Het herbarium van meneer meertens

Vanaf 1986 verschijnen er delen van het prestigieuze boek dat alle Nederlandse opstandelingen in kaart wil brengen. Voor 2000 moet het gereed zijn. Een woordenboek als een botaniseertrommel. ..LE P.J. Meertens (+) e.a. (red.), Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel 7. Stichting Beheer IISG, 308 blz., Ÿ44,- ..LE DE INVENTARISATIEDRIFT van Piet Meertens, dankzij J.J. Voskuil tegenwoordig beter bekend als ‘meneer Beerta’ van Het Bureau, beperkte zich niet tot kabouters, boerenwerktuigen en het ophangen van de nageboorte van het paard. Ook socialisten, anarchisten, progressieve christenen en andere specimina van de opstandige mensensoort bracht deze volkskundige - zelf overtuigd christen-socialist - graag in kaart.

In z'n eentje lukte dat niet, wegens zijn vele bezigheden op en rondom het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Daarom bracht Meertens zijn hobby onder bij de in 1953 opgerichte Sociaal Historische Studiekring. Afgesproken werd dat de dertig leden van dit gezelschap in hun mededelingenblad gedurende anderhalf jaar regelmatig biografische schetsen zouden publiceren, zo'n honderd in totaal. Vervolgens zouden deze schetsen samen, als een biografisch woordenboek, worden uitgegeven.
Net als met zoveel projecten ¢p Het Bureau het geval was, bleek dit project b£iten Het Bureau meer voeten in de aarde te hebben dan aanvankelijk was voorzien. Pas in 1986 verscheen het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, althans het eerste deel ervan. Daarna zouden met grote regelmaat meer delen volgen, het zevende en voorlopig laatste, begin dit jaar. Nog voor 2000 hoopt men het geheel met een achtste deel af te ronden. Zo'n zeshonderd Nederlandse opstandelingen die tussen 1848 en 1940 ijverden voor een betere wereld zullen dan in kaart zijn gebracht.
VANWAAR DEZE gigantische vertraging van vijftig jaar? Raadpleging van het vergeelde mededelingenblad van de Sociaal Historische Studiekring geeft op deze vraag een weinig verrassend antwoord: de leden hadden het ‘te druk’.
Op elke vergadering herhaalt Meertens zijn 'gebruikelijk geworden klaaglied’ over de geringe medewerking aan het woordenboek. Meer dan eens vraagt hij zich in gemoede af: 'Moet hiermede worden doorgegaan?’ Het helpt niet. Het nijver verzamelen van gegevens en het schrijven van biografische schetsjes komt toch weer exclusief op zijn frˆle schouders terecht. Terwijl hij het al zo druk heeft!
'Ik moet toch ook aan volkstaal en aan volksstammen doen!’ verzucht zijn alter ego meneer Beerta in Het Bureau. 'En al die boeken die ik moet recenseren! En de commissies waar ik in zit. En nou hebben ze me ook nog gevraagd of ik mee wil werken aan de Oosthoek. Ik kan toch niet †lles doen!’
Pas begin jaren zestig komt aan deze kwelling een einde. Ger Harmsen, ex CPN'er en overijverig historicus van-en-voor-de-arbeidersbeweging, wordt op voorspraak van Arthur Lehning lid van de studiekring. Binnen de kortste tijd treedt hij toe tot het bestuur, de redactie en de redactiecommissie van het biografisch woordenboek.
Behalve organisatorische en publicistische daadkracht brengt Harmsen ¢¢k het revolutionair elan van de jaren zestig de studiekring binnen, tot grote schrik van Piet Meertens. Bij al zijn bijbels geãnspireerde solidariteitsdrang hecht deze verfijnde geest te zeer aan goedburgerlijke tradities - waarvan een verheven gesprek tussen gelijkgestemden er ÇÇn is - om open te staan voor modieuze grillen als democratisering en one man one vote.
Als Harmsen in 1967 voorstelt om de ballotageregeling af te schaffen en voortaan iedereen toe te laten, slaat zijn 'vaderlijke vriend’ Meertens dan ook de schrik om het hart. 'Ik zou het nogal brutaal vinden als iedereen zich zomaar opgaf’, brengt hij uit. 'Er zouden leden binnensluipen die de sfeer kunnen bederven.’
En inderdaad, met de idyllische saamhorigheid die de Sociaal Historische Studiekring tot dan toe gekenmerkt heeft, is het na 1967 voorgoed gedaan. Het rumoer van de straat, maar ook de interlinkse fractiestrijd, dringt door tot de salon waar de heren, en inmiddels ook een enkele dame, beschaafd van gedachten wisselen. Zo voelt Ger Harmsen zich genoodzaakt, vanwege een conflict met Arthur Lehning over het anarchistische tijdschrift Buiten de Perken, zijn functies in bestuur en mededelingenblad neer te leggen. Alleen het redacteurschap van het biografisch woordenboek houdt hij aan. Voor Arthur Lehning, voorzitter sinds 1953, hoeft het echter niet meer.
