Huis Doorn moet dicht

Het hol van de keizer

Als staatssecretaris Van der Ploeg zijn zin krijgt, gaat Huis Doorn, verblijfplaats van de laatste Duitse keizer Wilhelm II, volgend jaar dicht. Een ongekende provocatie, zo menen de Duitse monarchisten.

Het is toch wel ergens goed voor, de voorgenomen sluiting van museum Huis Doorn door staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg. Sinds Van der Ploeg op instigatie van de Raad voor de Cultuur besloot de vijfhonderdduizend gulden subsidie voor het museum per 1 januari 2001 stop te zetten, is het er drukker dan ooit. De gidsen loodsen de ene na de andere groep dagjesmensen door de boudoirs van de laatste Kaiser. Eerbiedig zwijgend wandelen ze door het volgestouwde kasteeltje, waar alles nog precies is zoals het was toen Wilhelm II hier op 4 juni 1941 zijn laatste adem uitblies. Met geconcentreerde aandacht wordt de immense snuifdozenverzameling van Frederik de Grote bestudeerd. Men vergaapt zich aan de uitbundige uniformenverzameling van de Kaiser, die zelf van honderden portretten op de bezoekers neerkijkt. Niets ontsnapt aan de aandacht van de gidsen: de keizerlijke toiletpot, het speciaal voor hem gefabriceerde bestek (vork en mes in één, zodat de Kaiser zijn lamme linkerarm kon verbergen), de keizerlijke zadelstoel, de sterfkamer. Men komt ogen te kort. Huis Doorn is meer dan een museum, het is een soort afdaling in de diepste krochten van het surreële brein van «de meest briljante mislukkeling uit de wereldgeschiedenis», zoals Wilhelm werd genoemd door zijn neef, de Britse koning Edward VII.

Lang zal men waarschijnlijk niet meer van het museum mogen genieten. Staatssecretaris Van der Ploeg lijkt rotsvast overtuigd van zijn voornemen om Huis Doorn op korte termijn te liquideren. Volgens Van der Ploeg is Huis Doorn «niet van wezenlijk belang voor de Nederlandse geschiedenis» en hij voelt zich niet geroepen om nog één gulden subsidie voor het museum te reserveren. In de praktijk, zo meent beheerder Th. Verroen van Huis Doorn, dreigt zo het einde van het museum op zeer korte termijn een feit te worden.

Hoewel Verroen nog zeker een gang naar de bestuursrechter zal maken voordat hij zich neer wenst te leggen bij het besluit van Van der Ploeg, ontvouwt hij het rampscenario: «De collectie van Huis Doorn is Nederlands staatseigendom sinds het na de Tweede Wereldoor log als vijandelijk bezit werd geconfisqueerd. Als Huis Doorn als museum moet stoppen, betekent dat wellicht dat de collectie verkocht zal worden en versnipperd zal raken. Zo raakt Nederland een uniek museum kwijt, dat heel wat meer authentieke informatie biedt over de Europese hofcultuur dan bijvoorbeeld museum paleis ’t Loo, dat toch niet veel meer is dan een verzameling losjes ingerichte stijlkamers die niets meer te maken heeft met de inrichting zoals die was toen ’t Loo werkelijk als paleis functioneerde. Hier in Huis Doorn staat alles er nog exact zo bij als toen Wilhelm II er verbleef. Het is alsof hij elk moment weer kan terugkeren van zijn dagelijkse exercitie houthakken.»

Verroen weigert te geloven dat Huis Doorn zonder subsidie door kan draaien. Hoewel de waarde van de collectie door de verzekering tussen de 150 en 200 miljoen gulden wordt geschat, heeft het museum daartoe niet de financiële middelen. Een puur commerciële bedrijfsvoering is ondanks veertigduizend bezoekers per jaar ook niet haalbaar. Verroen: «Ík kan best respecteren dat de staatssecretaris naar een nieuw cultuurbeleid wil gaan, meer multicultureel getint. Maar Huis Doorn is toch ook multicultureel? Het betreft hier nota bene een museum voor een allochtoon, en politiek vluchteling bovendien.»

