Het holle eurosocialisme

‘ÇA CHANGE!’ luidt het motto boven de website van Lionel Jospins socialisten. ‘Frisse ideeën!’ belooft een folder van Gerhard Schröder, de advocaat uit Hannover die na een taai tweegevecht met Oskar Lafontaine is uitgeroepen tot kanselierskandidaat van de SPD. En een brochure van New Labour, uitgebracht in het kielzog van Tony Blairs historische verkiezingsoverwinning, opent met de juichkreet: ‘Britain has just got better!’ Het gaat goed met links en dus met Europa, zo wil de propaganda van de Europese sociaal-democraten ons doen geloven. De kiezers zijn wakker geschud, de bestuurders hebben een verjongingskuur ondergaan en bovenal zijn de programma’s en ideeën nieuw, nieuw en nog eens nieuw.

Gezien hun institutionele opmars van de laatste twintig jaar zou de linkse doorbraak in Europa zo zoetjes aan ophanden moeten zijn. Michel Camdessus, de managing director van het IMF, is een Franse socialist. De architect van de Europese eenheidsmarkt en grote roerganger in de stormachtige aanloop naar de euro was Jacques Delors, eveneens socialist. De twee beoogde directeuren van de Europese centrale bank, Duisenberg en Trichet, zijn ook van de familie. De sociaal-democraten regeren of zitten in de regering in twaalf van de vijftien lidstaten van de Europese Unie; na een eventuele overwinning van Schröder zijn dat er straks dertien. Ze vormen de grootste fractie in het Europese parlement en leveren de meeste Europese commissarissen. Daarnaast beschikken ze over het best functionerende internationale samenwerkingsverband van alle politieke stromingen in Europa. Op het congres van de Socialistische Internationale in Malmö in juni vorig jaar lieten Tony en Lionel al triomfantelijk de champagnekurken knallen, terwijl Wim en Oskar verwachtingsvol hun glaasjes bijhielden. Iets meer dan honderd jaar na de oprichting van de Tweede Internationale, die zo ongelukkig uiteenviel onder druk van de Eerste Wereldoorlog, lijkt de socialistische machtsvorming in Europa eindelijk resultaat af te werpen.
Maar wat doen de Europese socialisten eigenlijk met die macht, en hoe ziet het sociaal-democratische Europa van de toekomst eruit? Helaas, zo constateerde correspondent David Walker van The Independent na afloop van de fuif in Malmö: wat hen samenbindt is een totale verwarring over de vraag wat socialisme inhoudt. Hun morele en politieke krediet kan geheel worden bijgeschreven aan de debetzijde van de neoliberale wereldorde, in de vorm van een almaar stijgende werkloosheid, een toenemende tweedeling tussen arm en rijk en de daarmee samenhangende angst voor sociale ontwrichting, criminaliteit en nationaal identiteitsverlies. De Europese samenleving is door hun toedoen niet veranderd; daarentegen zijn zij zelf stukje bij beetje opgeschoven in neoliberale richting. Hun regeringsprogramma’s hangen aan elkaar van de ideologische vooronderstellingen over flexibiliteit van de arbeid, vrije concurrentie en marktconforme groei. Hun toekomstplannen bestaan voornamelijk uit megalomane infrastructuurprojecten en zuiver technische oplossingen voor sociale problemen, verbonden met een zuiver voluntaristisch pleidooi voor gezinswaarden. Afgezien van hun banenplannen, waarvoor de blauwdruk doorgaans is ontleend aan Delors’ witboek Groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid uit 1993, ontbreekt het hen aan iedere originele gedachte.
DE SOCIALISTISCHE doorbraak in Europa is niet meer dan een wisseling van de wacht, in de letterlijke zin van een aflossing van de bewakers van de bestaande orde. Voor hun achterban en voor Europa als geheel geldt het motto ‘Plus ça change, plus ç'est la même chose.’
