Het herschrijven van één zin

Over notitieboekjes en echte verhalen. Maar vooral: over hoe het gehele universum van de schrijver zich kan samenballen in die ene, cruciale, zin. En vervolgens maakt de vertaler hetzelfde mee.

© Theo Cote

Dit gedetailleerde verslag van de totstandkoming van een enkele zin (een verslag dat, meer algemeen, ook ingaat op enkele van mijn schrijfgewoonten) heb ik oorspronkelijk op papier gezet voor mijn studenten aan UCSD in San Diego, waar ik begin jaren tachtig voor het eerst lesgaf. In mijn colleges probeerde ik geregeld het schrijfproces te demystificeren en tegelijkertijd te benadrukken hoe belangrijk het is om de lat hoog te leggen en veel aandacht te besteden aan details. Dit was de tijd van voor de computer, vandaar dat het bijna voltooide verhaal waaraan ik refereer, was ‘getypt’ en niet ‘geprint’. In die tijd kwam werk rechtstreeks op de typemachine tot stand of er werden handgeschreven teksten uitgetikt. Soms moesten vele herziene versies opnieuw worden getypt. Daar deed niemand moeilijk over – nu denk ik dat die traagheid het schrijfproces mogelijk ten goede kwam. Er is enige overlap tussen de ‘aanpak’ in dit essay en de aanpak die ik voorsta in ‘Dertig Aanbevelingen’ verderop in het boek, maar de ideeën worden net iets anders verwoord en zijn wellicht de moeite van het herhalen waard.

Het is ochtend en ik loop door mijn huis, voel me gelukkig en word geraakt door iets wat ik doe. Of beter gezegd, ik word geraakt door een gebaar dat ik onbewust maak, maar dat ene gebaar zet me ertoe aan een zin te noteren waarin ik beschrijf wat ik zojuist heb gedaan. Dat is meestal een effectieve aanpak bij het schrijven omdat één treffend aspect de culminatie kan zijn van een reeks minder opmerkelijke aspecten, die niet op zichzelf kunnen staan.

Dus ik pak mijn notitieboekje, dat opengeslagen ligt naast mijn ‘echte’ werk – een getypt verhaal dat bijna af is, dat misschien nog drie of vier veranderingen behoeft. Mijn notitieboekje ligt altijd naast mijn ‘echte’ werk omdat ik er vooral in schrijf als ik eigenlijk iets anders zou moeten doen. Vandaag schrijf ik dus een zin over wat ik net heb gedaan. Ik schrijf die zin in de derde persoon. Soms schrijf ik over mezelf in de derde persoon en soms in de eerste persoon. Nu ik erover nadenk, begrijp ik waar dat van afhangt: als het van belang is dat ík iets doe, als ík echt het onderwerp ben, schrijf ik in de eerste persoon. Als het niet van belang is wie iets doet maar het er mij alleen om gaat dat iemand dat ene doet, dan schrijf ik in de derde persoon – dat wil zeggen, dan gebruik ik mezelf als materiaal en vind ik het prettiger om in de derde persoon te schrijven omdat ik (de ik die schrijft) dan niet het personage voor de voeten loop dat uit deze handeling te voorschijn kan komen. (In de verhalen heeft de ‘ik’ nogal eens de neiging gehad een ‘hij’ te worden – een ‘hij’ die een tikje te zwaar is, die iets vrouwelijks heeft, iets zachtmoedigs, iets androgyns. De laatste tijd wordt de ‘ik’ meestal een ‘zij’.)

Dus ik schrijf het op en herschrijf het meteen. In gereviseerde vorm staat er: ‘Ze loopt door het huis, balancerend op de bal van haar voeten, zo nu en dan fluitend en zingend, zo nu en dan in zichzelf pratend, zo nu en dan verstard als een schermer, en garde.’ Deze keer heb ik de zin meteen herschreven; dat doe ik soms wel en soms niet. Misschien hangt het ervan af hoe interessant ik het vind wat ik opschrijf, of misschien herschrijf ik het niet als het zo eenvoudig of bondig is dat het in één keer goed is. Vandaag is het niet helemaal goed en kennelijk vind ik het interessant want ik herschrijf het: ik wil dat het precies goed is. Ik blijf eraan schaven tot het precies goed is, ongeacht of het een belangrijke observatie is en ongeacht of ik haar ooit zal ‘gebruiken’. Sterker nog, ik gebruik aantekeningen uit mijn notitieboekje zelden voor een verhaal, tenzij de aantekening zelf uitgroeit tot een verhaal (zoals bijvoorbeeld het geval was bij ‘Overgangsfase: het kleine mannetje’ in Uitsplitsen, om maar een voorbeeld te noemen).