Het is niet de eerste keer dat de Nederlandse regering de sluiting van Huis Doorn overweegt. Verroen kan zich van eind jaren tachtig een zelfde operatie herinneren, zij het dat het toen tot wat symbolisch wapengekletter beperkt bleef. Dit keer is het bloedige ernst. In de argumentatie van Van der Ploeg en de Raad voor de Cultuur kan Verroen zich in het geheel niet vinden. «Te zeggen dat Huis Doorn geen wezenlijk deel uitmaakt van de Nederlandse geschiedenis is een gotspe van jewelste. Huis Doorn is toch minstens een monument voor de vroegere Nederlandse neutraliteitspolitiek, zoals die sinds Hugo de Groot werd gevoerd. Dat Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal kon blijven, is toch het werk van Wilhelm II. Het feit dat hij in november 1918 als vluchteling werd geaccepteerd door Neder land, was een teken van diezelfde neutraliteitspolitiek. Dan getuigt het toch van weinig historisch besef om te zeggen dat Huis Doorn voor Nederland niets te betekenen heeft. Men kan Wilhelm II beschouwen als een antipathiek persoon, maar zijn belang voor de Nederlandse geschiedenis kan onmogelijk worden ontkend.»

In zijn actie ter behoud van Huis Doorn overweegt Verroen nog de hulp te vragen van koningin Beatrix. Dat kan nog interessant worden. De banden tussen het Huis van Oranje en het Huis van Hohenzollern behoren tot de meer gecompliceerde verhoudingen in de grote familie van de Europese royalty.

Voor de Eerste Wereldoorlog waren de banden tussen de twee vorstelijke families goed te noemen. De jonge Wilhelmina had een diepe bewondering voor «Onkel Willy», die in 1891 zijn eerste staatsbezoek aan Nederland bracht. Moeder Emma stuurde haar dochter vaak naar het keizerlijke hof in Berlijn, zodat de jonge prinses, die haar eigen vader koning Willem III nauwelijks had gekend, toch nog een soort vaderfiguur had. Wilhelm nam haar vaak mee op het keizerlijke jacht Hohenzollern, voor tochten langs zijn geliefde Noorse fjorden.

Gaandeweg slopen er echter complicaties binnen. Zo stuurde de Kaiser in 1904, verbolgen over het feit dat Nederland zijns inziens te weinig havens openstelde voor de zich in die dagen in hyperventilerend tempo ontwikkelende Duitse vloot, een brief op poten aan Emma en Wilhelmina, waarin hij dreigde met een bezetting van Nederland. De koningin-moeder en Wilhelmina bleken bij die gelegenheid een en al begrip voor de wensen van de Duitse soeverein. Zij hoopten vurig dat Wilhelmina’s huwelijk met hertog Heinrich von Mecklenburg-Schwerin, gesloten in 1900, de Kaiser gunstig zou stemmen.

De Mecklenburgers vormden een geslacht naar Wilhelms hart. Hun groothertogdom aan de Oostzee werd nog op feodale wijze geregeerd (reden voor tienduizenden Mecklen burgers om de wijk te nemen naar Amerika) en hun aanhankelijkheid aan het Pruisische keizershuis kende geen grenzen.

De Mecklenburgse heersers waren nadrukkelijk gelieerd aan de Orde der Germanen, een organisatie die zich na de Duitse nederlaag in 1918 sterk maakte voor spoedig herstel van het keizerrijk. Groothertog Johann Albrecht van Mecklenburg, halfbroer van prins Hendrik, werd in 1919 grootmeester van deze orde. Communisten, socialisten, maar ook conservatievere politici van de kersverse republiek van Weimar moesten te vuur en te zwaard worden bestreden. Walter Rathenau, de minister van Buitenlandse Zaken van de Weimar-republiek, werd vermoord nadat hij door de Germanenorden was beschuldigd van een geheim plan om alle koningen van Europa om te brengen. Ook de moord op de voormalige Reichs-minister van Finan ciën Matthias Erzberger, ondertekenaar van de wapenstilstand met de geallieerden in het kader van de Vrede van Versailles, kwam uit de koker van de Germanenorden.

Om haar trouw aan de gevluchte Kaiser te bewijzen, beraamde de Germanenorde eveneens een moordaanslag op journalist Maxi milian Harden, die in 1907 de innige haat van Wilhelm II op zijn hals had gehaald door in zijn politiek-conservatief georiënteerde blad Die Zukunft te onthullen dat de Kaiser en zijn hoge adellijke vrienden uit de Pruisische legertop zich in privé-kring vol overgave op homo-erotisch getinte verkleedpartijen en spiritistische activiteiten hadden gestort. Die onthullingen zorgden indertijd voor de politieke val van Wilhelms boezemvriend en eerste adviseur Philip Eulenburg. De Germanenorden besloten dit alsnog te wreken. Zeer tot verdriet van de keizerlijke banneling te Doorn mislukte de aanslag. Blij kens zijn studie naar de herkomst van de swas tika en zijn inspanningen om met behulp van een wichelroedeloper te bewijzen dat Doorn ooit het centrum was van een Germaanse lichtcultus, had Wilhelm II zich ook al danig verdiept in de ideologie der Germanenorden.

