Guus Middag

Het hogere babbelen

P>Boek van de maand: Guus Middag, ‘De eerste keer’, gekozen door de jury bestaande uit Pieter van Os, Sander Pleij, Barber van de Pol en Jacq Vogelaar. De andere mededingers staan op de pagina hiervoor.

<

[kader]



Ja wie niet



Haast elk is in een vorig leven
beslist Cleopatra geweest
en enkelen waren eerder eveneen huisdier of uithuizig beest



maar wie schiet nog het jaar te binnen
dat wij raderdiertjes waren
of wier, te weerloos om te paren
te popelen laat staan beminnen?



En toch als in die eerste dagen
twee algen heel dicht samen lagen
ontblootte hij die toen nog zweeg



of al geleerd had eerst te vragen
een bult van louter zelfbehagen
en barstte in haar leeg.



 


LEO VROMAN


Uit: Psalmen en andere gedichten (1995)



[einde kader]



GUUS MIDDAG is een ideale inleider voor geoefende lezers en voor ongeoefende poëzielezers. Dat laatste weten we van zijn in 1995 verschenen Ik maak nooit iets mee, een bundeling van stukken die hij eerder schreef voor de kinderpagina van NRC Handelsblad. Die stukken begonnen allemaal met de woorden uit de titel, ‘Ik maak nooit iets mee’, steevast gevolgd door een maar dat Middags leesavontuur van de week inluidde. Dat leesavontuur was altijd spannend; Middag maakte beslist van alles mee. Ik weet niet of veel kinderen de bundel hebben gekocht of gekregen, wij grote mensen hebben ervan genoten, net als van zijn stukken voor volwassenen.


Casual, dat is misschien het woord voor Middags houding als criticus, een houding die zo goed past bij het actuele gedruis. Een modern woord, het tegendeel van benauwdheid suggererend, maar precisie geenszins uitsluitend. Verwacht van hem geen boodschap of zelfs maar eensluidende antwoorden. Die heeft hij niet. Een hem typerende conclusie luidt: ‘Er zijn hier veel antwoorden mogelijk, maar het belangrijkste lijkt mij vooralsnog dát er veel antwoorden mogelijk zijn.’



ZIJN NIEUWE derde bundeling, De eerste keer, bevat essays die eerder tussen 1983 en 1999 in krant, tijdschrift of boek verschenen. De helft van de zestien is gewijd aan overkoepelende thema’s zoals ‘de eerste keer’, wat ook de boektitel is geworden, en de andere helft specifieker aan individuele gedichten of dichters, al is het verschil niet groot. Er komen behalve Larkin, Auden, Brodsky, Walcott en Gezelle vooral veel Nederlandse dichters aan bod.


Persoonlijk had ik er wel wat meer buitenlanders bij willen zien. Ik zou, om concreet te zijn, wel eens Middag over Wallace Stevens of over Paul Celan willen lezen, dichters die hier veel invloed hebben gehad en die altijd wel aanleiding geven tot bespreking. Het zou reliëf geven aan de hier zo bloeiende poëzie van nu. Dat is niet bedoeld als kritiek maar als compliment. Ik ben al jaren benieuwd naar Middags mening. Misschien wil hij zoiets helemaal niet, reliëf geven, een kader aanbrengen of wat dies meer zij, uit gezonde angst voor loze, met zichzelf aan de haal gaande ideeën.


Vind ik alle hier behandelde dichters even interessant? Nee, maar ik vond wel alle essays interessant. Wellicht, bedacht ik, zou Middag ook notoir slechte dichters makkelijk met zijn vernuft op boeiende wijze kunnen doorlichten. Die leren je als het erop aankomt bijna net zo veel als de goede. Maar hij toont gelukkig zijn allergieën, bij voorbeeld voor de zingzangkant van Gezelle en ook uit de krant herinner ik me zijn incidentele wrevel of afwijzing.


Duidelijk is intussen dat hij het liefst uit bewondering schrijft, hij kan heel goed bewonderen, maar de vraag wat een mooi gedicht is, waarmee de bundel opent, beantwoordt hij niet. Hij geeft zijn nederlaag toe en doet dat op hoofse wijze: je ziet in ieder geval de rijkdom van wat niet geannexeerd wil worden, stelt hij vast. Mooie dingen zijn vaak simpel en ingewikkeld tegelijk. Je kunt het er net zo goed kort als lang over hebben, of ze voor zichzelf laten spreken, natuurlijk.


