hoofdcommissaris van politie Safir met dezelfde mededeling. Op massaal bezochte persconferenties geven beiden, apart en in een gezamenlijke knuffelsessie, de details. Het nieuws van vandaag: Safir meldt dat zijn tumor de grootte heeft van een walnoot en vlak achter zijn penis zit. En verder: welke kankertherapie kiest de burgemeester? Hoe groot is de kans dat hij impotent of incontinent wordt, juist nu openbaar werd dat hij zich aan buitenechtelijke escapades overgeeft?

Elk jaar lopen 185.000 Amerikaanse mannen prostaatkanker op. Bij vroege ontdekking valt weinig te vrezen. Het aantal mannen dat lijdt aan compulse body building wordt geschat op 670.000 (Harper’s Index, mei 2000). Patrick Bateman is eind jaren tachtig al vele uren per dag in de weer om de volledige controle over zijn lichaam te verwerven, vertaald in doorgetrainde spierbundels, de juiste kledingmerken en een overmaat aan smeermiddeltjes. Met zulk dwangmatig gedrag probeert hij zijn bloeddorst te onderdrukken. Vergeefs. «I think my mask of sanity is about to slip», luidt zijn zelfdiagnose.

Gemiddeld zijn de New Yorkers voor Amerikaanse begrippen een slank volkje. Het moddervette deel der stad wordt namelijk ruimschoots gecompenseerd door de obsessieve hongeraars. De ondergrondse is de wereld van de super-sized. Vele reizigers passen niet in de voorgevormde zitjes. Al het lillend vlees dat je ooghoek weet te bereiken omdat het zonder gêne uit korte broeken gulpt om neer te dalen in badslippers, maakt de zucht naar perfectie invoelbaar die Patrick Bateman en zijn colle ga’s zo opzichtig etaleren.

Nee, dan de vrouwelijke hardbodies waar Patrick Bateman op valt. Met verbeten, verbitterde trekken rennen ze door Central Park en omliggende straten van Upper West Side, de buurt waar Bateman woont. Wie, zoals hij, geld te veel heeft, gaat per taxi naar health club Xclusive, vier blokken van zijn appartement, voor een stevige workout. New York City heeft vele prachtige stranden, maar al is het boven de dertig graden, er ligt geen hond. Warmte is uit. De boulevard is het domein van broodmagere snelwandelaars, hun flesje water met zuigspeen in de hand. Je zult dan ook geen strandtentje tegenkomen, hier valt niets te verdienen.

In de tijd van Peter Stuyvesant kon je in elk vierde huis in «Nieuw Amsterdam op de Manhatans» bier en tabak nuttigen. Nu struin je kilometers door Upper West Side zonder een uitspanning tegen te komen. En reken maar niet dat je je hoge nood onbestraft in de bosjes van Central Park kunt lenigen. Dat mogen zelfs de honden niet. De Wall Street-boys, rijker dan ooit, schijnen hun limo’s met een wc te hebben uitgerust. Vind je eindelijk een etablissement, dan blijkt de wc een badhokje dat de gast goed zichtbaar houdt, de pot is op dwerghoogte, het papier breekt in snippertjes en bij het doorspoelen komt de lading ten afscheid omhoog kolken.

Wanneer valbijl of nietpistool hun werk hebben gedaan, brengt Bateman de bebloede lakens bij de dichtstbijzijnde Chinese Dry Cleaners. Het straatbeeld van New York heeft de afgelopen tien jaar een cosmetische operatie ondergaan, waarbij het meest zichtbare vuil en de onveiligheid met geweld te lijf zijn gegaan. De armoede bleef, alsmede de zwervers die Bateman, in het beste geval, vol walging gadesloeg. Het traject door het gegoede Upper West Side van Batemans appartement naar zijn stomerij voert langs restanten Pools getto, Mexicaanse sloppenwijk en Chinese achterbuurt. Op een straathoek speelt een oude man saxofoon, deuntjes uit Les Miséra bles. Daar is de wasserij: The Amsterdam Cleaners. Een goedgeklede man stapt binnen. Het Chinese personeel aanschouwt zijn wasgoed en vertrekt geen spier.

De tragedie van Patrick Bateman is dat wie-ertoe-doen voortdurend vergeten wie hij is en al helemaal niet zijn geïnteresseerd in wat hij uitspookt. Hij glijdt steeds verder af in zijn morbide waanzin, raakt zijn identiteit kwijt tussen al diegenen die precies hetzelfde werk doen en er net zo uitzien als hij, en praat over zichzelf in de derde persoon. Een dagelijkse opgave in zijn leven is het verkrijgen van reserveringen bij de laatste hot spots van het eetwezen. Daarvoor moet je op goede voet staan met de maitre d’ van het betreffende restaurant. Een running gag in de roman is restaurant Dorsia, het mekka van eind jaren tachtig en zelfs voor Wall Street-stockbrokers schier onbereikbaar. Bateman belt erheen, maar de andere kant hangt al op voordat hij kan stamelen: «Als het deze maand niet lukt, dan wellicht in januari?» Voor zijn dertigste zal hij er zitten! In het boek lukt dat door toedoen van zijn gehate broer — een Pyrrus overwinning. In de filmversie van American Psycho blijft Dorsia buiten beeld, als de ultieme plek waar niemand naar binnen kan. Een uitstekende vondst, vindt New York Times-redacteur Grimes. Dorsia is het enige restaurant dat Ellis heeft verzonnen. Wachten op Godot.