Nadat zijn halfbroer Johann Albrecht van Mecklen burg in 1920 was komen te overlijden, kwam de zorg voor de Kaiser vooral op de schouders van onze eigen prins Hendrik terecht. Wilhelmina, zeer benauwd voor een conflict met de Britten, liet de betrekkingen met Huis Doorn dan ook gaarne aan haar echtgenoot over. Daarnaast behoefde ook ex-kroonprins Wilhelm, geïnterneerd op het eiland Wieringen in de Zuiderzee, enige attentie. Zo werd het Hendriks opdracht om zo veel mogelijk huisraad uit de Hohenzollern-kastelen over te brengen naar Doorn. Maar liefst vijf treinwagons afgeladen met tafelzilver, schilderijen, porselein en andere snuisterijen werden als vrucht van Hendriks ijver van Duitsland naar Doorn gereden, waar Wilhelm II in 1920 een kasteeltje van graaf Bentinck had overgenomen. Het bestaan van deze actie lekte uit naar de pers, zodat het socialistische dagblad Het Volk Hendrik omschreef als «de boodschappenjongen van de Kaiser».

Vanaf 1918 reisde Hendrik bijna onophoudelijk heen en weer tussen Nederland en Duitsland. Zijn taak bestond uit het aftasten van de mogelijkheden tot de terugkeer van de Kaiser naar zijn Heimat. Als echtgenoot van het Nederlandse staatshoofd was hij de ideale diplomatieke koerier, alhoewel zijn bezoeken aan Doorn tot 1927 slechts in het geheim mochten plaatsvinden. Opvallend detail: Hendrik liet zijn oudste twee dochters uit zijn liaison met de buffetjuffrouw Wilhelmina Wenneker, Edith en Stien, inschrijven op de exclusieve kostschool Rodenstein in Doorn, pal tegenover het pand van de ex-Kaiser. De meisjes kwamen af en toe bij de ex-monarch langs voor een zang- of toneeluitvoering.

Het was Hendriks vurige wens dat ook Juliana op Rodenstein werd opgeleid, doch daar stak Wilhelmina een stokje voor. Wel werd de dertienjarige Juliana als bruidsmeisje naar Huis Doorn gestuurd toen de gewezen Kaiser in 1922 ten tweeden male in het huwelijksbootje stapte, en wel met de Duitse aristocrate Hermine von Reuss, een overtuigd nationaal-socialiste van het eerste uur. In de jaren dertig zouden ook prins Bernhard en zijn moeder prinses Armgard in Doorn neerstrijken voor een keizerlijke audiëntie.

Een en ander was niet van politieke gevoeligheden gespeend, want Wilhelm II en zijn familie hielden er weinig frisse ideeën op na. Zo liet Wilhelm een wichelroedeloper uit Appelscha overkomen die moest bewijzen dat Doorn in vroeger tijden het middelpunt was van een oud-Germaanse lichtcultus. Ook publiceerde hij een studie over de herkomst van het hakenkruis en liet hij zich geregeld als fervent antisemiet kennen. Bij dit alles liet de Kaiser zich vooral souffleren door zijn Hermine, wier moeder een nicht was van koningin Emma.

Ook de zonen van Wilhelm II traden toe tot de nationaal-socialistische gelederen. Zo zat ex-kroonprins Wilhelm, die reeds in 1918 tot de pre-nazi-knokploeg Stahlhelm was toegetreden, bij de SA, evenals diens zonen prins Hubertus en prins Friedrich. De andere zoon van Wilhelm II, prins August Wilhelm, liet zich ook gaarne in SA-uitdossingen fotograferen en nam in 1932 zelfs namens de NSDAP deel aan de verkiezingen voor de Pruisische Landdag. In datzelfde jaar ontving de ex-Kaiser in Doorn NSDAP-topman Hermann Goering, die hem er toen van verzekerde dat herstel van het Duitse keizerrijk het eigenlijke doel van de nationaal-socialisten was. Wilhelm II vergaf het de nazi’s dan ook niet toen deze belofte niet werd ingelost. Naar verluidt liet hij de stoel waar Goering op had gezeten ritueel verbranden. Het mocht weer niet verhinderen dat de gewezen keizer op 17 juni 1940 een gelukstelegram aan Hitler zond naar aanleiding van de capitulatie van de Fransen.