Met grote, niet hinderlijk geëtaleerde belezenheid en kennis van zaken beweegt hij zich door zijn materie. Hij bluft niet. We zien altijd hoe essayist, materie en dichter zich onderling verhouden, in nauw omlijnde posities. Praterig, soms schichtig, soms als een jonge hond loopt hij om zijn object heen, duikt erin, haalt er iets uit, bekijkt het goed, gooit het dan terug in het geheel. Hij is een sublieme denksporter, wars van deftigheid en angstvalligheid, gericht op het spel. En wij leren onze les: je moet zeggen wat je vindt, en dat in woorden die niet voor het bekekene gaan staan.



IN DE BUNDEL komt één emotionele alinea voor. Daarin vertelt Middag hoe hij bij Elly de Waard in de auto zit en tot zijn woede ontdekt hoe hij een evidente autobiografische verwijzing in haar poëzie straal over het hoofd had gezien omdat hem niet geleerd was daarop te letten.


‘Ik vervloekte’, zegt hij, ‘daar in die Citroën Visa, al die indringende lezers met hun werelden in woorden die indirect voor mijn blunder verantwoordelijk waren, al die merlinisten die nooit bij dichters in de auto zaten om hun theorieën over de autonomie van de tekst te toetsen aan de pijnlijke praktijk. Maar het meest vervloekte ik mezelf, die er blijkbaar in geloofd had.’


Het gedicht ging over de dood van een vader.


Deze boutade is zonder meer sneu voor de soepele merlinisten die er toch ook zijn, of waren. Bovendien haalt Middag zelf alleen de biografie van stal als het gedicht er om vraagt (‘en dan is er nog de biografische achtergrond’) dus zo anders is hij niet. Hij had zich destijds misschien met plezier aangesloten bij het tijdschrift Merlijn en zijn nieuwe schone ideeën over literatuurkritiek, al denk ik het eigenlijk niet. Middag en zich aansluiten bij: dat vloekt.


Hij is gelukkig inderdaad niet bang voor vrije associaties als die hem zinnig voorkomen. Hij legt kloeke verbanden tussen bij voorbeeld Faverey, Komrij en Kuijper, of tussen Beurskens en Vroman, beiden impressionist met verve in zijn ogen. Hij laat Favereys zuivere lichtheid raken aan Vromans vrolijke lichtheid, en hij overtuigt, for the time being.


Er is ruimte genoeg voor ons om mee of terug te denken. Andere besprekers, zoals Rein Bloem in Favereys geval, krijgen de eer die hen toekomt, en ook dat geeft lucht en een gevoel van vrijheid. En Middag houdt als alle wijze mensen van vergissingen, met als hilarisch voorbeeld zijn aanvankelijke verkeerde lezing van een gedicht van Gezelle. Hij kan erom lachen. Kortom hij is geestig en daarenboven verrukkelijk ongelovig.


‘Als je goed kijkt kun je het onzichtbare zien, beweren sommigen. De rest kijkt toe, zwijgt, denkt “misschien” en knakt nog eens een kootje.’


De koude waarheid van de leegte, die de door hem geanalyseerde Faverey, Komrij en Kuijper ieder op hun manier virtuoos vullen, zijn hem meer waard dan de ‘onzinnigheden van het zoekende hart’, een formulering van Komrij. Hij typeert hun gedichten als ‘op spanning gebrachte zeepbellen’, die in de laatste regel worden doorgeprikt. Wat rest is een blik in het graf.


Middags lieveling lijkt de minder kille Leo Vroman, een expert in het ‘hogere babbelen’, zoals hij hem noemt. Al die ‘verwijzingen naar wetenschappelijke speculaties over het uitdijen en inkrimpen van het heelal’ suggereren een ‘oerademhaling die in het heelal van zijn eigen oeuvre terug te vinden is’. Of, om het anders te zeggen en zijn eigen positie aan te geven: ‘Ik houd er erg van, van dit type volle, heen en weer schietende poëzie, maar ik word er ook altijd duizelig van — en dan wil stilstaan nog wel eens helpen.’



Guus Middag, De eerste keer. Uitg. Van Oorschot, 334 blz., ƒ39,90