Piet Meertens, die het uitstekend met anarchist, bakoenist en publicist Lehning kan vinden, ziet het met lede ogen aan. Zijn ooit uitgesproken vrees 'ondanks zijn betrekkelijke jeugd de verschijning van het woordenboek niet meer te zullen meemaken’ lijkt bewaarheid te worden. Hij wordt er zo depri van dat hij na zijn pensionering - die hem bevrijdt van de dagelijkse beslommeringen op zijn Instituut - nog slechts vier schetsen voor het woordenboek afscheidt. Een schamel aantal, vergeleken bij de kleine veertig die in de vijftien jaar daarvoor uit zijn pen vloeiden.
BEHALVE DE ECHO van politieke meningsverschillen klinkt in de studiekring ook het wetenschappelijk debat luidruchtig door. Het moet allemaal meer analyserend en minder beschrijvend, vindt de jonge garde. De botaniserende aanpak van Meertens, die feitjes verzamelt als waren het boterbloemen kan Çcht niet meer. En de vertellende aanpak van Harmsen, die veel samenhang suggereert maar weinig inzicht genereert, verdient op z'n minst theoretische reflectie.
De jonkies krijgen hun zin: in 1968 evolueert de studiekring tot Nederlandse Vereniging tot Beoefening van de Sociale Geschiedenis, en het mededelingenblad tot professioneel Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis. De nieuwe redactie daarvan vat haar taak zo professioneel op dat veel ingezonden schetsen, ¢¢k uit de Harmsen-'school’, een onvoldoende krijgen. Noodgedwongen moeten Harmsen en de zijnen omzien naar een nieuw publicatiemedium. Dat wordt het Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland (1976-1980) en het Bulletin Nederlandse arbeidersbeweging (1983-1995). Vooral het laatste zet het werk aan het biografisch woordenboek voort. Het publiceert tientallen schetsen, waarin het hele linkse spectrum aan bod komt.
Veel respons oogsten Harmsen c.s. er niet mee; het progressieve tij is inmiddels gekeerd. Belangstelling voor biografische geschiedschrijving is er nog wel degelijk, en groeit zelfs. Maar die interesse richt zich in de eerste plaats op levens die al tot moderne mythen zijn uitgegroeid voordat biografen de kans krijgen ze te cre‰ren - of af te breken: Slauerhoff, Bolland, Van Eeden, Ivens, Herzberg. Niet toevallig voor het merendeel kunstenaars die zich, met al hun woeste bevlogenheid, moeilijk in het keurslijf van partijen, vakbonden of actiecomitÇs laten opsluiten.
Voor levens die in het teken staan van socialisme en arbeidersbeweging - of daarin geplaatst worden - loopt men in de jaren tachtig en negentig niet meer zo warm. Politiek is het hele leven niet meer. Tenzij je, zoals Elsbeth Etty in haar biografie van Henri‰tte Roland Holst, van zo'n politiek leven weer een 'echt’ leven weet te maken.
Het is een ontwikkeling die Piet Meertens goeddeels niet meer meemaakt: in 1975 wordt hij getroffen door een beroerte. 'Piet is nog slechts een kanariepiet’, fluistert men in de gangen van zijn Instituut. 'Anton is plankton’, verhaalt Voskuil in Het Bureau. Op 28 oktober 1985 sterft Meertens/Beerta, 86 jaar oud. Zijn dierbare woordenboek heeft hij nooit in handen mogen houden.
T¢ch prijkt de naam P.J. Meertens als eerste op de titelpagina van het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, dat in 1986, ÇÇn jaar na zijn dood, alsnog verschijnt. Dat wil zeggen, het eerste deel. Want men is op het lumineuze idee gekomen niet te wachten tot alle schetsen klaar zijn, maar per aflevering te publiceren wat voorhanden is. En dat werkt.
OOK DIT JAAR, bij de verschijning van het zevende deel, voert Piet Meertens de redactieploeg aan. Een eerbetoon aan de man die anno 1953 het initiatief nam tot het woordenboek? Inderdaad, meldde redactielid Bob Reinalda bij de feestelijke presentatie. Vandaar dat J.J. Voskuil, schrijver van Het Bureau en jarenlang het hulpje van Piet Meertens/meneer Beerta, het eerste exemplaar in ontvangst mocht nemen. Leuke bijkomstigheid: Voskuils vader, de journalist Klaas Voskuil, wordt in dit zevende deel met een schets vereerd. Daarin leren we de gewezen hoofdredacteur van Het Vrije Volk en radiospreker van de Vara kennen als een 'verlegen’, 'gedistantieerde’ man. Een karakteristiek die een stuk gunstiger uitvalt dan het oordeel dat zoon 'Maarten’ in Het Bureau velt: 'Mijn vader is een heel verlegen, onzekere, geremde man die zich geen raad weet tussen andere mensen. Daarom kijkt hij voortdurend kwaad en snauwt hij iedereen af, en daarbij doet hij of hij alles beter weet, om er zo gauw mogelijk van af te zijn.’