Om de deconfiture van het Europese socialisme op waarde te schatten hoeven we niet ver van huis te gaan. Het politieke gehalte van een man als Wim Kok blijkt genoegzaam uit het oordeel dat VVD-stemmers onlangs in een landelijke enquête over hem velden: zij vonden hem geschikter voor de post van premier dan hun eigen leider Bolkestein. Van de regerende Europese socialisten lijkt Lionel Jospin nog het meest vast te houden aan de traditionele idealen, maar bij nadere beschouwing is zijn beleid van 'duidelijke doelstellingen en soepele middelen’ slechts een doekje voor het bloeden. Reeds een paar dagen na zijn stembuszege ging Jospin lijnrecht in tegen zijn verkiezingsprogramma en bekeerde hij zich tot de euro en de budgettaire criteria van het Verdrag van Maastricht. Kort daarop verpatste hij de nationale telefoonmaatschappij France Telecom, eveneens in strijd met de 'harde’ en symbolisch belangrijke belofte dat hij niet tot privatisering zou overgaan. Terwijl zijn plan voor invoering van de 35-urige werkweek stukloopt op het verzet van de werkgevers, wordt zijn regering momenteel op straat uitgedaagd door een opstand van werklozen en een hernieuwd protest van intellectuelen, uitgelokt door het feit dat het Franse vreemdelingenbeleid, alwéér in strijd met een verkiezingsbelofte, niet is verruimd.
DEZELFDE VERSCHUIVING heeft zich ook voorgedaan in de zuidelijke socialistische partijen waar de proletarische hartstochten, vaak gescherpt door tientallen jaren strijd tegen opeenvolgende dictators, een onneembaar obstakel voor neoliberale inbrekers zouden moeten zijn. Bijvoorbeeld in Portugal, waar de socialisten van Mario Soares na een verwoed gevecht met linkse en rechtse tegenstanders glorieus uit de Anjerrevolutie te voorschijn waren gekomen. Toch bracht het Portugese volk in 1985 de conservatieve PSD aan de macht, die maar liefst tien jaar in het zadel bleef. Toen de Partido Socialista in december 1995 eindelijk weer een meerderheid kreeg, bleek de partij een complete gedaanteverwisseling te hebben ondergaan zodat zij nauwelijks meer van de PSD verschilde. De nieuwe premier Antonio Guterres zette niet alleen het bezuinigingsbeleid van zijn voorganger Cavaco Silva voort, maar scherpte het nog aan. In zijn haast om Portugal te laten deelnemen aan de euro verkocht hij bijna alle kroonjuwelen, waaronder het staatselektriciteitsbedrijf Empresa en de posterijen.
Nog dramatischer was de omslag in Griekenland, waar de trouw aan leider en beginsel tot voor kort een heilige plicht voor elke socialist was en waar ongeletterde chauffeurs en seizoenarbeiders hun geplastificeerde partijkaart met handtekening van Andreas Papandreou op hun hart droegen als een amulet. De socialist Costas Simitis werd na zijn verkiezingsoverwinning op de conservatieven eind 1996 over een loper van rode rozen het partijbureau binnengedragen, maar de vreugde was van korte duur. Ook Simitis capituleerde voor de Verelendung volgens Maastrichts recept. Dankzij rigoureuze bezuinigingen op de sociale zekerheid en afschaffing van onmisbare subsidies voor kleine boeren kan Griekenland binnenkort delen in de zegeningen van de eenheidsmunt.
In Italië heeft links eveneens al zijn kaarten op de euro en de bijbehorende bezuinigingen gezet, op het gevaar af dat rechts profijt trekt van de onvermijdelijke sociale onvrede. De coalitie van de Olijftak liet de eisen van Maastricht prevaleren boven die van de nationale politiek, zelfs als dat mocht resulteren in een noordelijke afscheiding onder leiding van de separatist Umberto Bossi.
HET ITALIAANSE socialisme heeft zijn ziel verloren, schreef Le Monde Diplomatique, en dat geldt eigenlijk voor alle sociaal-democratische partijen in West-Europa. Diep in hun hart vinden de leiders al die hooggestemde idealen van weleer, zo liefdevol en nauwgezet opgesomd in de Beginselverklaring van de Socialistische Internationale, een blok aan het been. Dat blijkt wel uit hun jaloerse bewondering voor Tony Blair, de ontdekker van het radicale centrum in de politiek en sinds zijn klinkende verkiezingsoverwinning het voorbeeld voor aanstormende politici van elke signatuur.