Ook werden de Duitse troepen in Neder land door de Kaiser enthousiast verwelkomd. Dit mocht evenmin het herstel van het keizerrijk ten goede komen. Wilhelm overleed op 4 juni 1941. Hij werd begraven op zijn Doornse landgoed, waar hij nog altijd ligt, wachtend op herstel van het keizerrijk. Testamentair liet hij vastleggen dat zijn overblijfselen pas naar het Berlijnse familiegraf mogen worden overgebracht als de Duitse kroon in ere is hersteld.

Nog altijd doet Huis Doorn dienst als bedevaartsoord voor de Duitse monarchisten, die zowel op Wilhelms geboortedag (27 juni ) als op zijn sterfdag (4 juni) plegen te komen voor een parade in en rond het keizerlijke mausoleumpje in de tuin van het kasteel. Die parades zijn een grote ode aan de magie van het vroegere keizerrijk. Steevast zijn er ook vertegenwoordigers van het Huis van Hohen zollern aanwezig, dat nog altijd klaarstaat om leiding te geven aan het herboren keizerrijk. Tijdens de herdenking van 1998 viel op dat er ook een afgevaardigde van de Duitse Bundes wehr aanwezig was bij de ereparade in Doorn.

De organisatie van dit keizerlijke spektakel is in handen van de vanuit Kelkheim opererende vereniging Tradition und Leben («Arbeits gemeinschaft zur Förderung des monarchischen Gedankens»), Duitslands grootste monarchistische vereniging. Voorzitter Knut Wissenbach verkondigt dat «Wilhelm II een scherp oordeel had, wat anderen er ook van mogen zeggen. De Kaiser was misschien niet helemaal vrij van raciale vooroordelen, maar aan de andere kant voorzag hij de problemen met de bolsjewieken. Ook was hij een goed christen».

De vereniging, driehonderd leden sterk, werd in 1953 heropgericht en streeft naar een monarchale staatsvorm voor de Bondsrepu bliek, die de Hohenzollerns weer als de rechtmatige keizerlijke familie zou moeten erkennen. Als vervolg zouden de diverse Bun des ländern ook kunnen kiezen voor een regionaal bestuur onder leiding van de oude vorstelijke families, mits die het keizerlijk gezag van Prui sens eerste familie accepteren. Volgens Traditi on und Leben is heden 63 procent van de Duit se bevolking voor herstel van het keizerrijk.

De leiding van Tradition und Leben blijkt niet bepaald verrukt van het jongste besluit van staatssecretaris Van der Ploeg. Na overleg met de Generalverwaltung van het voormalige regerende Pruisische vorstenhuis, dat tegenwoordig onder leiding staat van de 24-jarige prins Georg Friedrich von Hohenzollern, achterkleinzoon van de laatste Kaiser, laten de Duitse monarchisten weten dat het hier niet alleen gaat om «een onzalig besluit» en «een vuistslag in het gezicht». Voorzitter Wissenbach: «Het bezit van Huis Doorn werd na de Tweede Wereldoorlog als vijandelijk vermogen door de Nederlandse staat in beslag genomen. Daaruit volgde een bijzondere verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor dit bezit. De afnemende betekenis van Doorn voor de Nederlandse geschiedenis kunnen wij volstrekt niet navoelen. De leden van het Huis van Pruisen voeren nog altijd de titel prins van Oranje. Er is dus sprake van nauwe betrekkingen. Doorn is ook een symbool van de vriendschap tussen de buurlanden Nederland en Duitsland. Daarnaast is het een symbool voor de rechtvaardigheid en standvastigheid van het Nederlandse koningshuis, dat de toenmalige Kaiser opgenomen heeft, ondanks de chantagepraktijken van de toenmalige grootmachten van de Entente. Dit alles dreigt men nu op de vuilnishoop van de geschiedenis te smijten. In het samengroeiende Europa kan het toch niet meer enkel gaan om het bewaren van louter nationaal erfgoed, zeker niet wanneer er zulke vriendschappelijke verhoudingen bestaan?»

Voorzitter Wissenbach ziet de actie van Van der Ploeg bovendien als een onvervalste provocatie. «In 2001 vieren we het driehonderdste jubileumjaar van de troonsbestijging van de Hohenzollerns in Pruisen, nota bene door Friedrich I, zoon van een Nederlandse prinses. Op 4 juni 2001 wordt de zestigste sterfdag van Wilhelm II herdacht, waartoe we ook naar Doorn hadden willen komen. Het feit dat Huis Doorn uitgerekend in 2001 dreigt te moeten sluiten, getuigt van verregaande tactloosheid.»