Ik gebruik die aantekeningen zelden omdat ik de neiging heb mijn verhalen in één adem op papier te zetten en het meestal op niets uitloopt als ik probeer fragmenten in elkaar te passen. Waarom herschrijf ik dan toch die aantekeningen in mijn notitieboekje? Ik weet het niet zeker, maar ik heb wel een vermoeden. Om te beginnen vind ik het moeilijk om een zin te laten staan als ik zie dat er iets aan schort. Zelfs als ik een boodschappenlijstje maak, kost het me moeite niet de spelfouten te verbeteren. Daarnaast heb ik de neiging bij het schrijven mijn instinct te volgen – ik trek mijn impulsen niet in twijfel. Dus als ik iets wil herschrijven, ga ik mezelf niet voorhouden dat het geen zin heeft om dat te doen. Ik volg mijn instinct: er kan een reden zijn dat ik iets doe, een reden die ik op dat moment niet doorgrond maar die me later duidelijk zal worden. Wie weet komt er ooit een dag dat ik een of meer van deze losse notities wil gebruiken in een langere tekst. Ik zou een paar jaar terug kunnen bladeren in het notitieboekje, een aantekening lezen en zien of die iets groters kan worden. En als die aantekening slecht is geschreven en ik haar niet heb herschreven, zal het me meer moeite kosten om te zien wat ze wil zijn.

Daarnaast train ik mezelf voortdurend door aantekeningen te herschrijven. En het zou heel goed kunnen dat ik, zonder me dat bewust te zijn, in de definitieve versie van een aantekening tot iets kom wat de inspiratie vormt voor een andere zin in een nieuw verhaal. Of misschien is het notitieboekje niet alleen een plek om te oefenen in schrijven, maar ook in denken. Bij het herschrijven van een zin herschrijf je tenslotte niet alleen de woorden in die zin, maar ook de gedachte in die zin. En in breder verband: door te proberen een bepaalde beschrijving precies goed te krijgen, scherp ik niet alleen de observatie zelf aan, maar ook mijn vermogen om de taal te gebruiken. Er zijn dus vele redenen aan te voeren om energie te steken in een enkele zin in een notitieboekje, een zin die misschien nooit gebruikt zal worden. Maar zoals gezegd volg ik vooral mijn impulsen bij het schrijven, zonder me af te vragen of wat ik doe verstandig, efficiënt, moreel verantwoord enzovoort is. Ik doe het omdat ik het leuk vind of omdat ik het wil – wat eigenlijk altijd het uitgangspunt zou moeten zijn bij schrijven. (En wat betreft de vraag of iets moreel verantwoord is – ik zal niets publiceren waarvan ik denk dat het moreel onverantwoord is om te publiceren, maar het proces van onderzoeken, waar schrijven feitelijk op neerkomt, is iets heel anders dan publiceren, dat definitief en openbaar is. Wat je schrijft blijft privé totdat het openbaar wordt gemaakt.) >

Het notitieboekje is ook de plek om verhalen te schrijven. Elk verhaal dat ik schrijf begint in het notitieboekje en wordt meestal ook in zijn geheel in het notitieboekje geschreven. Daar is een goede reden voor, al heeft het even geduurd voordat me die duidelijk was: niets in het notitieboekje hoeft permanent of goed te zijn. Hier heb ik volledige vrijheid en ben ik dus niet bang. Het is onmogelijk om goed te schrijven – of om wat dan ook goed te doen – als je geen ruimte voelt. Ik ben niet bang omdat wat ik in dit boekje schrijf geen verhaal hoeft te worden, al kan het dat wel worden, als het dat zou willen. In zekere zin ga ik er niet meer echt voor zitten om een verhaal te schrijven. Vroeger wel, dan draaide ik een leeg vel papier in de typemachine (dat was in de tijd van mijn enige schrijfcursus ooit, bij Grace Paley – waarschijnlijk voelde ik me heel professioneel door zo te werken.) Tegenwoordig dringen de verhalen zich aan me op. Dat heeft jaren gekost en ik weet niet precies hoe ik dat voor elkaar heb gekregen, behalve door mezelf te dwingen – als de verhalen zich niet aandienden, ging ik ervoor zitten en bedacht ze en schreef ze op, al voelde dat nog zo ongemakkelijk en geforceerd, en al vond ik die verhalen nooit helemaal bevredigend.