Blairs autoritaire stijl en theatrale optreden worden schaamteloos gekopieerd door Schöder, die sinds zijn aanwijzing als kandidaat opeens ook een blikken glimlach cultiveert. Terwijl hij zich vrijwel dagelijks grappend en handenschuddend met Duitse topindustriëlen laat fotograferen, benadrukt hij in al zijn redevoeringen dat hij niet begrijpt waar die rare tegenstelling tussen werkgevers en werknemers toch vandaan komt. Zijn aan Blair ontleende cocktail van populisme, loze werkgelegenheidsbeloften en conservatieve 'gezinswaarden’ slaat ook in Duitsland aan, getuige Schröders comfortabele positie in de peilingen. 'Zijn nabijheid tot het volk en zijn ontspannen optreden zijn het geheim van zijn succes’, schreef het Handelsblatt bewonderend over de Kanzlerkandidat. De Süddeutsche Zeitung liet zich niet imponeren en schreef veelbetekenend: 'Zo iemand als Schröder zou de CDU graag willen hebben.’
ALS HET Groot-Brittannië van Blair het voorland is voor alle sociaal-democraten, zal het onderscheid tussen de grote linkse en rechtse partijen in Europa binnenkort nog slechts een kwestie van verpakking zijn. Blair is nu al bezig een 'derde weg’ te zoeken buiten de kanalen van de Socialistische Internationale. Na zijn bezoek eerder dit jaar aan de Verenigde Staten, waarbij hij aandrong op nauwere banden met Clintons Democraten, kondigde hij vorige week op een socialistische conferentie in Londen aan dat hij een dialoog wil beginnen met 'progressieve partijen’ elders in de wereld.
De aansluiting bij de Democraten is alvast geen probleem, want op sociaal-economisch gebied heeft New Labour alle traditionele denkbeelden over gelijkheid en rechtvaardigheid overboord gezet. Hoewel Blair doorgaans de presentatie voor zijn rekening nam, werd dit beleid uitgestippeld door zijn financieel specialist Gordon Brown. 'Wij zien het als onze taak’, schreef Brown voor de verkiezingen in zijn Business Manifesto, 'om Britse bedrijven te steunen en hen te helpen te concurreren en een gezonde groei, goede winsten, een hoger levenspeil en meer banen te verwezenlijken. (…) De oude tegenstellingen - publieke tegenover particuliere sector, werknemer tegenover werkgever en staat tegenover markt - belemmerden het ontstaan van een noodzakelijk besef van nationale economische saamhorigheid.’ De eerste begroting die Brown, inmiddels minister van Financiën, vorige maand aan het parlement aanbood, leest als een staalkaart van neoliberale verlangens: lastenverlichting, inflatiebestrijding en verbetering van de Britse concurrentiepositie door versterking van de aanbodzijde, onder meer door beter beroepsonderwijs en soepeler investeringsvoorwaarden.
Uit publicaties van Labour-activisten blijkt dat de nood ter linkerzijde hoog gestegen is. 'We hebben al heel wat rechtse partijbesturen gehad en toch was er altijd eensgezindheid over de uitgangspunten, zoals herverdeling van welvaart door middel van belastingen’, aldus een pamflet van een groep opstandelingen die een 'Campagne voor Socialisme’ binnen Labour is gestart: 'De huidige partijleiding heeft dat gemeenschappelijke uitgangspunt verlaten. Zij heeft volledig afstand genomen van de traditie die door de Amerikaanse socialist Michael Harrington is omschreven als “visionair gradualisme”.’