Ook over de onderlinge band tussen Klaas Voskuil en Meertens/Beerta geeft Het Bureau informatie: 'Ze kenden elkaar uit de arbeidersbeweging, waar Maartens vader tot de uiterste rechter- en Beerta tot de linkervleugel behoorde.’ Het Bureau en het Woordenboek vermelden n¡et dat deze relatie handig uitkwam: in 1954 verscheen in Voskuils Vrije Volk een oproep tot medewerking aan het woordenboek. Voor vragenlijsten kon men zich wenden tot de heer Meertens/Beerta, p/a Het Bureau.
Kijken we naar de inhoud van het zevende deel van het Biografisch Woordenboek, dan vinden we daarin de ultieme rechtvaardiging voor de vermelding van P.J. Meertens (+) als eerste redacteur. Veel, te veel schetsen hadden z¢ uit zijn pen kunnen vloeien. Het zijn niet meer dan aangeklede opsommingen van feiten en feitjes, die het zicht op de persoonlijkheid van de gebiografeerde eerder verduisteren dan verhelderen. Politiek lijkt toch weer heel het leven te zijn. Karaktertrekken die wÇl vermeld worden, schetsen een type, niet een levend mens.
Zo maken we onder meer kennis met 'een liefhebbende echtgenoot en meelevende evenwichtige vader’, 'een gematigd en gemoedelijk man’, 'een gezellige, vriendelijke man met een intense belangstelling voor alles om hem heen’, 'een harde werker met een rappe tong’, 'een harde werker die dit ook van anderen verwachtte’, 'een bescheiden mens met een rustige manier van doen (een pijproker)’ en iemand die 'soms hard overkwam’.
Bladzijden uit een herbarium zijn het, waaruit alle geur en kleur is weggebleekt. Met als grootste monstruositeit de schets van filmer Joris Ivens. Keurig worden in het begin daarvan de namen vermeld van de zes vrouwen met wie deze Vliegende Hollander ooit in het huwelijk trad, een 'vrij huwelijk’ aanging, of beide - al dan niet in combinatie met opbloei van oude of nieuwe liefdes. Een kluwen van relaties, die door Ivens’ biograaf Hans Schoots in Gevaarlijk leven (1995) zorgvuldig uit elkaar wordt gehaald en tot het laatste eindje afgerold. Gecombineerd met een minutieus verslag van creatieve ups en downs, politieke heldendaden en faux pas levert dat een indrukwekkend relaas op. Niets, helemaal niets daarvan is terug te vinden in dit biografisch woordenboek.
MAAR GELUKKIG, de volwassenwording van het biografische genre is niet geheel aan het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland voorbijgegaan. We worden ¢¢k getrakteerd op schetsen waarin politiek en privÇ een hechte verbintenis aangaan, en het hele leven niet van buitenaf, maar van binnenuit wordt geschetst. Herman B”hls portret van Herman Gorter verdient wat dat betreft een eervolle vermelding. Ook al weet hij - geen onbelangrijk detail - de schittering van Gorters po‰zie slechts in algemene termen te vatten: 'realistisch impressionistisch’, 'symbolisme’ en 'sensitivisme’.
Ook van Gorters collega Jacob Isra‰l de Haan, toneelspeelster Esther de Boer van Rijk ('Kniertje’), speeltuin'vader’ Uiltje Klaren, 'dansende vrijdenkster’ Florrie Rodrigo en schrijvende schoolmeester Theo Thijssen wordt in dit woordenboek een boeiend, levend portret geschilderd.
Het leeuwendeel van de 64 schetsen in deel zeven van het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland bevindt zich tussen de twee bovengenoemde uitersten: feitenrelaas en evocerend portret. En het leeuwendeel d††r weer van is van de hand van Ger Harmsen, timmermanszoon en doctor cum laude. Samen met zijn 'vaderlijke vriend’ Piet Meertens was hij jarenlang de drijvende kracht achter het woordenboek. Vanaf 1975 werd hij de facto diens opvolger.
Harmsen schreef deze dertien schetsen, zo vertelt hij in zijn autobiografie Herfsttijloos (1993), uit therapeutische overwegingen. Hij wilde er een 'echte’ depressie mee bestrijden die hem in 1988, kort voor zijn 66ste verjaardag, voor het eerst van zijn leven op de nek was gesprongen.
Vooral in het portret van Franz Wilhelm Junghuhn, geestelijk vader van de georganiseerde vrijdenkerij in Nederland en bedenker van de naam De Dageraad, is dit sombere gesternte terug te vinden. 'Het ondergaan van de grootheid van de natuur nam bij deze solitaire man de plaats in van de omgang met mensen’, schrijft Harmsen, instemmend. 'Aan de kraterrand keek men god rechtstreeks in het gezicht. Al het andere is leugen en bedrog.’
Piet Meertens had het niet beter kunnen formuleren. Alleen zou hij Harmsen er wÇl op hebben gewezen dat men de naam van het opperwezen met een hoofdletter schrijft. Net als die van marx.