Aanvankelijk schreef ik lange verhalen omdat ik dacht dat een verhaal lang hoorde te zijn. Mijn personages waren gebaseerd op mensen van wie ik weinig wist, maar soms slaagde ik erin de menselijke natuur aardig te treffen. In ieder geval was de setting soms goed, omdat ik de settings kende.

Later drong tot me door dat ik helemaal geen lange verhalen hoefde te schrijven – sterker nog, dat ik kon schrijven in welke vorm ik maar wilde, en een tijdlang wist ik me over een gebrek aan inspiratie heen te zetten door elke dag verhalen van twee alinea’s te schrijven. De meeste waren niet geweldig, maar sommige waren niet onaardig, en dat was goed genoeg. Daarna heb ik een tijd alleen zeer korte verhalen geschreven, in bondige, heldere zinnen. Maar inmiddels ben ik veranderd en dit nieuwe dikke boek, om maar een voorbeeld te noemen, zal vermoedelijk zijn geschreven in paginalange zinnen en vooral bestaan uit uitweidingen [* hier voetnoot invoegen: ik kan me, nu, niet herinneren wat ‘dit nieuwe dikke boek’ was.] Ik wil maar zeggen…

Uiteindelijk hoefde ik niet op zoek te gaan naar ideeën, er diende zich altijd wel een verhaal aan of er borrelde wel iets op – tegenwoordig heb ik het gevoel dat ik niet anders kan dan het verhaal schrijven, het moet er gewoon uit. Nabokov heeft gezegd dat hij er nooit voor ging zitten om een boek op papier te zetten, maar om het uit zijn hoofd te krijgen. Misschien is het notitieboekje voor mij ook een manier om dingen uit mijn hoofd te krijgen, en hoe preciezer ik het opschrijf, hoe beter ik het uit mijn hoofd krijg. Sommige zinnen willen van begin af aan uitgroeien tot een verhaal. De laatste zin die ogenblikkelijk is uitgegroeid tot een verhaal – zij het nu nog in ruwe versie – is ‘Ik vind het jammer dat de koningin van Engeland eraan te pas moest komen om te zorgen dat mijn moeder ophield op mijn zus te vitten.’ Dit is nog waar ook.

Soms groeit de notitie uit tot een verhaal, in andere gevallen is het niet meer dan een zin of een paar zinnen, en zal het ook nooit meer worden, in ieder geval niet in de nabije toekomst; en soms lijkt het een verhaal te willen worden en kijk ik er van tijd tot tijd nog eens naar, maar komt het niet te voorschijn. Misschien is het dan te beperkt (of te absurd) om uit te groeien tot een volwaardig verhaal, al is de observatie op zich treffend. Of misschien heb ik het idee nog niet helemaal te pakken, en probeer ik het verhaal in de verkeerde richting te sturen.

Over schrijven en vertalen

In april en mei bezoeken de vertalers van Ali Smith, Uwe Timm, Jon Fosse en de zeventien andere voor de Europese Literatuurprijs genomineerde romans verschillende boekhandels in Nederland om te vertellen over hun werk. Ook worden er leesclubs georganiseerd. Voor data en locaties zie vertalersgeluk.nl. Voor de gelegenheid publiceert De Groene deze verhandeling van Lydia Davis over het schrijven van een enkele zin en een toelichting over het vertalen van diezelfde zin door haar huidige vertaler Nicolette Hoekmeijer.

À propos niet bang zijn als je schrijft, realiseer ik me dat ik me geheel onbewust twee gewoonten heb aangemeten waardoor ik niet bang ben. Als eerste de gewoonte om elk verhaal te beginnen in het notitieboekje, waar er geen enkele druk is om uit te groeien tot een verhaal; de tweede gewoonte is dat ik heel vaak doe wat ik ook vandaag heb gedaan: ik leg de uitgetikte pagina’s voor me van een verhaal dat bijna af is en dat ik niet probeer te voltooien, want in plaats van daarmee door te gaan, begin ik in mijn notitieboekje aan een ander verhaal en schrijf dat op, net zo lang tot me niets meer invalt. Het is makkelijker om te doen – een verhaal beginnen – als ik me niet heb voorgenomen om dat te doen. Mijn onbewuste, of welk deel van de hersenen het ook is dat het hardst werkt bij het schrijven van iets nieuws, is heel ontspannen en voelt zich op zijn gemak, omdat er een duidelijke taak ligt om op terug te vallen zodra ik, even, niets meer weet toe te voegen aan het nieuwe verhaal.

