Het holland festival verkwanseld

Er wordt veel gemord over Jan van Vlijmens laatste Holland Festival. Maar deed hij niet precies waar het festival voor bedoeld is: het voeden van het geheugen? De aanstaande directeur, Ivo van Hove, belooft wat dat betreft niet veel goeds.
Jessica Voeten, Een Nederlands Wonder - Vijftig jaar Holland Festival. Uitgeverij Walburg Pers, 240 blz., 365,-. Cd-box, 6 cd’s, Globe, 399,50.
EIGENLIJK IS HET een wonder dat het Holland Festival zich vijftig jaar staande heeft weten te houden, betoogt Jan Blokker in het boek ter gelegenheid van het vijftigste Holland Festival (Een Nederlands wonder, onder redactie van Jessica Voeten). Nederland is een land dat buitengewoon verwrongen met zijn eigen verleden omgaat, argumenteert Blokker. Dat blijkt uit het bijna ontbreken van het vak ‘vaderlandse geschiedenis’ op scholen, het onvermogen collectieve trauma’s te verwerken (de Duitse bezetting en het verlies van Nederlands-Indië) en uit de desinteresse voor de eigen kunstschatten.

Dat laatste constateerde Emanuel Boekman, de Amsterdamse wethouder van kunstzaken, in 1939 ook al: ‘Wie de onverschilligheid wil peilen voor kunst in het algemeen, evenals voor heugenis aan eigen nationale grootheid, vindt geen sprekender voorbeeld en beschamender tevens, dan de houding van de overheid en vermogende particulieren jegens de schatten van Nederlandse schilderkunst die toen aan de markt kwamen.’ Met die wetenschap in het achterhoofd hoeft het niet te verbazen dat de geschiedenis van vijftig jaar Holland Festival in het teken heeft gestaan van financiële problemen, de roep het festival op te heffen en het verwijt van elitarisme.
Kunst, zo zet Blokker uiteen, moet zich in Nederland tegen de verdrukking in bewijzen. De geschiedenis wijst uit dat er alleen geld aan kunst wordt uitgegeven wanneer er een niet-artistieke reden voor is: een verheffende rol in de naoorlogse zedenpolitiek, een bevestiging van maatschappelijk engagement, of een sjiek visitekaartje in de internationale betrekkingen tussen regeringen. Tegenwoordig wordt ook vaak de nadruk gelegd op het feit dat kunst profijt oplevert voor allerlei economische bedrijvigheid en toerisme. Kunst om haar eigen, intrinsieke waarde is zonde van het geld.
Gelukkig celebreert het Holland Festival het eigen verleden met een buitengewoon geslaagde jubileumuitgave. Een halve eeuw festivalgeschiedenis verteld in drie versies: een keer in een reeks prachtige foto’s gemaakt door de legendarische fotografe Maria Austria, een keer in een reeks unieke optredens die als geluidsopnamen in een box van zes cd’s bewaard worden, en een keer in geschrifte, opgetekend door Jessica Voeten, die in losse thematische tekstbrokken alle anekdoten en achtergronden heeft vastgelegd.
BLOKKERS PLEIDOOI voor historisch bewustzijn is ook bij de laatste festivaldirecteur Jan van Vlijmen niet aan dovemansoren gericht geweest. In de beste traditie van het Holland Festival heeft Van Vlijmen zich gericht op 'exclusieve topattracties’. Werd de rijke historie van het festival gekenmerkt door de aanwezigheid van spraakmakende componisten (Benjamin Britten, Igor Stravinsky en Leonard Bernstein), roemruchte diva’s (Kathleen Ferrier, Maria Callas, Teresa Berganza) en grote dirigenten (Pierre Monteux, Herbert von Karajan en Carlo Maria Giulini), Jan van Vlijmen haalde met zijn doortimmerde retrospectieven componisten als Karlheinz Stockhausen, Pierre Boulez en Mauricio Kagel naar Nederland, belangrijke choreografen als Pina Bausch, Merce Cunningham, William Forsythe, Anne Teresa de Keersmaeker, regisseurs als Ariane Mnouchkine, Robert Wilson, Peter Sellars, Jürgen Gosch, Klaus Michael Grüber en Peter Zadek. En dan hebben we het nog niet over de eclatante successen van John Eliott Gardiner met zijn English Baroque Orchestra in de Mozartcyclus. Allemaal wereldberoemde kopstukken die Van Vlijmen op de Amsterdamse podia zette.