Hoezeer het Britse socialisme is verloederd, werd me pas duidelijk toen ik aan de vooravond van de verkiezingen op reportage naar Londen ging. Ter oriëntatie bezocht ik Millbank Tower, een toren van glas en stortbeton in het hart van Londen waarin het Labour-hoofdkwartier tegenwoordig is gevestigd. Na een moeizaam onderhoud met twee veiligheidsmensen kon ik doordringen tot de balie, waar ik te woord werd gestaan door een receptioniste in uniform. Zij bleek geen Labour-lid maar een betaalde pr-juffrouw te zijn, hoewel ze het woord voerde namens de partij. De campagne lag die dag stil, vertelde zij, omdat er van hogerhand niets georganiseerd was. Wel mocht ik tegen betaling van 25 pond in een belendend zaaltje een videopresentatie over Tony Blair bekijken, waarvoor ik beleefd bedankte.
Op zoek naar de Labour-baronnen van weleer, de rossige vakbondsmannen met dikke nekken en een half miljoen stemmen in hun binnenzak, stuitte ik op louter dichte deuren. Twee vakbondsgebouwen waren gesloten, in een derde wilde niemand me te woord staan. 'Wij doen niet aan politiek’, zei de portier. De volgende ochtend dronk ik in alle vroegte koffie in een arbeiderscafé bij een van de grote stations. Een ploeg sjouwers lachte schamper toen ik de verkiezingen ter sprake bracht. De meesten stemden op John Major - dat was tenminste een gewone jongen. Alles was beter dan 'Tony bloody Blair’, die het openbaar onderwijs aanprees maar zijn eigen kinderen naar een particuliere school stuurde.
Om te begrijpen hoe de partij zo van zijn basis kon vervreemden, vroeg ik in Millbank Tower een interview aan met het scheidende Labour-parlementslid Roy Hattersley, een socialist van de oude stempel. De pr-juffrouw moest me teleurstellen: Hattersley was zojuist tot lord verheven en gaf een exclusief interview aan een landelijk dagblad. Ik belde het betreffende dagblad en vroeg of de redactie voor het interview had betaald. Ja, luidde het antwoord; hoeveel en aan wie wilde men niet zeggen.
Kortom, er hing al een geur van bederf rond New Labour voordat de partij goed en wel aan de macht kwam. Nu is een eerste indruk niet altijd juist, maar de bevestiging in de vorm van uitslaande schandalen liet niet lang op zich wachten. Zo werden de Formule-1-races begin dit jaar uitgezonderd van een verbod op tabaksreclame in de sport. De beslissing volgde op een gesprek tussen Blair en Bernie Ecclestone, ’s(werelds bekendste organisator van deze races, die de verkiezingskas van New Labour had gespekt met een miljoen pond. Ook mediatycoon Rupert Murdoch wipt af en toe langs in Downing Street om Blair voor zijn zakelijke karretje te spannen, in ruil voor de publicitaire steun van zijn krantenimperium aan Labour. Twee weken geleden kwam aan het licht dat Murdoch met vertrouwelijke informatie en diplomatieke steun van Blair had gepoogd in te breken op de Italiaanse televisiemarkt. Blairs zegslieden ontkenden bij hoog en laag, maar moesten inbinden toen het bericht uit Italiaanse bron werd bevestigd. Ze stonden helemaal met de mond vol tanden toen Murdoch op de voorpagina van zijn eigen krant The Times het verhaal nog eens in geuren en kleuren navertelde. Vorige week lekte zelfs een strategy paper uit waarin campagneleidster Amanda Delew (bijgenaamd 'Deloot’) beschrijft hoe Blair rijke sponsors kan binnenhalen door hen in zijn ambtswoning te ontvangen en hen bij het beleid te betrekken. Blair is geen sociaal-democraat. Strikt genomen is hij niet eens een politicus. Tony Blair is vooral een handige marketeer die zichzelf en zijn partij verhuurt aan de hoogste bieders.
BIJ GEBREK aan andere aanknopingspunten blijft alleen de euro over als ijkpunt voor het laatste restje idealisme in de Europese sociaal-democratie. Zal de eenheidsmunt dan tenminste de beloofde 'vrijheid, sociale rechtvaardigheid en solidariteit’ uit de Beginselverklaring van de Socialistische Internationale brengen, waarbij het anti-inflatoire beleid van de Centrale bank onder leiding van Duisenberg/Trichet een waardige vervanging is voor het rode ochtendgloren van weleer?