Ondertussen blijft het uitgetikte verhaal gewoon liggen. De volgende dag kan het weer net zo gaan. Soms werk ik tegelijkertijd aan vier of vijf, of zelfs meer, verhalen in wording. Het is een prettig gevoel dat er te veel is om aan te werken, in plaats van niets – het lege vel. Sommige verhalen, die nog niet helemaal af zijn, kunnen door al deze bedrijvigheid naar de achtergrond worden gedrongen en een tijdlang uit beeld verdwijnen – soms zelfs maanden. Maar vroeg of laat kom ik altijd weer bij die verhalen terug en voltooi ze, en ze zijn gebaat bij het verstrijken van de tijd. Het scherpt mijn blik.

Misschien is het notitieboekje niet alleen een plek om te oefenen in schrijven, maar ook in denken

Op de ochtend waar ik het nu over heb, had ik me voorgenomen het laatste verhaal voor een verhalenbundel af te maken. Nadat ik er een poosje aan had gewerkt, viel me op hoe ik me door het huis bewoog, waarna ik opschreef wat ik deed en vervolgens begon na te denken hoe het proces van schrijven en herschrijven bij mij in zijn werk gaat, waarna ik besloot deze beschrijving op papier te zetten.

Natuurlijk valt er nog veel meer te zeggen over notitieboekjes. Veel schrijvers hadden een notitieboekje. Kafka had een notitieboekje met allemaal ideeën voor verhalen, aanzetten tot verhalen, complete verhalen, verslagen van avonden die hij met vrienden in het café had doorgebracht, en soms ook gemopper op zijn familie, hospita, buren enzovoort. Zijn gemopper over de reële herrie van zijn buren aan de andere kant van de muur veranderde in geschreven fantasieën over denkbeeldige mensen aan de andere kant van de muur. Het notitieboekje van een schrijver wordt een document, de objectivering van iemands denken. Er zijn schilders geweest, zoals Delacroix, die prachtige notitieboekjes bijhielden. En er zijn ook schrijvers die nooit iets anders hebben gepubliceerd dan hun notitieboekjes, zoals de achttiende-eeuwse Fransman Joseph Joubert.

Wat nu volgt is de manier waarop die ene zin is herschreven:

Hoe een enkele zin kan worden herschreven.

Uiteindelijke versie:

Ze loopt door het huis, balancerend op de bal van haar voeten, zo nu en dan fluitend en zingend, zo nu en dan in zichzelf pratend, zo nu en dan verstard als een schermer, en garde.

Dit is hoe de uiteindelijke zin tot stand is gekomen, vanaf de eerste zinnen en formuleringen tot de uiteindelijke zin.

Ze beweegt zich lichtvoetig door het huis, balancerend op de bal van haar voeten…

(lelijke herhaling: lichtvoetig / voeten)

Ze loopt…

…langzaam door het huis… (spreekt geen geluksgevoel uit)

…langzaam en met lichte tred… (te uitleggerig)

…langzaam, aandachtig door het huis… (niet sterk genoeg)

…langzaam door het huis, aandachtig, balancerend op de bal van haar voeten… (te omslachtig)

Nabokov heeft gezegd dat hij er nooit voor ging zitten om een boek op papier te zetten, maar om het uit zijn hoofd te krijgen

…langzaam door het huis, balancerend op de bal van haar voeten…

(prima, dat vind ik mooi. maar later denk ik te veel woorden en haal ik ‘langzaam’ weer weg; nu is het eerste deel van de zin af.)

…zo nu en dan fluitend, zo nu en dan zingend, zo nu en dan in zichzelf pratend, zo nu en dan…

(nee. te veel ‘zo nu en dan’)

…zo nu en dan fluitend en zingend (nee. kan niet tegelijkertijd)

…zo nu en dan fluitend of zingend (nee. klinkt te bedachtzaam)

…zo nu en dan fluitend en zingend (kan toch wel, kan ook na elkaar zijn)

…zo nu en dan staan blijvend, verstard in de positie van een schermer, en garde

(nee. te veel voltooid deelwoorden. maar ik weet dat ik moet eindigen met ‘en garde’ – dat is het pakkende beeld waarin alles is samengebald; de reden dat ik deze zin überhaupt heb opgeschreven. het is ook een krachtige formulering, en ‘verstard’ is ook krachtig.)

…zo nu en dan verstard als een schermer, en garde. (probleem met te veel voltooid deelwoorden opgelost door te schrappen.)



1982 , 2002 , 2004

vertaling Nicolette Hoekmeijer

(dit is een voorpublicatie uit Lydia Davis, Het gaat om het verhaal: Over schrijven en schrijvers. Vertaald door Nico Groen en Nicolette Hoekmeijer. Atlas Contact)