Het holland festival als springplank

Voor de vijftigste editie van het Holland Festival heeft de scheidende artistiek directeur Jan van Vlijmen een opmerkelijk theaterprogramma bij elkaar gezocht.

Er komen maar liefst drie voorstellingen van regisseur Robert Wilson, naast Japans Noh-theater, een Londense versie van Pinters The Homecoming, en een tweetalig Dostojevski-project. En Ivo van Hove regisseert een stuk van de Amerikaanse filmregisseur John Cassavetes.
Vanaf 1998 is Ivo van Hove (in het dagelijks leven artistiek leider van het Zuidelijk Toneel in Eindhoven) de nieuwe directeur van het Holland Festival. Maar hij wil niet zo worden genoemd. Van Hove prefereert het germanisme ‘festivalleider’: hij wordt anderhalve dag per week 'denktank’ voor het Holland Festival. Jacques van Veen (voormalig directeur van de Groningse schouwburg en het Amsterdamse Paradiso) wordt zijn zakelijk directeur.
De beslissing om Ivo van Hove te benoemen is opvallend rimpelloos verlopen en met gejubel begroet. Dat is bij nader inzien merkwaardig. Van Hove blijft namelijk in functie als artistiek leider van het Zuidelijk Toneel. Bovendien heeft hij plannen voor een film en hij wil in het buitenland gaan regisseren. Hoe doet één mens dat allemaal zonder wonderbaarlijke persoonsvermenigvuldigingen? En is hier geen sprake van een curieuze vorm van belangenverstrengeling? We maken Frans Brüggen (dirigent van het Orkest van de Achttiende Eeuw) toch ook niet directeur van het Festival Oude Muziek?
Het bestuur van het Holland Festival mikt vanaf 1998 vooral op de aankoop van internationaal toneel en theater, en veel minder op muziek(theater) en dansprodukties. Dat lijkt een wijze manier om eieren te kiezen voor het beetje toegewezen geld. Maar waarom daaruit niet de ultieme consequentie getrokken? Waarom zou het Holland Festival bijvoorbeeld niet de 'buitenlandpoot’ van het jaarlijkse Theaterfestival (in september) kunnen worden? Waarom niet als programmeurs een intrigerende combine gemaakt van mensen die (anders dan Ivo van Hove) wèl een ruime ervaring hebben in het bekijken van theater in de ons omringende buitenlanden? Bijvoorbeeld het driemanschap Arthur Sonnen (ooit toneelprogrammeur van het Holland Festival), Ritsaert ten Cate (ooit directeur van Mickery) en Peter Sellars (onafhankelijk theatermaker en nu directeur van een festival in Los Angeles).
De nu gekozen oplossing is halfslachtig en eerlijk gezegd ook een tikje corrupt. Ze lijkt voornamelijk goed voor de loopbaanplanning van de ambitieuze Van Hove. Hij wordt nu als Holland-Festivaldirecteur anderhalve dag in de week een Amsterdammer. En als tegen het eind van de eeuw de desintegratie van Toneelgroep Amsterdam onafwendbaar is geworden en Gerardjan Rijnders weer opereert als onafhankelijk schrijver en theatermaker, kan Ivo van Hove eindelijk aantreden in de functie die hij ambieert: als artistiek leider èn schouwburgdirecteur aan het Leidseplein, de eerste intendant naar Duits model in Nederland. Toegegeven: een heel aparte manier om internationaal theater te importeren.