De meeste partijen wekken graag deze indruk en eisen, nu het beslissende moment nadert, steeds luidruchtiger het intellectuele eigendomsrecht op de euro op. 'De mate van consensus onder sociaal-democratische partijen over de wenselijkheid van Europese integratie is groter dan ooit tevoren. Ze wordt beleden in Oost en West, van Labour tot en met de Sociaal-Democratische Partij in Litouwen’, aldus buitenlandspecialist André Gerrits van de PvdA in een recent artikel.
Helaas, zodra je een beetje dieper gaat graven blijkt ook deze consensus een illusie te zijn. In een recent overzicht, samengesteld door de onderzoekers Jos de Beus en Ton Notermans, blijken de opvattingen hopeloos uiteen te liggen. De enige overeenkomst is wederom een negatieve, namelijk dat geen van de sociaal-democratische partijen de euro uit vrije wil aanvaardt.
Sommige partijen (zoals de Deense en Noorse) geloven in een doemscenario. Zij vrezen dat de naoorlogse verworvenheden, zoals de socialezekerheidsarrangementen en de emanciperende mechanismen in het onderwijs en het belastingstelsel, zullen worden weggevaagd onder druk van het internationale bedrijfsleven. Voorlopig gaat dit scenario inderdaad op, in die zin dat de Europese politiek bijna monddood is gemaakt door de kapitaalmarkten. Terwijl de laatste wettelijke belemmeringen voor het geld- en goederenverkeer momenteel worden opgeheven, komt het vereiste tegenwicht in de vorm van een bovennationale sturing niet van de grond. Door de strikte bezuinigingsnormen waartoe alle lidstaten zich bij verdrag hebben verplicht, is zo'n sturing ook bijna onmogelijk. Het voeren van een expansief beleid met het oog op de werkgelegenheid is onder de Maastricht-criteria zelfs uitgesloten. Volgens deze critici dreigt de Emu een eenentwintigste-eeuwse versie te worden van de gouden standaard die in de jaren dertig de pogingen tot werkloosheidsbestrijding verlamde.
Andere partijen (zoals de Duitse, Britse en Nederlandse) hebben volgens de auteurs een minder dramatische visie, waarin de eenheidsmunt wordt voorgesteld als een uitdaging. Zij hanteren het zogenaamde drukscenario waarin de euro geen politieke keuze is maar een 'onvermijdelijke aanpassing aan de snelle verbreiding van de wereldmarkt’. Een Franse variant op dit standpunt zegt dat de Duitse centrale bank met haar inflatieneurose de alleenheerschappij over het monetaire beleid heeft veroverd. De onvermijdelijke consequentie is dat Frankrijk zich maar beter kan aanpassen.
Volgens De Beus en Notermans ontvluchten sommige partijen dit defaitisme met behulp van zelfbedrog, aldus van de nood een deugd makend: 'Volgens dit wensdenken is de Europese munt de opmaat tot een Europees sociaal-democratisch model met mededingingsbeleid, milieubeleid, sociaal beleid, medezeggenschapsbeleid en al die andere leuke dingen voor linkse Europeanen.’
Maar waarom maken de betrokken partijen dan geen begin met die leuke dingen in eigen land? En waarom deden ze op de laatste Intergouvernementele Conferentie in Amsterdam hun uiterste best om Jospins voorstel voor een werkgelegenheidsclausule te torpederen, hoewel ze wisten dat die clausule niet meer dan een formaliteit was? Het antwoord is wellicht dat zich bij de sociaal-democraten zo'n diepe politieke malaise openbaart juist omdat hun electorale macht een hoogtepunt bereikt.
Waarom leggen ze zich zo makkelijk neer bij de gedachte dat overheidsingrijpen eigenlijk uit den boze is, dat de particuliere sector allerlei taken veel efficiënter uitvoert en dat de dagen van de maatschappelijke maakbaarheid geteld zijn?