Het verwijt dat Van Vlijmen gedurende zijn bewind vaak heeft gekregen luidt dat zo'n terugblikkende manier van programmeren weinig fantasievol is, dat hij teerde op successen uit het verleden die hun kracht bewezen hebben, en dat hij weinig risico nam met artistieke produkties die met beide benen in het heden staan. Die constatering is juist, maar de vraag is of dat erg is. In de eerste plaats betreft het vaak namen die iedereen van horen zeggen kent maar (de oudere generaties uitgezonderd) nooit gezien heeft. Juist voor dat zo wezenlijke historische bewustzijn waren Van Vlijmens retrospectieven goud waard. In de tweede plaats wordt terecht de eis aan het Holland Festival gesteld dat het een aanvulling vormt op het toch al zo overdadige seizoensaanbod. In dat perspectief is het vreemd om te pleiten voor vernieuwende of experimentele kunst in het festival. Waar het muziekleven al wordt geplaagd door een hardnekkige premièredwang, wordt in de theaterwereld al helemaal hyperventilerend achter het allernieuwste aangerend.
Een bespiegelende, contemplatieve houding in het festival zou dus juist zinvol zijn. In de vorm van produkties die door het jaar heen niet te zien zijn. Zoals belangrijke buitenlandse kunstenaars, gezelschappen en produkties. Retrospectieven, bijvoorbeeld de 'ontsluiting’ van Matthijs Vermeulen, die dit jaar een schot in de roos bleek. En muziektheater van eigen bodem, want dat is een kunstvorm die te duur is voor reguliere theaters. Vanaf de jaren zestig - om precies te zijn met Labyrinth van Peter Schat, gevolgd door het roemruchte Reconstructie - heeft het Holland Festival een indrukwekkende serie muziektheaterstukken van Nederlandse componisten geproduceerd. De laatste jaren betrof dat werk van Louis Andriessen (De Materie), Theo Loevendie (Esmée), Ton de Leeuw (Antigone), Klaas de Vries (A King, Riding), Dick Raaijmakers (De val van Mussolini), Rob Zuidam (Freeze) en meest recent Wim Laman (Agamemnon).
Het enige dat je Jan van Vlijmen zou kunnen verwijten is dat hij zijn programma’s nooit heeft willen verantwoorden. Terwijl zijn historische aanpak zich bij uitstek leent voor interessante discussies over modernisme, postmodernisme en de betekenis van kunst in heden en verleden, heeft hij altijd op het standpunt gestaan dat de voorstellingen voor zichzelf moeten spreken.
Terecht stelt Gerard Mortier, de huidige directeur van de Salzburger Festspiele en min of meer het geweten van festivalland, dat 'een goed festival ontstaat uit de vraag wat kunst voor de mensheid moet betekenen. (…) Kunstenaars moeten zich existentiële vragen stellen. Niet dat ze een pasklaar antwoord hebben, maar hun uitingen geven een overzicht van het gevoel van hun tijd.’ Dergelijke discussies zouden het Holland Festival een onschatbare meerwaarde geven.
Met de benoeming van regisseur Ivo van Hove komt deze traditie op losse schroeven te staan. Het accent komt op theater te liggen, zodat het festival per definitie (alleen al door de taalbarrière) een provincialer karakter zal krijgen. Van Hove wil op zoek gaan naar produkties van 'onbekende makers’, mits ze 'kwaliteit’ hebben. In de spaarzame interviews die Van Hove tot nu toe heeft gegeven, heeft hij daar nog nauwelijks een voorbeeld van kunnen noemen. Laat staan dat hij een interessante visie tentoonspreidt. Over Kagels muziektheaterstuk Aus Deutschland, een onbetwist hoogtepunt dit jaar, had hij 'mixed feelings’, zonder aannemelijk te kunnen maken welke. Over de inhoud van het komende festival kan hij nog niets melden, behalve dat we in 1999 Op hoop van zegen door Toneelgroep Amsterdam en de Wooster Group gaan zien.
Het lijkt erop dat het bestuur van het Holland Festival met deze benoeming een kleurrijke traditie heeft verkwanseld aan een modieuze gril. Modern theater door de ogen van een veelbelovende jonge regisseur. Met de moed der wanhoop probeert Ivo van Hove de journalisten ervan te overtuigen dat hij 'niet bij nul’ gaat beginnen. Hij staat juist 'naakt tegenover de traditie’. Wat dat ook moge betekenen.
Je zou haast bij voorbaat al heimwee krijgen naar Jan van Vlijmen.