In Café Luxembourg kun je reserveringen ook vergeten. Het restaurant op Seventieth Street, waar Amsterdam Avenue Broadway kruist, was en is een plek voor «beautiful people wanna-bes» (Zagat). Oude roem als Mr Allen en Mrs Faithfull moet er geregeld te bewonderen zijn. Bateman heeft geen tijd om te masturberen bij de video van Body Double omdat hij zich naar Luxembourg moet haasten. De Wall Street-brokers hebben hun geld na de krach terugverdiend, maar hun glansrol is uitgespeeld. Lukt het ze nog Luxembourg binnen te komen? Waar de gids een decor van crèmekleurig art deco belooft, biedt de werkelijkheid een bedompt slagerij-interieur met afbrokkelende tegeltjes. Vanaf de bar is het beleid uitstekend waar te nemen. Wie zwart is doet de afwas, wie bruin is mag servetten vouwen, wie geel is neemt de telefoon op en wie wit is mag razen en tieren en is de maître d’. De grootste terreur oefent evenwel de rinkelende telefoon uit. Wanneer de assistente niet op eigen gezag nee durft te verkopen, snauwt de maître d’ wat door de hoorn of houdt die weg van zijn oor met: «Who the hell is that?» Het is half zes. Een chic bejaard echtpaar treedt binnen. Geen groet wordt hun deel, slechts een «Name!» Ze zijn te vroeg en blijven staan waar ze staan, jassen aan. «Rude on purpose», betitelt William Grimes zo'n behandeling. Even later zit de tent vol. Veel Bateman-achtigen. Die gaan zich straks natuurlijk op hoer of zwerver afreageren.

Lower Manhattan, Financial District, zes uur ’s avonds. Op borreltijd frequenteren de twintigers uit American Psycho Harry’s at Hanover Square, vlak bij Wall Street. Het pleintje ligt weggedrukt tussen wolkenkrabbers en smalle straatjes met de ene na de andere hamburgertent, waar bergen vuilnis liggen te stinken en shabby verkopers hun Afrikaanse ringen en met «New York» bedrukte stropdassen hebben uitgestald. Vier jonge heren in kostuum, twee met een dikke sigaar, lijken een scène van Bret Easton Ellis na te spelen. Ze staan voor de etalage van een verdwaalde dure kledingzaak te staren naar loafers van krokodillenleer en andere sale offers. Ze converseren over de prijzen en over de beurskoersen en wandelen dan Hanover Square over. Daar dalen ze de keldertrap af van een laag gebouw en betreden Harry’s. De geur van pizza overheerst in deze old boys club. Die pizza wordt op grote schalen, waarvan de kaas druipt, aangesleept door een man in witte koksjas. Op de tast, zonder de blik op hun gesprekspartner of op de beeldkrant met de koersen op te geven en met hun mond vol pizza, stoppen de heren wat flappen in het borstzakje van de koksjas. Dames zijn er ook. Ze leggen er eer in om er voor heel veel geld zo saai en stijlloos mogelijk uit te zien. Uit hun houding spreekt dat het leven zijn zin reeds lang geleden heeft verloren. Op de achtergrond klinkt de soundtrack van Les Misérables.

Meat-packing District, twaalf uur ’s nachts. Is het wel verstandig om naar nachtclub Nell’s te gaan, terug naar het Meat-packing Dis trict? Voor Patrick Bateman was Nell’s de opmaat voor een nachtje stoeien met dodelijke afloop voor de tegenpartij. Moet ik me er wel aan wagen? Hoe blijf ik bij mijn verstand in de holle retoriek die hip en cool New York over me uitstort, terwijl de stad van ellende en lelijkheid aan elkaar hangt? Ik zou een mokerslag willen geven op die stompzinnige kerstboomverlichting die van elke tweede pui hangt. En op de airco-dozen die als afgrijselijke zweren aan de gevels kleven. Ik zou de bijl willen zetten in de onhanteerbare draaikranen, in al die voorwereldse stekkers en schakelaars, in de elektriciteitskabels die schots en scheef boven de grond hangen aan ontbladerde bomen. Brand stichten in die ijskoude etablissementen, door die airco’s en door de robots die er de dienst uitmaken. En ik zou al het winkel- en secretariaatspersoneel, die wandelende antwoordapparaten met hun gespeelde beleefdheden, met de elektrische zaag willen bewerken. New York zou de ultieme beschaving zijn? Dit Zuid-Afrika van de apartheid? Dit Oost-Europa van de zinloze hiërarchieën en regels? I think my mask of sanity is about to slip.

«Nell’s is niet zo hip meer als in de tijd van American Psycho», had William Grimes me gewaarschuwd. De nachtclub op Fourteenth Street bij Eighth Avenue is prachtig ingericht, er zijn schemerlampjes en tapijten, het is er warm, er is goede soulmuziek, de bediening is aardig en het gemêleerde publiek vrolijk en niet opgefokt. Nell’s deugt. Nell’s is uit.