HET IS GEBRUIKELIJK om het ideologische keerpunt te leggen bij de val van de Berlijnse Muur, omdat met het verdwijnen van de Sovjetunie de laatste illusies omtrent een lineaire vooruitgang van de geschiedenis en de heerschappij van de mens over zijn lot zijn vervlogen.
Het is een aannemelijke verklaring en de 'factor Berlijn’ speelt zeker een rol in de teloorgang van de sociaal-democratische consensus, maar de chronologie klopt niet. De neergang zette eerder in, op het hoogtepunt van de verzorgingsstaat eind jaren zeventig. De Franse socialisten legden na een korte maar heftige poging tot socialisering van het kapitaal in het eerste jaar van Mitterrands presidentschap het hoofd in de schoot. Hun project mislukte onder meer als gevolg van sabotage door de werkgevers en internationale instellingen als het IMF. Maar dat is niet het hele verhaal. De ware reden voor hun echec was dat zij hun electorale basis verwarden met een solide draagvlak voor fundamentele hervormingen.
Ook Labour begon al vroeg in de jaren tachtig aan de ideologische terugtocht. In de Bondsrepubliek werd de SPD door de kiezers uit de regering gezet en in Zweden maakten de sociaal-democraten maar zelf een begin met de afbraak van hun verzorgingsstaat, in plaats van de electorale ondergang af te wachten. En in Nederland viel de dood van Joop den Uyl samen met een heroriëntatie waardoor de PvdA rijp werd voor deelname aan het no-nonsensekabinet Lubbers(III, gevolgd door het afschudden van de laatste rode veren onder Paars.
Het euvel van de Europese sociaal-democraten is dat zij niet over een geloofwaardig alternatief voor het neoliberale mens- en wereldbeeld beschikken. De politieke uitholling van Labour gaat niet voor niets gelijk op met een morele verloedering in de partijtop. De Europese sociaal-democraten zijn stuurloos. De kiezers weten dat en stemmen alleen op hen uit nostalgie of omdat zij het minste van twee kwaden lijken te vertegenwoordigen. Zij hebben niet slechts een propagandaslag tegen het liberalisme verloren, maar de oorlog. In marxistische termen gezegd: de ideologische productie laat het afweten bij die van de tegenpartij. Hun toekomstvisioenen zijn niet uitdagend vergeleken bij die van de aanhangers van automatisering, globalisering en flitskapitaal. Alleen de euro, die laatste en in het licht van hun roemrijke verleden erbarmelijke vervanging voor het 'visionair gradualisme’, behoedt hen nog voor het politieke faillissement.
DE DIEPE MALAISE van de sociaal-democratie, aldus Ralf Dahrendorf in een lezing uit 1992 met de titel The Good Society, vloeit voort uit het groeiende besef dat het onmogelijk is om het goede leven politiek gestalte te geven. Hij noemde dit het 'Singapore-syndroom’, naar het voorbeeld van de autoritaire stadstaat van Lee Kuan Yew waar het levensgeluk van staatswege wordt opgelegd zodat het lijkt alsof niemand er echt gelukkig is. Je hoeft de onverschilligheid van het laissez faire-kapitalisme niet te onderschrijven, aldus Dahrendorf, om in te zien dat een mens zijn morele keuzen en praktische beslissingen uiteindelijk liever zelf neemt. Als een bepaald niveau van materiële welvaart bereikt is, weegt geen enkel collectief arrangement tegen die vrijheid op. Ten tijde van de hemeltergende maatschappelijke ongelijkheid rond de eeuwwisseling, tijdens de crisisjaren van het interbellum en onder de armelijke verhoudingen in de jaren van naoorlogse wederopbouw was de sociaal-democratie de enige garantie voor de bestaans- en emancipatievoorwaarden van miljoenen burgers. Nu de welvaart voor de meerderheid binnen handbereik is gekomen, neemt deze tevreden meerderheid zijn leven liever zelf ter hand. Zelfs een politieke traditie van meer dan honderd jaar - hoe moedig, inspirerend en veelbelovend deze van oorsprong geweest mag zijn - is tegen die vrijheidsdrang niet opgewassen.